Heiligschennis in kerken van Reformatie

De Reformatie in Nederland had een kwalijke kant. De mens kwam in het middelpunt. De heiligenbeelden werden vervangen door praalgraven van zeehelden, de adel en rijke kooplieden.

Eindelijk was het dan zover. Na jaren wachten bezocht ik onlangs het graf van de oude zeeheld Piet Hein. Door dertig jaren verblijf in het buitenland was het er nooit van gekomen, want bij een eerder bezoek was de Oude Kerk in Delft gesloten wegens restauratie.

Het werd een teleurstelling. Op de allerheiligste plaats van de kerk, waar eens het altaar van de Heere stond en waar Zijn bloed gedronken en vlees gegeten werd –Hij gaf het voor de verzoening van zondaren– staat nu het praalgraf voor de volksheld.

Piet Hein’s praalgraf op de plaats van het altaar in de Oude Kerk in Delft
(foto: B.A.Zuiddam 2020)

Geestelijk beschouwd is dat geen vooruitgang maar heiligschennis. Daarbij werd het huis van God gemaakt tot een huis van koophandel. Kerkenraden kregen, omgerekend naar het geld van onze tijd, miljoenen binnen door het verkopen van graven in de kerk. Met name het bouwen van praalgraven was een lucratieve handel. Status en rijkdom in de kerk met grafstenen als ‘advertenties’… Het was precies het omgekeerde van wat Christus bedoelde: slechts één is uw Meester en gij zijt allen broeders. In de kerk gaat het niet om ons, maar om Hem.

Ontwijding

De Oude Kerk in Delft is helaas geen uitzondering. Of men nu kijkt in Amsterdam of in Vianen, overal zijn altaren en (voor)beelden van mensen uit de Bijbel en de kerkgeschiedenis vervangen door praalgraven van 16e of 17e-eeuwse lieden die geld en macht hadden of de portemonnee van de rijken gediend hadden. Het gesneden beeld kon toen plotseling wel. Piet Heins weduwe moest nog een tijd vechten om het kleine aandeel van haar man in de winst van de zilvervloot uitbetaald te krijgen, maar hij was een goede ‘advertentie’ geweest voor de West-Indische Compagnie, dus het praalgraf kwam er. Op de plaats waar voorheen het verzoenend sterven van onze Heiland geproefd kon worden.

Wie naar Schoonhoven gaat, kan leren over de Ridderlijke Duitse Orde. Deze rijke ridderorde is na de Reformatie protestants geworden. Voor de Reformatie ging het om bidden, geestelijke zorg en goede werken. Na de Reformatie werd veel geld gebruikt om de buidels van reeds schatrijke adellieden te spekken. De commandeur generaal van de orde verdiende meer dan de stadhouder van de republiek. Wie de penning van de weduwe en erflatingen voor geestelijke doelen misbruikt voor eigen gewin, tart de levende God.

De tijden veranderen en wij met hen, dichtte de Engelse puritein John Owen. Dat deed hij nog in het Latijn, want hij leefde niet veel later dan Piet Hein (Epigrammata, 1613). Owen vroeg zich daarbij af hoe de mens dan wel veranderde: „Ten kwade” („peior”) was zijn veelzeggende conclusie.

Rooms-katholiek worden?

Owen had gelijk. Niet alle gevolgen van de Reformatie waren goed. Onlangs schreef collega dr. B. J. Spruyt in het Nederlands Dagblad (24-9): „Er zijn weinig zaken die ik zo goed begrijp als de overgang van een protestant naar de Rooms-Katholieke Kerk.” Daarbij vertelt hij dat een groot deel van zijn leesclub van serieuze oud-leerlingen van de reformatorische school rooms-katholiek is geworden. De kern van zijn betoog is dat de reformatorische traditie in deze tijd geen houvast biedt omdat ze te subjectief is geworden. Eigen meningen en relatief korte tradities worden verheven tot maatstaf waaraan vooral de ander gemeten wordt.

Spruyt heeft zelf de overgang naar de Rooms-Katholieke Kerk niet gemaakt, maar kent de worsteling wel. Daarin wil ik hem bijvallen.

Góds koninkrijk

Na mijn rondgang door vaderlandse protestante kerken was het een verademing om in de kathedraal van ’s-Hertogenbosch te komen. Daar stond God centraal in het kerkgebouw en niet de mens.

Dat laatste kan ook in kerken zonder praalgraven en met reformatorische prediking. Onlangs zei een collega van onverdachten huize dat het in veel preken eigenlijk elke week weer om ons en ons zielenheil gaat. Het is deel van Gods waarheid dat wij door wedergeboorte gered worden door een rijke Christus voor een arme zondaar. Ik preek het zelf. Maar als we daar blijven steken, draait elke kerkdienst weer om ons. En treedt bij elke keer dat we geen gehoor geven aan Gods roepstem verharding op. Het is niet toevallig dat een deel van onze jeugd opgroeit zonder besef dat het Evangelie ook waarlijk voor hen bedoeld is. We zien het in de recente noodkreten over het reformatorisch onderwijs. Maar het verbond begint thuis en in de kerk. Het is onze heilige plicht om daar de volle raad Gods te ontvouwen. We hoeven niet allen, zoals Calvijn deed, ”expository” te preken (verklarend preken, waarbij een gedeelte uit de Schrift nauwkeurig gevolgd wordt). Maar het gaat er toch wel om dat jong en oud de Heere leren dienen met hart, verstand en alle krachten? Het gaat in de Kerk toch om Góds koninkrijk en niet om het onze?

Wij blijven

Met Spruyt zie ik een overgang naar de Rooms-Katholieke Kerk niet zitten. Voor mij is hierin vooral het antwoord van wijlen ds J. T. Doornenbal doorslaggevend: de kerk die hem een bolwerk van traditie in de moderne tijd had geleken, was zelf voor tal van verleidingen bezweken.

De afgelopen week verscheen in Italië het boek ”Dio vive ancora in Olanda” (”God leeft nog steeds in Nederland”) van Willem Jacobus kardinaal Eijk. Daarin ontmoet de lezer een Rooms-Katholieke Kerk die te gronde gegaan is door modernisme en machtsmisbruik, waarvan de kleinen en de kwetsbaren het slachtoffer werden. Het doet griezelig aan dat deze organisatie zich wat betreft wijding, eucharistie en priesterschap toch als de enige ware kerk op aarde blijft beschouwen. Eigenlijk zou men zich moeten ‘her-Eijken’ op grond van de Bijbel en de daaruit voortvloeiende leer van de Kerk. De aartsbisschop van Utrecht heeft in dat opzicht meer gemeen met orthodoxe protestanten dan met de grote meerderheid van zijn kerkverband.

Met collega Spruyt blijf ik dus gebroederlijk in de Hersteld Hervormde Kerk. Maar met het besef van de schuld die ook onze traditie raakt. Geen Piet Hein maar Christus. Geen mensendienst maar eredienst!

De auteur is theoloog en classicus.

Lees ook het artikel van Dr. Justin Kroesen: „In geen enkele christelijke traditie was de invloed van de elite in de inrichting van de kerkgebouwen zo groot als in de calvinistische.”

Dr. A. Nobel reageerde als volgt: “Kerk verdiende niet aan praalgraven”

Daarop antwoordde mijn bijdrage (27/10/2020):

Het geld dat kerkmeesters ontvingen voor de praalgraven vloeide in de kas van de kerk.

Arjan Nobel bestrijdt dat de kerk na de Reformatie veel geld verdiende aan praalgraven en de mens in het middelpunt stelde. Maar de historische gegevens die hij opvoert (RD 23-10) bevestigen slechts mijn stelling.

Vanaf de publicatie van Charles Taylors ”A secular Age” (Harvard, 2007) valt het niet meer te ontkennen dat het tijdsgewricht van de Reformatie een verschuiving van God naar de mens heeft meegebracht. Die verschuiving is het pijnlijkst waarneembaar in de kerk. Als Nobel daar anders over denkt, mag dat, maar beschuldigingen van „de plank helemaal mis” slaan, „manipulatie” en „grote woorden die iedere historische onderbouwing missen” duiden aan dat belangrijke filosofische en kerkhistorische publicaties aan hem zijn voorbijgegaan.

Nobel spreekt van „majestueus” en „prachtig” als het om praalgraven in de kerk gaat. Die waardering deel ik niet. Het Brederodemonument in Vianen voer ik terecht op als voorbeeld van na de Reformatie. Kerkhistorici laten die algemeen beginnen in 1517. Het praalgraf is tussen 1540 en 1556 vervaardigd. Objectief is het van na de Reformatie en inhoudelijk sluit het aan bij die tijdgeest. Prima voorbeeld dus.

Sofistisch

Nobel ontkent dat de kerk veel geld verdiende aan praalgraven. Dat is sofistisch, want de rekeningen van de kerkmeesters van inkomsten en uitgaven van begrafenissen zijn voor ieder te raadplegen. Nobel heeft helemaal gelijk dat dit gewoonlijk verliep via kerkmeesters. Daarover had ik zorgvuldiger kunnen spreken. Mijn artikel was echter gericht op krantenlezers die Nobels wetenschappelijke opleiding missen en ook geen kerkmeesters meer kennen.

Volgens Nobel waren kerkmeesters ambtenaren en ging het geld naar de overheid. Laten we voor een ogenblik aannemen dat dit zo was. Dat maakt de heiligschennis nog veel erger: de kerk ontwijd om de kas van de wereldlijke overheid te spekken! Zo was het gelukkig niet. De positie valt het best te vergelijken met die van ouderling-kerkvoogd in een hervormde gemeente of ”churchwarden” in de Anglicaanse Kerk. Kerkmeesters beheerden de wereldlijke goederen van de kerk. Dat gebeurde in veel dorpen al sinds de middeleeuwen. Ze waren aangesteld door de wereldlijke overheid, vaak voor een jaar. Dat kon in een christelijk gemenebest.

Ook in rooms-katholieke kerken bleven kerkmeesters tot de Franse tijd. Geld van de kerkmeesters bleef kerkgeld. Het kon wel een wereldlijk doel krijgen, zoals later bij voormalige vicarijen, legaten waarmee priesters aangesteld werden voor erediensten in kapellen. Dat bevestigt weer op pijnlijke wijze mijn hoofdstelling over secularisatie door de Reformatie.

Secularisatie

De opmerkingen van Nobel dat ik mij niet verdiept zou hebben in de geschiedenis van de Sint Jan in ’s-Hertogenbosch, omdat ik van mening ben dat God daar tegenwoordig centraal staat in het kerkgebouw, is even denigrerend als onlogisch.

Verder geeft Nobel slechts praktische redenen waarom praalgraven normaal werden. Alles draaide om de kansel, en dat zou alle wereldlijke zaken in de rest van de kerk, ook op de heiligste plaats, rechtvaardigen. Daar stel ik tegenover dat het leegmaken van het koor en het ontwijden van het heilige de weg baande voor deze secularisatie. Nobel verwart zijn historische verklaring met een spirituele rechtvaardiging. Als theoloog word ik daar oprecht verdrietig van. Gelukkig waren er in 1601 in Hoorn nog broeders die deze pijn deelden.

De auteur is theoloog en classicus.

Leave a Comment

Your email address will not be published.