Wist u dat het bekende adventslied “O kom, o kom, Immanuël” teruggaat op een zeer oude traditie? Het zijn Latijnse invocaties die uitgesproken werden in de avonddiensten voorafgaand aan het kerstfeest.
Het is bijna kerstfeest. Het is al eeuwenlang gebruikelijk om bij het Magnificat (de lofzang van Maria) in de vesperdiensten in de week voorafgaand aan kerstavond invocaties uit te spreken. Hierbij gaat het om antifonen. Dat zijn antwoorden of beurtzangen (van het Griekse ἀντίφωνος). Een antifoon is een vers dat gezongen of uitgesproken wordt als inleiding op en ter afsluiting van een psalm. In dit geval voorafgaand aan de lofzang van Maria en ter afsluiting. Daarin laat de kerk vanuit de heilige Schrift zien waarom Christus geboren is en wat zijn taak zou zijn. Op het moment van schrijven, 23 december, is vanavond het laatste vers van de antifonen aan de beurt: “O Immanuel”, God met ons.
Oude traditie
Deze invocaties zijn oud, tenminste uit het begin de 9de eeuw. De vriend van Karel de Grote, bisschop Amalarius van Metz (c.775-850), ooit bisschop van Trier, schreef er een commentaar op,[1] wat aangeeft dat ze toen al enige tijd bestonden. De aanwijzingen dat ze in de 6de eeuw reeds gebruikt werden[2] lijken vooralsnog niet overtuigend. Immers, in het werk van Boëthius wordt het klassieke heidense beeld van een vrouwe wijsheid gebruikt en ontbreekt de profetische rol en onderbouwing.
Hieronder de invocaties met de Gregoriaanse datum op onze huidige kalender. In de kerkelijke liturgie wordt de dag wordt Bijbels gerekend naar het begin ervan in de avond, zodat het technisch gaat om de dag van morgen en het een dag opschuift van de datum op onze kalender.
17 December: O Sapientia (O Wijsheid)
Spreuken 8: “1 Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem? 2 Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij; 3 Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid: 4 Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen. 5 Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart. 6 Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.”
18 December: O Adonai (O Heere)
Deuteronomium 10: “16 Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer. 17 Want de HEERE, uw God, is een God der goden, en een Heere der heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt; 18 Die het recht van den wees en van de weduwe doet; en den vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve. 19 Daarom zult gijlieden den vreemdeling liefhebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland. 20 Den HEERE, uw God, zult gij vrezen; Hem zult gij dienen, en Hem zult gij aanhangen, en bij Zijn Naam zweren. 21 Hij is uw Lof, en Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en vreselijke dingen, die uw ogen gezien hebben.”
19 December: O Radix Jesse (O Wortel van Isaï)
Jesaja 10: “1 Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. 2 En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN. 3 En Zijn rieken zal zijn in de vreze des HEEREN; en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen. 4 Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen; doch Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met den adem Zijner lippen zal Hij den goddeloze doden. 5 Want gerechtigheid zal de gordel Zijner lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel Zijner lendenen zijn. 6 En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven. 7 De koe en de berin zullen te zamen weiden, haar jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os. 8 En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de kuil van den basilisk. 9 Men zal nergens leed doen noch verderven op den gansen berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. 10 Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn.”
20 December: O Clavis David (O Sleutel Davids)
Jesaja 20: “20 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Mijn knecht, Eljakim, den zoon van Hilkia, roepen zal. 21 En Ik zal hem met uw rok bekleden, en Ik zal hem met uw gordel sterken, en uw heerschappij zal Ik in zijn hand geven; en hij zal den inwoneren te Jeruzalem en den huize van Juda tot een vader zijn. 22 En Ik zal den sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen.”
21 December: O Oriens (O Zonsopkomst uit het Oosten)
Maleachi 4: “1 Want ziet, die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE der heirscharen, Die hun noch wortel, noch tak laten zal. 2 Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren. 3 En gij zult de goddelozen vertreden; want zij zullen as worden onder de zolen uwer voeten, te dien dage, dien Ik maken zal, zegt de HEERE der heirscharen.”
22 December: O Rex Gentium (O Koning der heidenen)
Jeremia 10: “1 Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israëls! 2 Zo zegt de HEERE: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten. 3 Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl. 4 Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele. 5 Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen. 6 Omdat niemand U gelijk is, o HEERE! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid. 7 Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is.”
23 December: O Emmanuel (O Immanuël, God met ons)
Jesaja 7: “14 Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten.”[3]
U allen een gezegend en zalig Kerstfeest gewenst!
[1] Graeme Ward, ‘The Order of History: Liturgical Time and the Rhythms of the Past in Amalarius of Metz’s De ordine antiphonarii’, in Elina Screen; Charles West (eds.), Writing the Early Medieval West, Cambridge University Press, Cambridge 2018, p.98–112
[2] Egbert Ballhorn, ‘Die O-Antiphonen: Israelgebet der Kirche’, Jahrbuch für Liturgik und Hymnologie (1998) 37: 9–34.
[3] Hieronder een handig schema uit het publieke domein:


