My Study       
Benno Zuiddam

 

De Navolging van Christus  

 

Thomas à Kempis 

 

 

 

 

 

 

Boek 1: Vermaningen dienstig tot het geestelijk leven 

  Boek 2: Opwekkingen tot het inwendig leven 

 

Boek 3: Over de inwendige troost 

 

Boek 4:Over het Heilig Avondmaal

 

 

 

 

 


 

 

Boek I 

 

Inhoud  

 

1. Over de navolging van Christus en de versmading van alle ijdelheden der wereld 

2. Over de ootmoedige zelfachting 

3. Over de leer der waarheid 

4. Over de voorzichtigheid in het handelen 

5. Over het lezen der Heilige Schriftuur 

6. Over de ongeregelde begeerten 

7. Over het vluchten der ijdele hoop en der verwaandheid 

8. Over het vermijden van al te grote gemeenzaamheid 

9. Over gehoorzaamheid en onderwerping 

10. Over het vluchten van overtollige woorden 

11. Over het verwerven van de vrede, en de ijver om vooruitgang te doen 

12. Hoe voordelig de tegenspoed is

13. Over het weerstaan aan de bekoringen 

14. Over het vermijden van lichtvaardig oordeel 

15. Over de werken uit liefde verricht 

16. Over het verdragen van elkanders gebreken 

17. Over het kloosterleven 

18. Over de voorbeelden der Heilige Vaders 

19. Over de oefening van een goed kloosterling 

20. Over de genegenheid tot eenzaamheid en stilzwijgen 

21. Over de rouwmoedigheid des harten 

22. Over de beschouwing van ‘s mensen ellende 

23. Over het overwegen van de dood 

24. Over het oordeel en de zondestraffen 

25. Over de ijverige verbetering van ons leven 

 

 

 

 

Hoofdstuk 1 

 

Over de navolging van Christus en de versmading van alle ijdelheden der wereld 

 

 

1. Wie Mij volgt, zegt de Heer, wandelt niet in de duisternis (1). Dit zijn woorden van Jezus Christus, waardoor Hij ons aanspoort, Hem in zijn leven en deugden na te volgen, indien wij waarlijk verlicht willen zijn, en verlost van alle blindheid des harten. Dat dus onze voornaamste zorg zij, het leven van Jezus Christus te overwegen. 

 

2. De leer van Christus gaat alle leringen van Heiligen te boven; en wie zijn geest bezat, zou daarin het verborgen manna vinden. Maar het gebeurt dat velen, die het Evangelie dikwijls horen, weinig zielsverlangen ondervinden omdat zij de geest van Christus niet bezitten. Wilt gij de woorden van Christus ten volle verstaan en er smaak in vinden, dan moet gij geheel uw leven aan het zijne trachten gelijkvormig te maken. 

 

3. Wat zal het u baten dat gij over de Drievuldigheid diepzinnig kunt redetwisten, indien u de ootmoedigheid ontbreekt, en gij aldus aan de Drievuldigheid mishaagt? Voorwaar, diepzinnige woorden maken de mens niet heilig en rechtvaardig; maar een deugdzaam leven maakt hem aan God behaaglijk. Ik heb liever vermorzeling van het hart te gevoelen, dan er de bepaling van de kennen. Al kent gij geheel de Schriftuur van buiten, en al kent gij de spreuken der wijsgeren, wat zou u dit alles baten, zonder de liefde van God en zijn genade? IJdelheid der ijdelheden, en alles is ijdelheid (2), behalve God te beminnen, en Hem alleen te dienen. Door de verachting der wereld naar het rijk der hemelen streven, daarin bestaat de verhevenste wijsheid. 

 

4. Het is dus ijdelheid, vergankelijke rijkdommen te zoeken, en zijn hoop daarin te stellen. Het is ook ijdelheid, ereambten na te jagen, en tot een hoge staat zich te verheffen, Het is ijdelheid, de lusten van het vlees in te volgen, en dit te verlangen, waarvoor men naderhand streng zal moeten gestraft worden. Het is ijdelheid een lang leven te wensen, en weinig bezorgd te zijn om wèl te leven. Het is ijdelheid, slechts te denken op het tegenwoordig leven, en niet te voorzien wat nog volgen moet. Het is ijdelheid, te beminnen, wat zo haastig voorbijgaat, en niet daarheen te snellen waar een eeuwige blijdschap woont. 

 

5. Maak u dikwijls deze spreuk indachtig: Het oog wordt niet verzadigd van wat het ziet, en het oor niet bevredigd van wat het hoort (3). Arbeid dan om uw hart los te rukken van de liefde der zichtbare dingen, en u tot de onzichtbare te keren; want die hun zinnelijkheid volgen, besmetten hun geweten, en verliezen de genade van God. 

 

1) Joann. 8: 12 

2) Eccl. 1: 2 

3) Eccl. 1: 8 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 2 

 

Over de ootmoedige zelfachting 

 

 

1. Elk mens is van nature begerig naar kennis, doch waartoe dient de wetenschap zonder de vrees Gods? Waarlijk een nederig landman, die God dient, is beter dan de trotse wijsgeer, die zichzelf verwaarloost, en de loop der sterren nagaat. Wie wèl zichzelf kent, wordt gering in zijn eigen ogen, en verheugt zich niet over de lof der mensen. Al wist ik alles wat in de wereld is, en ik de liefde niet bezat, wat zou het mij baten voor God, die mij volgens mijn werken zal oordelen? 

 

2. Laat af van overmatige zucht naar wetenschap: want daarin wordt grote verstrooiing en veel bedrog gevonden. Die iets weten, willen gaarne de aandacht trekken en de naam van wijzen dragen. Daar zijn vele dingen, welker kennis aan de ziel weinig of geen voordeel bijbrengt. En hij is zeer dwaas, die zich met iets anders bekommert, dan met wat hem ter zaligheid dienstig is. Vele woorden verzadigen de ziel niet: maar een goed leven verfrist de geest, en een zuiver geweten geeft een groot betrouwen op God. 

 

3. Hoe meer gij weet en hoe beter, zo veel te strenger zult gij geoordeeld worden, tenzij gij heiliger leeft. Wil u dus niet verheffen op enige kunst of wetenschap, maar vrees eerder om de kennis, die u gegeven is. Dunkt het u dat gij te veel weet en tamelijk wel verstaat, wees evenwel verzekerd dat er nog veel meer is, wat gij niet weet. Heb geen hoge dunk over uzelf (1); maar erken liever uw onwetendheid. Wat wilt gij u boven een ander stellen, aangezien er velen gevonden worden, die geleerder zijn dan gij, en beter in de wet onderwezen? Indien gij iets met nut wilt weten en leren, wees dan gaarne onbekend, en voor niets geacht. 

 

4. Deze is de verhevenste en nuttigste wetenschap: zich wèl kennen en klein achten. Van zichzelf niet houden, en van de anderen altijd een goede en een hoge dunk hebben, dat is grote wijsheid en hoge volmaaktheid. Ware het dat gij een ander openlijk zaagt zondigen, of enige grove misslagen begaan, toch zoudt gij u niet voor beter moeten aanzien, want gij weet niet hoe lang gij in een goede staat kunt volharden. Wij zijn allen zwak; maar houd niemand voor kranker dan uzelf. 

 

1) Rom. 11: 20 

 

 

 

 

Hoofdstuk 3 

 

Over de leer der waarheid 

 

 

1. Zalig hij, die de waarheid zelf onderricht, niet door beelden en voorbijgaande woorden, maar zoals zij waarlijk is. Ons goeddunken en onze zin bedriegen ons dikwijls en ontdekken weinig. Wat baat een grote redetwist over geheime en duistere dingen, waarvoor men ons in het oordeel niet verwijten zal, al hebben wij ze niet geweten? Het is grote dwaasheid dat wij nuttige en noodzakelijke dingen verwaarlozen, en ons met zeldzame en schadelijke bezig houden. Wij hebben ogen en zien niet (1). 

 

2. Wat moeten wij ons bekommeren met kennis van geslachten en soorten? Hij, tot wien het eeuwige Woord spreekt, is van vele opvattingen bevrijd. Uit dat eeuwig Woord komt alles, en alles spreekt van het Woord: en dat is het begin (God zelf) dat tot ons spreekt (2). Niemand begrijpt zonder Hem, noch oordeelt juist. Hij, voor wien één zaak alles is, die tot één zaak alles terugbrengt, en daarin alles ziet, hij kan standvastig van hart zijn, en gerust in de Heer volharden. O waarheid, die God zijt, maak mij één met U in (één) eeuwige liefde! Het verdriet mij menigmaal, veel te lezen en te horen: in U is alles wat ik wil en verlang. Dat alle leraars zwijgen, alle schepselen voor uw aanschijn hun stem weerhouden: spreek Gij alleen tot mij. 

 

3. Hoe meer iemand ingetogen is, en van al het tijdelijke onthecht, des te meer en verhevener zaken hij zonder moeite begrijpen zal, omdat hij van boven de genade van verstand ontvangt. Een zuivere eenvoudige en standvastige ziel is temidden van drukke bezigheden niet verstrooid, omdat zij alles ter liefde Gods doet, en altoos tracht alle eigengenot te vluchten. Wat gaat er u meer tegen en valt lastiger, dan de onverstorven genegenheden van uw hart? Een goed en godvruchtig mens overlegt eerst inwendig de werken, die hij uitwendig moet doen. En deze trekken hem niet tot de lusten der ongeregelde genegenheid; maar hij wendt ze naar het voorschrift der gezonde rede. Wie heeft een grotere strijd, dan die tracht zichzelf te overwinnen? En dit zou toch onze voornaamste bezigheid moeten zijn, te weten: onszelf overwinnen, dagelijks zich meer meester worden en vooruitgaan in het goed. 

 

4. Alle volmaaktheid in dit leven gaat met enige onvolmaaktheid gepaard, en onze kundigheden zijn niet van alle duisterheid bevrijd. De ootmoedige kennis van uzelf is een zekerder weg tot God, dan de diepe navorsing der wetenschap. Niet dat de wetenschap of de eenvoudigste zakenkennis misprezen moet worden: zij is, in haarzelf beschouwd, goed, en door God verordend; maar een goed geweten en een deugdzaam leven verdienen toch altijd meerder achting. Maar omdat er velen meer verlangen naar kennis dan om wèl te leven, daarom dolen zij dikwijls, en brengen weinig of bijna geen vruchten voort. 

 

 

5. Och, indien zij zovel ijver besteedden om hun gebreken uit te roeien en deugden te bekomen, als om vraagstukken op te lossen, er zou zoveel kwaad en zoveel ergernis onder ‘t volk niet zijn, noch zoveel verslapping in de kloosters. Voorwaar, op de dag van het oordeel zal men ons niet vragen wat wij gelezen, maar wat wij gedaan hebben; noch hoe fraai wij gesproken, maar hoe godsdienstig wij geleefd hebben. Zeg mij, waar zijn nu al die leraars en die meesters, die gij wel gekend hebt, toen zij nog leefden, en door hun geleerdheid hooggevierd waren? Anderen bezitten nu hun ambten, en wie weet of zij aan hen nog denken. In hun leven schenen zij iets te zijn, en nu zwijgt men over hen. 

 

6. O, hoe snel gaat de roem der wereld voorbij! Och, had hun leven overeengekomen met hun wetenschap, dan zouden zij met vrucht gestudeerd en onderwezen hebben. Hoevelen gaan er in de wereld niet verloren, omdat zij, door hun ijdele wetenschap, weinig bekommerd zijn om God te dienen! En omdat zij eerder verkiezen groot te zijn dan ootmoedig, daarom worden zij ijdel in hun gedachten (3). Hij is waarlijk groot, die een grote liefde heeft. Hij is waarlijk groot, die zichzelf kleinacht, en die het toppunt van eer voor niets aanrekent. Hij is waarlijk wijs, die alle aardse dingen als vuilnis acht, om Christus te gewinnen (4). En hij is waarlijk wel geleerd, die de wil van God volbrengt en zijn eigen wil verlaat. 

 

1) Jeruzalem. 5: 1 

2) Joh. 8: 25 

3) Rom. 1: 21 

4) Philipp. 3: 8 

 

 

 

Hoofdstuk 4 

 

Over de voorzichtigheid in het handelen 

 

 

1. Men moet geen geloof hechten aan alle woord, noch aan ieder aandrift, maar de zaken overwegen met voorzichtigheid en met aandacht volgens God. Helaas! Menigmaal gelooft en zegt men gemakkelijker kwaad van een ander dan goed: zo groot is onze zwakheid. Maar volmaakte mensen geloven niet lichtvaardig iedereen die hun iets verhaalt, want zij erkennen de zwakheid van de mens, die tot het kwaad overhelt en in zijn woorden dikwijls struikelt. 

 

2. Het is grote dwaasheid niet te werk te gaan met overhaasting, en niet hardnekkig te blijven in zijn eigen gevoelens. Het behoort mede tot de wijsheid, geen geloof te geven aan alle mensenpraat; en niet aanstonds aan anderen mede te delen, wat men gehoord of geloofd heeft. Vraag raad aan een wijze en godvrezende man; en laat u liever geleiden door iemand die beter is, dan uw eigen goeddunken te volgen. 

 

Een heilig leven maakt de mens wijs volgens God, en in vele dingen ervaren. Hoe meer iemand in zichzelf ootmoedig en aan God onderdanig is, zoveel te verstandiger en geruster zal hij zijn in alles. 

 

 

 

Hoofdstuk 5 

 

Over het lezen der Heilige Schriftuur 

 

 

1. Men moet in de H. Schriftuur de waarheid zoeken en geen welsprekendheid. De boeken van de H. Schrift moeten gelezen worden met dezelfde geest waarin zij geschreven zijn. Wij moeten in de H. Schriftuur eerder het nut zoeken dan de verhevenheid van taal. Wij moeten zo gaarne godvruchtige en eenvoudige boeken lezen als verheven en diepzinnige schriften. Laat u niet gelegen aan de vermaardheid van de schrijver; bekommer u niet of hij luttel of veel letterkennis heeft; maar dat de liefde der zuivere waarheid u tot het lezen opwekke. Onderzoek niet wie dit gezegd heeft, maar let er op wat er gezegd wordt. 

 

2. De mensen gaan voorbij, maar de waarheid Gods blijft in eeuwigheid (1). God spreekt tot ons op verschillende wijzen zonder onderscheid van personen. Onze nieuwsgierigheid belemmert ons dikwijls bij het lezen der H. Schriftuur, wanneer wij willen verstaan en doorgronden, waar wij eenvoudig moesten voortgaan. Wilt gij vrucht trekken uit de lezing, lees met ootmoed, eenvoud en goede trouw: en tracht nooit naar de naam van geleerde. Ondervraag gaarne, en luister in stilte naar de woorden der heiligen; toon geen mishagen in de spreuken der ouderlingen; want zij worden niet zonder reden aangehaald. 

 

1) Psalm 61: 2 

 

 

 

Hoofdstuk 6 

 

Over de ongeregelde begeerten 

 

1. Telkens de mens iets begeert op een ongeregelde wijze, wordt terstond zijn inwendige rust gestoord. 

De hovaardige en de vrek hebben nooit rust. De arme en ootmoedige van geest leeft in overvloed van vrede. De mens, die nog niet gans aan zichzelf verstorven is, wordt licht bekoord, en overwonnen in kleine en geringe zaken. Hij, wiens geest nog krank is, en nog enigszins een vleselijk mens is die naar het zinnelijke overhelt, heeft grote moeite om zich van alle aardse lusten gans los te rukken. Hierom gevoelt hij dikwijls droefheid, wanneer hij zich daaraan onttrekt; en licht is hij geraakt als hem iemand wederstaat. 

 

2. Bekomt hij wat hij verlangt, zo kwelt hem aanstonds de wroeging van zijn geweten: omdat hij zijn drift ingevolgd heeft, die niets voorthelpt voor de vrede, die hij zocht. Dus, met te wederstaan aan zijn hartstochten vindt men de ware vrede des harten, en niet met ze in te volgen. Daar is dan geen vrede in het hart van een vleselijk mens, noch in de mens, die zich aan uitwendige dingen overgeeft, maar wel in de ijverige en geestelijke mens. 

 

 

 

Hoofdstuk 7 

 

Over het vluchten der ijdele hoop en der verwaandheid 

 

 

1. Hij is ijdel, die zijn hoop stelt op mensen of op schepselen. Schaam u niet anderen te dienen, ter liefde van Jezus Christus, en in deze wereld voor arm aangezien te worden. Steun niet op uzelf, maar vestig uw hoop op God. Doe wat gij kunt, en God zal uw goede wil bijstaan. Stel geen betrouwen op uw wetenschap, noch op het vernuft van enig mens, maar liever op de genade Gods, die de ootmoedigen helpt, en de hovaardigen vernedert. 

 

2. Roem niet op rijkdommen, als gij er bezit, noch op vrienden, omdat zij machtig zijn (1); maar op God, die alles geeft, en, boven alles, nog zichzelf wenst te geven. Verhef u niet op een rijzig en welgevormd lichaam, dat door een geringe krankheid geschonden en misvormd wordt. Schep geen zelfbehagen in uw behendigheid of verstand, uit vrees van God te behagen, aan wie alle goed, dat gij van nature bezit, toebehoort. 

 

3. Acht u niet beter dan een ander, om somtijds niet voor erger aangezien te worden door God, die weet wat er in de mens is. Verhef u niet om uw goede werken, want de oordelen van God verschillen van die der mensen; wat aan dezen behaagt, mishaagt Hem dikwijls. Indien gij iets goeds bezit, denk dat er in de anderen nog iets beters is, opdat gij de ootmoedigheid moogt bewaren. Het deert u niet, zo gij u onder alle anderen stelt; maar daar is grote schade bij, zo gij u slechts boven één stelt. Eeuwige vrede huist bij de ootmoedige: maar in het hart van de hovaardige is meestal nijd en spijt. 

 

1) Jer. 9: 23-24 

 

 

Hoofdstuk 8 

 

Over het vermijden van al te grote gemeenzaamheid 

 

 

1. Open uw hart niet aan iedereen (1), maar bespreek uw verlangen met iemand die wijs is en God vreest. Wees zelden met jonge en vreemde mensen. Vlei de rijken niet, en zoek niet om onder hooggeplaatsten te verkeren. Verkeer met ootmoedigen en met eenvoudigen, met personen, die godvruchtig en goed van zeden zijn, en spreek liefst over stichtende dingen. Wees niet gemeenzaam met enige vrouw; maar beveel in het algemeen alle deugdzame vrouwen God aan. Zoek geen ander gemeenschap dan met God en met zijn Engelen, en vermijd de kennismaking der mensen. 

 

2. Liefde moet men jegens alle mensen hebben, maar gemeenzaamheid is niet geraadzaam. Somtijds gebeurt het, dat een onbekende persoon, door zijn goede naam, glinstert, maar van nabij gezien verliest hij al zijn glans. Wij menen somtijds dat wij aan anderen behagen door gedurige omgang; veeleer beginnen wij hun te mishagen door de gebreken, die zij in ons bespeuren. 

 

 

 

 

Hoofdstuk 9 

 

Over gehoorzaamheid en onderwerping 

 

 

1. Het is iets groots in de gehoorzaamheid aan een overste ondergeschikt te leven, en zijn eigen meester niet te zijn. Het is veel voordeliger onderdaan te zijn dan overste. Maar velen leven in ondergeschiktheid meer uit dwang dan uit liefde; en die hebben verdriet en zijn geneigd tot morren. Deze zullen geen vrijheid van geest bekomen, vooraleer zij zich uit ganser harte onderwerpen aan Gods wil. Dezen zullen geen vrijheid van geest bekomen, vooraleer zij zich uit ganser harte onderwerpen om Gods wil. Loop her- of derwaarts: gij zult geen rust vinden, tenzij in ootmoedige gehoorzaamheid aan het bestuur van uw overste. De inbeelding dat men beter zal zijn in andere plaatsen heeft er velen van ‘t spoor gebracht. 

 

2. ‘t Is waar, elkeen handelt liefst naar eigen zin, en is meer genegen voor die, welke van zijn gedacht zijn. Maar als God onder ons woont, is het somtijds nodig dat wij ons eigen gevoelen afstaan om de vrede. 

 

Wie is er zo wijs dat hij alles ten volle weten kan? Daarom, betrouw niet te veel op eigen goeddunken; maar luister ook gaarne nar het gevoelen van anderen. Als uw gedachte goed is, en dat gij er nochtans om Gods wil van afgaat om een andere te volgen, daar zult gij meer voordel uit trekken. 

 

3. Ik heb dikwijls horen zeggen, dat het veiliger is raad te vragen en aan te nemen, dan te geven. Het kan ook voorvallen dat elk gevoelen goed zij; maar zich naar anderen niet te willen voegen als de genegenheid of de rede het vereist, is een teken van hoogmoed en hardnekkigheid.  

 

 

Hoofdstuk 10 

 

Over het vluchten van overtollige woorden 

 

 

1. Schuw het gewoel der mensen, zoveel gij kunt: want het verhandelen van wereldse gebeurtenissen is schadelijk, dan zelfs wanneer het met goede mening geschiedt. Immers wij worden zo licht door de ijdelheid aangetast en gevangen. Ik wenst al dikwijls gezwegen en niet onder de mensen verkeerd te hebben. Maar waarom spreken wij en onderhouden wij ons zo gaarne met anderen, ofschoon wij nochtans zelden, zonder letsel voor ons geweten, tot de stilzwijgendheid wederkeren. Daarom spreken wij zo gaarne, wijl wij door die samenspraken van weerskanten zoeken getroost te worden, en ons hart door verschillende gedachten bezwaard, lucht willen geven. En nog veel liever spreken en denken wij over dingen, waaraan wij gehecht zijn en waarnaar wij sterk verlangen, of waarin wij een tegenzin voelen. 

 

2. Maar dikwijls, helaas! Zonder winst en baat. Want die uitwendige troost verhindert niet weinig de inwendige en goddelijke troost. Daarom moet men waken en bidden, opdat de tijd niet zonder nut voorbijga. Indien u het spreken geoorloofd en dienstig is, zo spreek altijd over dingen die stichten. De verkeerde gewoonte, en de onachtzaamheid voor onze voortgang, zijn de grote oorzaak dat wij onze mond niet genoeg bewaken. 

Nochtans is een godvruchtig onderhoud over geestelijke dingen hoogst voordelig tot onze geestelijke vooruitgang; vooral onder mensen, die met hetzelfde hart en dezelfde geest in God verenigd zijn. 

 

 

 

Hoofdstuk 11 

 

Over het verwerven van de vrede, en de ijver om vooruitgang te doen 

 

 

1. Wij zouden veel vrede genieten, indien wij ons niet wilden bemoeien met woorden en daden van anderen, en met dingen die niet aan onze zorg behoren. Hoe kan iemand lang in vrede blijven, die zich met andermans bekommernissen inlaat, die gelegenheden zoekt, welke verstrooiing bijbrengen, en weinig of zelden ingekeerd leeft. Zalig zijn de eenvoudigen, want zij zullen veel vrede genieten. 

 

2. Waarom zijn sommige Heiligen zo volmaakt geweest en zo ingetogen? Omdat zij zich beijverd hebben zichzelf te versterven in alle aardse lusten: en daarom hebben zij met alle innigheid des harten God kunnen aankleven, en ongehinderd met zichzelf bezig zijn. Maar wij, wij hebben te veel werk met onze driften, en zijn te zeer bekommerd om vergankelijke dingen. Zelden ook overwinnen wij ten volle een enkele ondeugd, en hebben geen ijver om dagelijks vooruit te gaan: daarom blijven wij lauw en koud. 

 

3. Waren wij aan onszelf volkomen afgestorven en inwendig niet in verwarring, dan zouden wij ook de goddelijke dingen kunnen smaken, en iets van de hemelse beschouwing kunnen proeven. Maar het enige, ja het allerzwaarste beletsel is, dat wij, verslaafd aan onze driften en begeerlijkheden, geen moeite doen om de volmaakte weg der Heiligen op te gaan. En als er ons een weinig tegenspoed overkomt, laten wij te haastig de moed zinken en keren wij ons naar menselijke troost. 

 

4. Indien wij ons best deden, om, als dappere mannen, pal te staan in de strijd, voorzeker zouden wij de hulp Gods van de hemel op ons zien nederdalen. Want Hij is bereid te helpen die strijden en op zijn genade betrouwen; en Hij zelf geeft ons de gelegenheid tot strijden, opdat wij zouden overwinnen. Indien wij de voortgang van het christelijk leven maar stellen in uitwendige gebruiken, dan zal onze godsvrucht spoedig een einde nemen. 

 

5. Maar laat ons de bijl aan de wortel zetten, opdat wij, verlost van de driften, een vreedzame stemming mogen bezitten. Indien wij ieder jaar maar één gebrek uitroeien, dan zouden wij spoedig volmaakt zijn. Maar nu integendeel bevinden wij dikwijls, dat wij beter waren en reiner in het begin van onze bekering, dan na vele jaren geestelijk leven. Onze vurigheid en onze vorderingen moesten dagelijks aangroeien; en nu schijnt het iets bijzonders te zijn, als iemand een deel van zijn eerste vurigheid kan behouden. Indien wij in het begin maar een weinig geweld deden, wij zouden daarna alles kunnen doen met gemak en met genoegen. 

 

6. Het is zeer moeilijk gewoonten af te leggen; maar het is nog moeilijker tegen zijn eigen wil in te gaan. Maar indien gij nu in het kleine en lichte geen overwinning behaalt, wanneer zult gij het meer moeilijke te boven komen? Wedersta van eerst af uw neiging en ontmaak u van de kwade gewoonte, opdat zij u niet allengskens tot groter moeilijkheid brenge. Ach! Indien gij overdacht wat vrede gij uzelf en wat vreugde gij anderen zoudt bezorgen door u goed te gedragen, ik geloof dat gij meer bezorgd zoudt zijn voor uw geestelijke vooruitgang. 

 

 

 

Hoofdstuk 12 

 

Hoe voordelig de tegenspoed is 

 

 

1. Het is goed voor ons, dat wij somtijds wat bezwaren en tegenspoed hebben, omdat deze dikwijls de mens tot zijn hart terugroepen, daar zij hem herinneren dat hij in ballingschap leeft, en op niets, dat van de wereld is, zijn hoop moet stellen. Het is ook goed dat wij soms tegenspraak te verduren hebben, en dat men van ons een slecht en ongunstig gedacht heeft, zelfs als wij wèl doen en het goed menen. Dat dient ons dikwijls tot ootmoedigheid, en behoedt ons voor ijdele glorie. Dan immers zoeken wij beter God, de inwendige getuige, wanneer wij daar buiten door de mensen misacht worden, en dat men van ons geen goed denkt. 

 

2. Daarom diende de mens aan God zodanig vast gehecht, dat hij niet nodig had veel menselijke troost te zoeken. Als een mens van goede wil gekweld en bekoord, of met kwade gedachten geplaagd wordt, alsdan begrijpt hij beter dat hij God nodig heeft, zonder wie hij niets goeds kan doen. Dan leert hij ook treuren, zuchten en bidden voor de ellenden, welke hij lijdt. Dan verdriet het hem, langer te leven; dan wenst hij dat de dood kome, opdat hij moge ontbonden worden en bij Christus zijn (1). Alsdan ook merkt hij duidelijk dat volkomen zekerheid en ongestoorde vrede op deze wereld niet bestaan kunnen. 

 

1) Phil. 1: 23 

 

 

Hoofdstuk 13 

 

Over het weerstaan aan de bekoringen 

 

 

1. Zolang wij op de wereld leven, kunnen wij niet vrij zijn van kwelling en bekoring. Daarom staat er in het boek Job geschreven: Het leven van de mens op aarde is een bekoring (1). Daaruit volgt dat ieder zich in acht zou moeten nemen voor zijn bekoringen, en waken in het gebed, opdat de duivel geen gelegenheid vinde om hem te bedriegen, hij, die nooit inslaapt, maar altoos rondloopt, zoekende wie hij zal kunnen verslinden (2). Niemand is zo volmaakt en zo heilig, of hij heeft somtijds bekoringen; wij kunnen daar niet volkomen van bevrijd blijven. 

 

2. Maar de bekoringen zijn dikwijls voor de mens zeer nuttig, alhoewel zij lastig en onaangenaam zijn, omdat hij hierdoor vernederd, gezuiverd en onderricht wordt. Alle Heiligen hebben vele kwellingen en bekoringen ondergaan, en zijn daardoor vooruit gekomen. En die de bekoringen niet hebben kunnen doorstaan, zijn verstoten geworden en bezweken. Daar is geen genootschap zo heilig, en geen plaats zoafgezonderd, of daar zijn bekoringen en beproevingen. 

 

3. Daar is gen mens geheel vrij van bekoringen, zolang hij leeft; want wij dragen in ons de aanleiding om bekoord worden; sinds wij in de begeerlijkheid geboren zijn. Als de een bekoring of kwelling ons verlaat, dan komt er een andere in de plaats; en wij zullen altijd iets te lijden hebben, want wij hebben het voorrecht van ons eerste geluk verloren. Velen zoeken de bekoringen te ontvluchten, en zij vallen er nog meer in. Door de vlucht alleen kunnen wij niet overwinnen; maar door geduld en ware ootmoedigheid worden wij sterker dan al onze vijanden. 

 

4. Die de uiterlijke aanleiding der bekoringen ontwijkt, en daarvan de wortel niet uitroeit, zal weinig vorderen; zij zullen zelfs spoediger tot hem wederkeren, en hij zal ze meer gevoelen. Allengskens, door geduld en lankmoedigheid, zult gij ze (met Gods hulp) beter overwinnen, dan door uw ongeduldig en hardnekkig tegenstreven. Neem dikwijls raad in de bekoringen, en behandel niet met hardheid iemand die bekoord wordt; maar stort hem bemoediging in, gelijk gij voor uzelf zoudt wensen. 

 

5. De oorsprong van alle kwade bekoringen is ongestadig van het hart, en gering betrouwen op God. 

Want, gelijk een schip zonder roer door gebaren heen en weer geslingerd, zo wordt een krachteloos mens, die zijn voornemens lat varen, op verschillende wijzen bekoord. Het vuur beproeft het ijzer, en de bekoring de rechtvaardige mens (3). Wij weten dikwijls hoever onze kracht reikt; maar de bekoring leert wat wij zijn. Men moet nochtans waakzaam zijn, vooral in het opkomen der bekoring: omdat alsdan de vijand gemakkelijker overwonnen wordt, indien men hem in de deur der ziel geenszins laat binnentreden, maar hem terstond, zohaast hij klopt, buiten afweert. Vandaar deze spreuk: Bied weerstand in ‘t begin: t laat komt het geneesmiddel, als de ziekte door ‘t lang verloop de overhand heeft genomen (4). Want eerst is het maar een gedachte die in de geest komt; daarna een sterke inbeelding, hierop volgt welbehagen, ongeregelde beweging, en dan de toestemming. En alzo treedt de boze vijand van lieverlede geheel binnen, als men hem in ‘t begin niet wederstaat. En hoe langer iemand getalmd heeft te wederstaan, des te zwakker wordt hij dagelijks, en des te sterker de vijand tegen hem. 

 

6. Sommigen lijden zwaarder bekoringen in het begin van hun roeping; anderen op het einde. Enigen integendeel worden bijna geheel hun leven gekweld. Enigen worden ook maar licht bekoord, volgens de schikking van Gods wijsheid en rechtvaardigheid, die de gesteltenis en de verdiensten der mensen weet, en alles tot zaligheid van zijn uitverkorenen voorbeschikt. 

 

7. Daarom moeten wij niet wanhopen, als wij bekoord worden, maar God des te vuriger bidden, opdat Hij zich gewaardige ons te helpen in al onze kwellingen: en Hij zal zeker, volgens de woorden van de Apostel Paulus, ons in de bekoring zulke hulp verlenen, dat wij ze zullen kunnen overwinnen (5). Laten wij dan onze zielen onder de hand Gods verootmoedigen bij alle bekoring en kwelling: want de ootmoedigen van geest zal Hij redden en verheffen (6). 

 

8. In bekoringen en lijden ziet de mens hoeveel vooruitgang hij gedaan heeft; ook is de verdienste groter, en de deugd komt beter tevoorschijn. Het is niets groots wanneer iemand godvruchtig en ijverig is, als hij geen zwarigheid voelt; maar wanneer hij in de tijd van tegenspoed zich geduldig houdt, dat geeft hoop op grote vorderingen. Enigen worden van grote bekoringen bewaard en worden dikwijls overwonnen in kleine, die dagelijks voorkomen, opdat zij daardoor verootmoedigd zouden worden, en nooit op zichzelf in grote zaken zouden betrouwen, daar zij in kleine zo zwak zijn. 

 

1) Job 7: 1 

2) 1 Petr. 5: 8 

3) Eccl. 31: 31 

4) Ovidius 

5) I Kor. 10: 13 

6) Psalm 33: 19 

 

 

 

Hoofdstuk 14 

 

Over het vermijden van lichtvaardig oordeel 

 

 

1. Keer uw ogen op uzelf, en wacht u de daden van anderen te oordelen. Wie een ander oordeelt, geeft zich nutteloze moeite, dwaalt dikwijls, en zondigt licht; maar wie zichzelf beoordeelt en onderzoekt, arbeidt altoos met vrucht. Gelijk ons een zaak ter harte gaat, zo oordelen wij er doorgaans over, want het recht oordeel verliezen wij licht door onze eigenliefde. Indien God altijd het zuiver doelwit was van ons verlangen, zouden wij niet zo licht gestoord worden om de weerstand van ons gevoel. 

 

2. Maar daar schuilt dikwijls iets van binnen, of daar komt iets van buiten bij, dat krachtig aantrekt. 

Vele mensen zoeken heimelijk zichzelf in wat zij verrichten, zonder dat zij het weten. Zij schijnen in een volmaakte vrede bevestigd te zijn, zolang alles geschiedt naar hun wil en wens; maar het valt anders uit dan zij begeren, aanstonds worden zij ontroerd en droefgeestig. Door het verschil van meningen en gevoelens ontstaan er niet zelden onenigheden tussen vrienden, tussen medeburgers en zelfs tussen kloosterlingen en godgewijde personen. 

 

3. Een oude gewoonte legt men moeilijk af; en verder dan zijn eigen inzicht, laat niemand zich gaarne brengen. Indien gij op uw eigen rede of vernuft meer steunt dan op de deugd van onderwerping, ons door Christus aangewezen, dan zult gij zelden en laat een verlicht mens worden; want God wil dat wij Hem volkomen onderworpen zijn, en dat wij ons boven alle redenering verheffen door een vurige liefde. 

 

 

Hoofdstuk 15 

 

Over de werken uit liefde verricht 

 

1. Om niets ter wereld, noch uit liefde voor iemand mag men iets kwaads doen, maar mag men, om iemand in de nood dienst te bewijzen, soms wel een goed werk uitstellen of ook door een beter vervangen. Want met zo te handelen wordt het goede werk niet teniet gedaan, maar in een beter veranderd. Zonder de liefde is een uitwendig werk van geen nut (1); maar wat uit liefde gedaan wordt, hoe klein en hoe gering het in zichzelf zij, dat wordt geheel en al vruchtbaar. Want God let meer op de goede stemming waarmede men iets doet, dan op de hoeveelheid van het werk zelf. 

 

2. Hij doet veel, die veel liefde heeft. Hij doet veel, die een zaak wèl doet. Hij doet wèl, die meer het gemeen voordeel betracht dan zijn eigen voordeel. Somtijds wat men voor liefde aanziet, is eerder zinnelijkheid: want het gebeurt zelden dat natuurlijke neiging, eigen wil, hoop op beloning of gemakzucht niet enige invloed hebben. 

 

3. Wie de ware en volmaakte liefde bezit, zoekt nooit zichzelf in gelijk wat; maar hij begeert alleen dat in alles de wil van God geschiede. Hij benijdt ook niemand, omdat hij nooit enig persoonlijk voordeel wenst, en zijn vreugd in zichzelf niet stelt, maar in God alleen boven alle goederen zijn zaligheid zoekt. Hij eigent nooit aan het schepsel enig goed toe, maar brengt alles tot God terug, van wie hij alles als uit de bron voortvloeit, en in wiens genieting, als in hun einddoel, alle Heiligen rusten. O! Wie maar een vonkje van die ware liefde bezat, die zou voorwaar gevoelen hoe alle aardse dingen vol van ijdelheid zijn. 

 

1) 1 Kor. 13: 3 

 

 

 

Hoofdstuk 16 

 

Over het verdragen van elkanders gebreken 

 

1. De gebreken, die de mens in zichzelf of in anderen niet in staat is te verbeteren, moet hij geduldig verdragen, totdat God het anders schikke. Denk, dat het misschien zó beter is tot beproeving van uw geduld zonder hetwelk onze verdiensten niet hoog te schatten zijn. Gij moet nochtans God bidden dat Hij u helpe om zulke bezwaren te overwinnen, of om ze in gelatenheid te dragen. 

 

2. Indien iemand eens of tweemaal vermaand zijnde, niet wil toegeven, treed daarom met hem in geen twist; maar laat alles aan God over, op dat zijn wil geschiede, en Hij verheerlijkt worde in al zijn dienaren, want Hij kan zeer wel het kwaad in goed verkeren. Leer geduldig zijn in het verdragen van andermans gebreken en allerlei fouten, want gij hebt er ook vele, die van de anderen verdragen moeten worden. Indien gij uzelf niet kunt maken gelijk gij zoudt willen zijn, hoe zult gij dan een ander kunnen hebben naar uw welbehagen? Wij hebben gaarne dat anderen volmaakt zijn, en onze eigen gebreken verbeteren wij niet. 

 

3. Wij willen dat anderen streng berispt worden, en hebben niet gaarne dat men ons terechtwijst. Het mishaagt ons dat men anderen te veel vrijheid geeft, en wij kunnen niet verdragen dat men ons iets weigert. Wij willen dat de anderen door wetten ingetoomd worden, en wijzelf willen in niets strenger beoordeeld worden. Waaruit klaarlijk blijkt, hoe zelden wij voor de evenmens dezelfde maat gebruiken als voor onszelf. Indien alle mensen volmaakt waren, wat zouden wij dan om Gods wil van anderen te lijden hebben? 

 

4. Maar nu heeft het de Heer zo geschikt, opdat wij elkanders last zouden leren dragen (1): want niemand is vrij van gebreken, niemand zonder last, niemand voor zichzelf genoeg, of komt toe met zijn eigen wijsheid: maar wij moeten elkander verdragen, elkander troosten, helpen, onderrichten en vermanen. Hoeveel deugd ieder mens bezit, dat blijkt best bij gelegenheid van tegenspoed. Want de gelegenheden maken de mens niet zwak; maar zij tonen van welk gehalte hij is. 

 

1) Gal. 6: 2 

 

 

 

 

Hoofdstuk 17 

 

Over het kloosterleven 

 

1. Gij moet in vele dingen uw wil leren breken, indien gij met anderen vrede en eendracht wilt bewaren. Het is geen kleinigheid in kloosters of in een vereniging te leven, en daarin zonder klachten te verkeren, en tot de dood toe getrouw te volharden. Gelukkig hij, die daar wèl geleefd heeft, en zalig gestorven is. Wilt gij naar behoren vast staan en vooruitgang maken, houd u op aarde voor een banneling en een vreemdeling. Indien gij een godgewijd leven leiden wilt, moet gij om Christus als dwaas worden (1). 

 

2. Habijt en kruin baten niet veel: maar zedenverbetering en volkomen versterving van alle driften maken de ware kloosterling. Wie iets anders zoekt dan God alleen, en zijn zielezaligheid, zal niets vinden dan kwellingen en smart. Ook zal hij niet lang in vrede blijven, die niet tracht om de minste te zijn en aan allen onderworpen. 

 

3. Om te dienen zijt gij gekomen, niet om te heersen: weet dat gij geroepen zijt om te lijden en te arbeiden, en niet om ledig te gaan praten. Hier dan worden de mensen beproefd gelijk het goud in de vuuroven (2). Hier kan niemand volharden, tenzij hij uit ganser harte zich om God verootmoedigen wil. 

 

1) I Paralip. 29: 15 

2) Wijsh. 3: 6 

 

 

Hoofdstuk 18 

 

Over de voorbeelden der heilige Vaders 

 

1. Overdenk de treffende voorbeelden der heilige Vaders, waarin de ware volmaaktheid en kloostergeest heeft uitgeschenen, en gij zult zien, hoe onbeduidend het is, ja bijna niets, wat wij doen. 

Ach! Wat is ons leven vergeleken bij het hunne? De heiligen en de vrienden van Christus hebben de Heer gediend in honger en dorst, in koude en naaktheid, in arbeid en vermoeienis (1), in waken en vasten, in gebeden en heilige overwegingen, in vele vervolging en versmaadheid. 

 

2. O hoevele en hoe zware kwellingen hebben niet geleden de Apostelen, de Martelaren, de Belijders, de Maagden, en alle anderen die de voetstappen van Christus navolgen wilden! Want zij hebben hun zielen in deze wereld gehaat, om haar voor het eeuwig leven te behouden (2). O wat streng en verstorven leven hebben de heilige Vaders in de woestijn geleid! Wat lange en zware bekoringen hebben zij doorstaan! Hoe dikwijls zijn zij door de vijand gekweld geworden! Hoe menigvuldige en vurige gebeden hebben zij aan God opgedragen! Wat harde onthoudingen hebben zij verduurd! Wat grote ijver en vurigheid voor de geestelijke vooruitgang hebben zij gehad! Wat geweldige oorlog hebben zij gevoerd tegen de beteugeling der ondeugden! Wat zuivere en oprechte mening tot God hebben zij gehouden! 

Gedurende de dag arbeidden zij, en des nachts brachten zij lange tijd door met bidden, alhoewel zij bij het werken het inwendig gebed nimmer achterlieten. 

 

3. Al hun tijd besteedden zij nuttig: de uren, welke zij met God overbrachten, schenen hun te kort; ja door de grote zoetheid, welke zij in het beschouwend gebed vonden, werd somtijds de behoefte van de verkwikking van het lichaam vergeten. Zij verlieten alle rijkdommen, alle waardigheden en eretitels, alle vrienden en magen: zij begeerden niets van de wereld, zij namen nauwelijks het onontbeerlijke om te leven, en tegen dank dienden zij het lichaam, zelfs uit noodzaak. Aldus waren zij arm aan aardse goederen, maar zeer rijk in genade en in deugden. Uitwendig leden zij gebrek, maar inwendig werden zij verzadigd met goddelijke troost en genade. 

 

4. Zij waren vreemd aan de wereld, maar met God verenigd en zijn vertrouwelijkste vrienden. Zichzelf achtten zij als nietsbeduidend, en door de wereld werden zij versmaad; maar in de ogen van God waren zij uitverkoren en hoog in waarde. Zij leefden in oprechte ootmoed, in eenvoudige onderdanigheid, in liefde en geduld: en daarom deden zij dagelijks grote vooruitgang in ‘t geestelijke, en verwierven grote genaden bij God. 

 

5. Ach! Hoe groot is de vurigheid van alle kloosterlingen bij het begin van hun heilige instelling geweest! O, hoe vurig was hun gebed! Hoe groot hun wedijver in de deugd! Hoe streng de tucht! Welke eerbied en gehoorzaamheid scheen in allen uit, onder de leiding van hun stichter! De voorbeelden die zij hebben nagelaten, getuigen nu nog, dat zij zeer heilige en volmaakte mannen zijn geweest, die door een vrome strijd de wereld onder de voet gebracht hebben. Nu wordt iemand groot geacht, als hij geen overtreder van de regel is, en verduldig draagt wat hij vrijwillig op zich heeft genomen. 

 

6. O traagheid en onachtzaamheid van onze staat, dat wij zo licht afwijken van de eerste ijver! En dat uit louter traagheid en kleinmoedigheid het leven ons begint te verdrieten. Mocht de ijver der deugden in u niet geheel inslapen, gij die al te dikwijls zo menigvuldige voorbeelden van godgewijden gezien hebt! 

 

1) 2 Kor. 11: 27 

2) Joann. 12: 25 

 

 

 

Hoofdstuk 19 

 

Over de oefening van een goed kloosterling 

 

1. Het leven van een oprechte kloosterling moet versierd zijn met alle deugden, opdat zijn binnenste zodanig zij, als hij aan de mensen uitwendig voorkomt. En met reden moet hij van binnen veel volmaakter zijn dan van buiten gezien wordt; wijl God onze harten gadeslaat, God, die wij boven alles en overal moeten eren en vrezen, en voor wiens ogen wij zuiver als Engelen moeten wandelen. Wij behoren ons voornemen iedere dag te vernieuwen, en ons tot meerder ijver op te wekken, even alsof wij heden eerst bekeerd waren; en wij moeten dagelijks bidden: Help mij, Heer, mijn God! In mijn goed voornemen, en in uw heilige dienst: en geef mij dat ik heden oprecht moge beginnen; want al wat ik tot hiertoe gedaan heb, is zoveel als niets. 

 

2. Gelijk ons voornemen is, zo is ook onze vooruitgang: en hij die grote vorderingen wil maken, moet zeer naarstig zijn. Want indien hij, die sterke voornemens maakt dikwijls te kort schiet, wat zal hij dan doen die zeer zelden of minder beslist iets voorneemt? Wij verlaten ons voornemen nochtans op verschillende wijzen, en een licht verzuim in onze oefening kan moeilijk zonder enige schade voorbijgaan. Het goed voornemen der rechtvaardigen steunt meer op de genade Gods, dan op hun eigen macht en voorzichtigheid; ook op Hem alleen stellen zij hun betrouwen in al wat zij ondernemen. Want de mens wilt, maar God beschikt: en de weg van de mens ligt in zijn macht niet (1). 

 

3. Indien men soms een gewone oefening nalaat om reden van godsvrucht, of ten voordele van een medebroeder, die kan men darna licht inhalen. Maar wanneer men die achterlaat uit tegenzin of uit onachtzaamheid, dan is er schuld en nadeel bij. Laten we ons uiterste best doen, dan zullen wij nog licht in vele opzichten te kort komen. Wij moeten altijd echter iets bepaalds voornemen, en bijzonder tegenover dit, wat ons het meest in de weg staat. Onze uitwendige en inwendige werken moeten wij gedeeltelijk onderzoeken en schikken, want beide zijn zeer voordelig tot onze voortgang. 

 

4. Indien gij in geen gedurige ingekeerdheid kunt leven, doe het evenwel somwijlen, ten minste eenmaal daags, te weten: des morgens of des avonds. Maak des morgens een goed voornemen; onderzoek des avonds uw gedrag, overdenkende hoe gij u die dag gedragen hebt in woorden, in werken en in gedachten: want misschien hebt gij daarin meermalen God en de naaste beledigd. Omgord u, als een man, tegen de listen van de duivel; bedwing de gulzigheid, en gij zult elke neiging van het vlees gemakkelijker beteugelen. Wees nooit geheel werkeloos; maar lees of schrijf, of bid, of overweeg of houd u bezig met gelijk wat van algemeen nut. Lichamelijke oefeningen moeten echter omzichtig geschieden, en niet door allen in gelijke mate. 

 

5. Oefeningen, die niet in ‘t gebruik zijn, moeten niet in het openbaar gepleegd worden: bijzondere werken geschieden veiliger in ‘t verborgen. Wacht u nochtans van lusteloos te zijn voor de gemeenschappelijke oefeningen, en ieverig voor de bijzondere: maar blijft er u nog tijd over nadat ge al de opgelegde plichten volkomen volbracht hebt, zo geef u aan uzelf over en handel volgens uw godsvrucht. Alle mensen kunnen niet dezelfde oefening hebben: maar de ene komt dit, de andere dat beter te stade. Zelfs zijn sommige oefeningen aangenamer volgens de wisseling der tijden: enige vallen meer in de smaak op feestdagen, andere op werkdagen. Sommige van ons zijn nodig ten tijde van bekoring, verkiezen wij zulke gedachten, en andere wederom als wij ons blij gevoelen in de Heer. 

 

6. Omstreeks de bijzonderste feestdagen moet men zijn godvruchtige oefeningen vernieuwen, en de voorspraak der Heiligen vuriger afsmeken. Van de ene feestdag tot de andere moeten wij voornemen zó te leven, als wij dan van deze wereld zouden scheiden, en tot het eeuwig feest geraken. Daarom moeten wij ons op de heilige tijden zorgvuldig voorbereiden en stichtender zijn in onze handel, en geheel onze regel nauwkeuriger onderhouden, als zouden wij het loon van onze arbeid welhaast van God ontvangen. 

 

7. En indien dit loon nog wordt uitgesteld, denken wij dat wij minder wel voorbereid, en die grote glorie nog niet waardig zijn, welke in ons geopenbaard zal worden op de bestemde tijd (2): en laten wij ons beijveren om ons beter tot onze sterfdag te bereiden. Zalig is de knecht, zegt de heilige Evangelist Lucas, die de Heer, bij zijn komst, wakende zal vinden: voorwaar, ik zeg het u, over al zijn goederen zal Hij hem aanstellen (3). 

 

1) Jer. 10: 23 

2) Rom. 8: 18 

3) Cap. 12: 43,44 

 

 

Hoofdstuk 20 

 

Over de genegenheid tot eenzaamheid en stilzwijgen 

 

1. Zoek de bekwame tijd om met uzelf onledig te zijn; en overweeg dikwijls de weldaden van God. Laat alle nieuwsgierigheid varen. Lees zulke geschriften, die u eer het hart roeren, dan tijdverdrijf bezorgen. Indien gij uzelf onttrekt aan overtollige samenspraken, en ledig rondlopen, alsook aan nieuwsjes en ijdele geruchten, zo zult gij tijd genoeg vinden om u op godvruchtige overwegingen toe te leggen. De grootste heiligen hebben het verkeer met mensen geschuwd waar zij ‘t konden, en verkozen in het verborgen met God te leven.  

2. Een heidens wijsgeer (1) heeft gezegd: "Zo dikwijls ik onder de mensen verkeerd heb, ben ik minder mens wedergekeerd." Dit ondervinden wij dikwijls, wanneer wij lang samen praten. Het is gemakkelijker volstrekt te zwijgen, dan geen woord te veel te zeggen. Het is gemakkelijker in huis verborgen te blijven, dan zich buitenshuis genoegzaam te kunnen behoeden. Wie dan tot een inwendig en geestelijk leven wil komen, moet met Jezus het gewoel ontwijken (2). Niemand komt zonder gevaar in het openbaar dan die gaarne verborgen blijft. Niemand spreekt veilig dan die gaarne stilzwijgt. Niemand is veilig overste, dan die gaarne een onderdaan is. Niemand kan veilig gebieden, dan die geleerd heeft wèl te gehoorzamen. 

 

3. Niemand mag gerust zich verblijden, zo hij niet de getuigenis van een goed geweten in zich draagt. Nochtans is de gerustheid van de Heiligen altijd vol geweest van de vrees Gods. En wijl zij door veel genaden en deugden uitmuntten, waren zij daarom niet minder behoedzaam en ootmoedig van hart. Maar de gerustheid der boze mensen komt voort uit hoogmoed en verwaandheid, en ten laatste loopt zij uit op zelfbedrog. Reken nooit op veiligheid in dit leven, al schijnt gij een goede kloosterling of een godvruchtig kluizenaar. 

 

4. Wie voor de besten werden geacht bij de mensen, hebben dikwijls het grootste gevaar gelopen, om hun vermetel zelfbetrouwen. Daarom is het voor velen voordeliger, dat zij niet geheel vrij van bekoringen blijven, maar dat zij dikwijls aangerand worden, opdat zij niet al te gerust zouden zijn, en zich misschien door hovaardigheid zouden verheffen, en ook niet te licht naar uitwendige troost zouden omzien. Ach! Wie nooit vergankelijke vreugde zocht of zich nooit met de wereld bekommerde, welk rein geweten zou hij gedurig bezitten! Ach! Wie alle ijdele zorg verbande, alleen ‘t zalige en goddelijke ter hart nam, en op God al zijn hoop vestigde, wat grote rust en vrede zou hij genieten! 

 

5. Niemand is hemelse troost waardig zo hij zich niet tevoren naarstig in de heilige boetvaardigheid geoefend heeft. Wilt gij tot in uw hart vermorzeld worden, ga in uw kamer, en sluit al het gewoel der wereld buiten, gelijk er geschreven staat: Weest vermorzeld tot op uw legersteden (3). In uw cel zult gij vinden, wat gij daarbuiten dikwijls verliezen zult. De cel, gestadig bewoond, wordt zoet: maar slecht bewaard, wordt zij verdrietig. Indien gij in het begin van uw kloosterlijk leven haar trouw bewoond en bewaard hebt, zal zij u daarna een lieve vriendin en een zoete vertroosting zijn. 

 

6. In stilte en rust doet een godvruchtige ziel vooruitgang, en leert zij de verholenheden der H. Schriftuur. Daar vindt zij de bron der tranen, waarin zij alle nachten zich kan wassen en zuiveren (4); om met haar Schepper des te vertrouwelijker te worden, hoe meer zij van alle gerucht der wereld verwijderd blijft. Tot hem dan, die zich van zijn vrienden en magen scheidt, zal God met zijn Engelen zoveel te nader komen. Het is beter verborgen te leven, en voor zijn ziel te zorgen, dan zichzelf te verwaarlozen, en mirakels te doen. Het is zeer loffelijk voor een geestelijke persoon, zelden uit te gaan, en liefst niet in het oog te vallen, of anderen te bezoeken.  

 

 

7. Waarom wilt gij zien, wat gij niet hebben moogt? De wereld met haar begeerlijkheden vergaat (5). De zinnelijke lusten lokken ons soms uit om te gaan wandelen; maar als de tijd voorbij is, wat brengt gij anders thuis dan bezwaar van geweten en verstrooidheid des harten? Een vrolijk uitgaan baart dikwijls een droeve wederkomst, en een blijde avond maakt een droeve morgenstond. Zo is elk vleselijk genoegen, het komt strelend in; maar ten laatste kwetst en doodt het. Wat kunt gij elders zien, dat gij hier niet ziet? Zie daar de hemel en de aarde, en al de hoofdstoffen, daaruit is alles gemaakt. 

 

8. Wat kunt gij elders zien, wat lang onder de zon kan standhouden? Gij meent misschien, met veel te zien en te horen, verzadigd te worden; maar gij zult daartoe niet geraken. Al zaagt ge samen voor uw ogen, wat zou het nog wezen dan een ijdel gezicht? Hef uw ogen op tot God in de hemel, en bid Hem om vergiffenis voor uw zonden en onachtzaamheden. Laat de ijdele dingen voor de ijdele mensen: maar gij, bekommer u met wat God u voorgeschreven heeft. Sluit de deur achter u toe, en roep Jezus, uw beminde bij u. Blijf in uw cel bij Hem, want nergens zult gij zo grote vrede vinden. Waart gij niet uitgegaan, en hadt gij niets van de wereld gehoord, gij zoudt beter in zoete vrede zijn gebleven; maar omdat gij somwijlen vermaak schept in wat nieuws te horen, moet gij daarin de stoornis des harten verdragen. 

 

1) Seneca Eq. VIII 

2) Joann. 5: 13 

3) Psalm 4: 5 

4) Psalm 6: 7 

5) I Joann. 2: 17 

 

 

Hoofdstuk 21 

 

Over de rouwmoedigheid des harten 

 

 

1. Indien gij enige vooruitgang wilt doen, bewaar u in de vrees Gods, en wees niet al te vrij; maar houd uw zinnen in bedwang, en geef u niet over aan lichtvaardige vrolijkheid. Stem u tot ingetogenheid des harten, en gij zult de ware godsvrucht vinden. Ingetogenheid des harten brengt veel goed voort, dat bij uitgelatenheid dra verloren gaat. Het is zonderling dat een mens hier in dit leven volkomen verblijd kan zijn, wanneer hij zijn ballingschap en de menigvuldige gevaren van zijn ziel overdenkt. 

 

2. Omdat wij zo lichtzinnig van hart zijn, en onze gebreken veronachtzamen, daarom blijven wij gevoelloos voor de ellenden van onze ziel. Maar wij lachen dikwijls onbezonnen, als wij redelijkerwijze behoorden te wenen. Er is geen oprechte vrijheid des harten of ware vreugd tenzij in de vrees Gods met een goed geweten gepaard. Gelukkig hij, die alle verstrooiing afweren kan en in zichzelf keren kan tot de innigheid van een heilige ingetogenheid. Gelukkig hij, die alles afwerpt wat zijn geweten kan besmeuren of bezwaren. Strijd kloekmoedig; een gewoonte wordt door een andere overwonnen. Indien gij de mensen laat begaan dan zullen zij u wel met vrede laten. 

 

3. Trek u de zaken van anderen niet aan, en bemoei u niet met de zorgen van uw oversten. Richt altijd de ogen eerst op uzelf, en vermaan uw eigen, eerder dan uw vrienden. Al geniet gij de gunst der mensen niet, wil u daarom niet bedroeven; maar bedroef u daarin, dat gij u niet zo wèl en voorzichtig gedraagt gelijk het een dienaar Gods en een vroom kloosterling betaamt. Het is dikwijls zaliger dat een mens niet veel vertroostingen heeft in dit leven, bijzonder naar het vlees. Maar het is onze schuld, dat wij goddelijke vertroostingen missen, of die maar zelden smaken: omdat wij de rouwmoedigheid des harten niet zoeken, en de ijdele en uitwendige vertroostingen niet verwerpen. 

 

4. Erken dat gij de goddelijke vertroostingen onwaardig zijt, en veeleer verdiend hebt grote kwellingen te lijden. Wanneer de mens gans van harte vermorzeld is, dan valt de hele wereld hem zwaar en bitter. Een goed mens vindt altijd reden om droef te zijn en te wenen. Want hetzij hij zichzelf of de naaste beschouwt, hij weet dat hier niemand zonder kwellingen leeft: En hoe nauwkeurig hij zich gadeslaat, hoe meer hij zich bedroeft. Billijke reden van droefheid en inwendige vermorzeling, dat zijn onze zonden en gebreken, waarin wij zó gedompeld liggen, dat wij zelden het hemelse in beschouwing kunnen nemen. 

 

5. Indien gij meer dacht op uw dood dan op een lang leven, zoudt gij zonder twijfel uzelf met meer ijver verbeteren. Indien gij ook de toekomstige pijnen van hel en vagevuur ernstig overdacht, ik geloof dat gij gaarne alle arbeid en lijden verdragen zoudt en geen streng leven schromen. Maar omdat die waarheden niet tot het hart doordringen en dat wij nog zoeken wat ons streelt, daarom blijven wij koud en traag. 

 

6. Het komt dikwijls uit gemis aan geesteskracht dat ons ellendig lichaam zo licht klaagt. Bid dan ootmoedig de Heer, dat Hij u de geest van droefheid des harten geve, en zeg met de Profeet: Spijzig mij, o Heer, met het brood van weedom, en geef mij drank gemengd met vele tranen (1). 

 

1) Psalm 79: 6 

 

 


Hoofdstuk 22 

 

Over de beschouwing van ‘s mensen ellende 

 

1. In wat plaats gij zijt of niet, waar gij u keert of niet, gij zijt altijd ongelukkig, tenzij gij u tot God bekeert. Waarom ontstelt gij u, als het niet naar uw wil en verlangen gaat? Wie is er toch. Die alles naar zijn wens heeft? Noch ik, noch gij, noch enig mens op aarde. Niemand is er op de wereld vrij van kwelling of zwarigheid, al ware hij koning of paus. Wie gaat het allerbest? Voorwaar hem die iets voor God lijden kan. 

 

2. Vele kranke en zieke mensen zeggen dikwijls: Zie, welk heerlijk leven heeft die man, doe rijk, hoe groot, hoe machtig, hoe verheven is hij? Maar sla eens het oog op de hemelse goederen, en gij zult inzien dat al die tijdelijke goederen nietig, onzeker en eerder overlast zijn, want men kan ze nooit zonder vrees of zorg bezitten. Het geluk van de mens bestaat niet in veel tijdelijke goederen te bezitten; de middelmaat is genoeg voor hem. Het is voorwaar een ellende, op aarde te leven. Hoe geestelijker de mens tracht te leven, hoe bitterder hem dit leven wordt; omdat hij dan de menselijke bedorvenheid meerder gevoelt en klaarder inziet. Want eten, drinken, waken, slapen, arbeiden, rusten en onderworpen te zijn aan verdere behoeften der natuur, dat is voorwaar een grote ellende en kwelling voor de godvruchtige mens, die zo gaarne ontslagen en vrij van alle zonden zou zijn. 

 

3. Want de inwendige mens wordt in deze wereld zeer bezwaard door de lichamelijke noodwendigheden. Daarom bad de profeet David vurig, om daarvan vrij te mogen wezen, zeggende: Ontruk mij, Heer, aan mijn noden (1). Maar wee hen, die hun ellende niet kennen: en driemaal wee hen, die dit ellendig en vergankelijk leven beminnen. Want sommigen zijn daaraan zo verkleefd -al is het dat zij nauwelijks met arbeiden of bedelen hun nooddruft vinden,- dat zij zich voor het rijk Gods geenszins zouden bekommeren, indien zij hier voor eeuwig konden leven. 

 

4. O, dwazen en heidenen van hart die zo diep in het aardse verzonken liggen, dat zij geen smaak vinden, dan in wat de zinnen of het lichaam aangaat! Maar die ongelukkigen zullen op het einde tot hun spijt gevoelen hoe slecht en nietig het was, wat zij bemind hebben. De Heiligen Gods en al de innige vrienden van Jezus Christus hebben integendeel veracht wat aan het vlees behaagt, of wat hier schoon en uitstekend is: met al hun hoop en verlangen hijgden zij naar de eeuwige goederen. Geheel hun begeerte zweefde omhoog naar het altijddurende en onzichtbare, opdat zij door ‘t zichtbare niet nederwaarts getrokken zouden worden. Wil, o broeder, in uw geestelijke vooruitgang niet wanhopen: gij hebt nog tijd en stond. 

 

5. Waarom wilt gij uw voornemen tot morgen uitstellen? Sta op, begin op deze stond en zeg: Nu is het tijd om te werken en te strijden, het is nu de bekwame tijd om mijn leven te beteren. Als het met u niet wèl gaat, als gij gekweld wordt, dan is het tijd om verdiensten te verzamelen. Gij moet eerst door het vuur en het water gaan,eer dat gij komt tot de verkwikking (2). Tenzij gij uzelf geweld aandoet, zult gij uw gebreken niet overwinnen. Zolang wij dit broos lichaam omdragen, kunnen wij zonder zonde niet zijn of zonder verdriet of droefheid leven. Wij zouden gaarne vrij zijn van alle ellende; maar omdat wij door de zonde de onschuld verloren hebben, gemissen wij ook het waar geluk. Daarom moeten wij geduld hebben en Gods barmhartigheid afwachten, totdat de boosheid voorbij ga (3), en onze sterfelijkheid door het leven verslonden worde (4). 

 

6. Ach, hoe groot is de menselijke zwakheid! Zij is altijd tot het kwade genegen. Heden belijdt gij uw zonden en morgen bedrijft gij weder het pas beledene. Nu maakt gij het voornemen behoedzaam te zijn, en een uur later handelt gij alsof gij niets bepaald hadt. Met reden dus moeten wij ons verootmoedigen en geen hoge dunk van onszelf koesteren, aangezien wij zo krank en zo onstandvastig zijn. Wij kunnen op één ogenblik door onachtzaamheid verliezen, wat wij door Gods genade en met grote arbeid bekomen hebben. 

 

7. Wat zal er ten laatste van ons geworden, daar wij zo vroeg reeds beginnen te verslappen? Wee ons, indien wij zo de rust willen zoeken, alsof wij in veiligheid waren, daar tot nu toe geen teken van ware heiligheid in onze handel te merken is. Ja, het ware wel nodig dat wij nog eens, als goede beginnelingen, in goede werken opgeleid werden, om te beproeven of er soms nog enige hoop ware om een toekomende beterschap en grotere vorderingen in de deugd. 

 

1) Psalm 24: 27 

2) Psalm 65: 12 

3) Psalm 61: 2 

4) 2 Kor. 5: 4 

 

 

 


Hoofdstuk 23 

 

Over het overwegen van de dood 

 

1. Welhaast zal het hier met u gedaan zijn; zie maar eens hoe uw zaken staan: heden leeft de mens en morgen is hij verdwenen. En is hij uit het oog verdwenen, dan is hij weldra ook uit het hart. O botheid en dwaasheid van het menselijk hart, dat alleen aan het tegenwoordige denkt en het toekomstige niet beter voorziet! Gij moest in al uw werken en gedachten zó gedragen, alsof gij heden sterven moest. Indien gij een goed geweten hadt, zoudt gij de dood weinig vrezen. Het ware beter de zonden te schuwen, dan de dood te vluchten. Indien gij heden niet bereid zijt, hoe zult gij het dan morgen zijn? De dag van morgen is onzeker; en wat weet gij of het voor u morgen zal worden? 

 

2. Wat baat het lang te leven, als wij ons zo weinig beteren? Ach! Een lang leven voert niet altijd tot beterschap, maar dikwijls vermeerdert het de schuld! Ach! Hadden wij op deze wereld maar één dag wèl geleefd! Velen berekenen de jaren van hun bekering: maar de vrucht van beterschap is dikwijls zo klein. Indien het sterven schrikbarend is, denk dat het misschien nog gevaarlijker is langer te leven. Indien gij ooit een mens hebt zien sterven denk dat gij ook dezelfde weg zult gaan.  

 

3. Breekt de morgen aan, denk dat gij tot de avond niet zult leven. En is de avond gevallen, wil u de dag van morgen niet verzekerd houden. Wees dan immer bereid, en leef zó, dat de dood u nooit onvoorbereid vinde. Vele mensen sterven plotseling en onvoorziens. Want de Zoon des mensen zal komen, op het uur dat wij er het minst aan zullen denken (1). Als dat uur gekomen zal zijn, dan zult gij over al uw voorgaande leven geheel anders oordelen; en gij zult ten uiterste droef zijn, omdat gij zo traag en zo onachtzaam zijt geweest. 

 

4. En hoe gelukkig is hij en hoe verstandig, die nu zodanig tracht te zijn in het leven, als hij wenst bevonden te worden bij de dood. Volkomen verachting der wereld, vurige begeerte naar vooruitgang in de deugd, liefde der regeltucht, strengheid in het boete doen, vlijtigheid in het gehoorzamen, verloochening van zichzelf, en geduld om alle tegenspoed te dragen ter liefde van Christus, zullen een groot vertrouwen geven op een zalig sterven. Gij kunt vele goede werken doen, terwijl gij gezond zijt; maar wat gij, ziek zijnde, zult kunnen doen, weet ik niet. Weinigen beteren zich met ziek te zijn: gelijk er ook weinigen heiliger worden door gedurige bedevaarten. 

 

5. Betrouw niet op vrienden en verwanten, en stel uw zaligheid niet uit tot de toekomst: want de mensen zullen u eerder vergeten dan gij meent. Het is geraadzamer er bijtijds in te voorzien, en enige goede werken vooraf te zenden, dan op de hulp van een ander te bouwen. Indien gij nu voor uzelf niet zorgt, wie zal namaals voor u bekommerd zijn? De tijd is nu zeer kostbaar: Nu zijn het de dagen van zaligheid, nu is het de bekwame tijd (2). Maar helaas! Hoe jammer, dat gij die tijd niet beter waarneemt, waarin gij een eeuwig leven verdienen kunt. De tijd zal komen, dat gij naar één dag, ja naar één uur verlangen zult om u te beteren, en ik weet niet, of gij die verkrijgen zult. 

 

6. Welaan dan, allerliefste, denk toch uit welk gevaar gij uzelf kunt redden, hoe grote vrees gij kunt vermijden, met nu altijd op uw hoede en bezorgd te zijn voor de dood. Tracht nu zó te leven dat gij in het uur van uw dood u eerder moogt verblijden dan bevreesd te zijn. Leer nu de wereld afsterven, om dan te gaan leven met Christus. Leer nu alles versmaden, opdat gij dan ongehinderd tot Christus moogt oprijzen. Kastijd nu uw lichaam met boetvaardigheid, opdat gij dan een vast vertrouwen moogt hebben. 

 

7. Ach, dwaze mens, waarom denkt gij lang te leven, daar gij niet één dag zeker hebt? Hoevelen zijn bedrogen geweest en onvoorziens uit dit leven weggerukt? Hoe dikwijls hebt gij horen vertellen: deze viel onder het zwaard, gene is verdronken, deze van een hoogte stortend, heeft de hals gebroken; die is bij het eten gestorven, gene bij het spelen? De ene is omgekomen door het vuur, een andere door het staal, een derde door de pest, een vierde door rovershanden, en zo is aller einde de dood, en’s mensen leven gaat voorbij als een schaduw (3). 

 

8. Wie zal u na de dood gedenken? En wie zal hier voor u bidden? O allerliefste, doe nu alles wat gij kunt, want gij weet niet wanneer gij sterven zult en gij weet ook niet wat er voor u en na de dood volgen zal. Terwijl gij nog tijd hebt, verzamel u onsterfelijke rijkdommen. Houd u alleen met uw zaligheid bezig; zorg alleen voor wat God aangaat. Maak nu goede vrienden, met de Heiligen Gods te vereren, en hun werken na te volgen; opdat, als gij uit dit leven zult scheiden, zij u ontvangen in de eeuwige woonsteden (4). 

 

9. Houd u als een pelgrim en een vreemdeling op aarde (5), die zich de dingen van deze wereld niet aantrekt. Houd uw hart vrij en altijd tot God opgeheven, want gij hebt hier geen blijvende stad (6). Stuur uw gebeden en dagelijkse zuchten der tranen naar de hemel, opdat uw ziel, na de dood, gelukkig tot de Heer moge overgaan. Amen. 

 

1) Luk. 12: 40 

2) 2 Kor. 6: 2 

3) Job 14: 2 

4) Luk. 16: 9 

5) 1 Petr. 1: 11 

6) Hebr. 13: 14 

 

 

 

Hoofdstuk 24 

 

Over het oordeel en de zondestraffen 

 

 

1. Let in alle dingen op het einde, en hoe gij voor die strenge rechter zult staan, voor wie niets verborgen is, die met geen giften wordt omgekocht, en die geen uitvluchten aanneemt, maar alles oordelen zal naar de rechtvaardigheid. O ellendige en dwaze zondaar! Wat zult gij God antwoorden, die al uw zonden kent; gij die somtijds de aanblik vreest van een vergramde mens? Waarom neemt gij geen voorzorg tegen de dag van het oordeel, alwaar niemand door een ander beschermd of vrijgepleit zal kunnen worden, maar iedereen last genoeg zal hebben aan zichzelf. Nu is uw arbeid vruchtbaar, uw wenen aangenaam, uw zuchten verhoord, uw droefheid verzoenend en zuiverend. 

 

2. Hij heeft in dit leven een groot en zalig vagevuur, de verduldige mens, die, het onrecht lijdende, bedroefder is voor de boosheid van een ander, dan over eigen leed; die gaarne bidt voor zijn tegenstrevers, en hun uit ter harte vergeeft het kwaad hem aangedaan; die zelf gewillig is om aan anderen vergiffenis te vragen; die meer tot medelijden genegen is dan tot gramschap; die zichzelf dikwijls geweld aandoet, en het vlees aan de geest volkomen tracht te onderwerpen. Het is beter zich nu van zijn zonden te zuiveren en zijn gebreken uit te roeien, dan ze te bewaren om in het toekomende leven uitgeboet te worden. Voorwaar, wij bedriegen onszelf door de ongeregelde liefde, die wij ons lichaam toedragen. 

 

3. Wat zal het eeuwig vuur anders verslinden dan uw zonden? Hoe meer gij nu uzelf ontziet en uw vlees involgt, des te meer zult gij hiernamaals boeten en zoveel te meer brandstof vergadert gij. Waar de mens meest in gezondigd heeft, daar zal hij ook zwaarder in gepijnigd worden. Daar zullen de luiaards met gloeiende prikkels voortgestuwd, en de gulzigaards met geweldige honger en dorst gepijnigd worden. Daar zullen de onkuisaards en de genotbejagers met ziedend pek en stinkende solfer overgoten worden: en de nijdigaards zullen als dulle honden huilen van de pijn. 

 

4. Ieder zonde zal haar eigen pijn hebben. Daar zullen de hovaardigen met schaamte overdekt, en de gierigaards met een allerbitterste armoede benauwd worden. Daar zal één uur lijden zwaarder vallen, dan hier honderd jaren in de allerstrengste boetvaardigheid. Hier staakt men somtijds het zwoegen, en geniet men troost van vrienden; dáár integendeel is geen rust, geen troost voor de verdoemden. Wees nu bekommerd en heb leedwezen over uw zonden, opdat gij in de dag van het oordeel zonder angst moogt zijn met de gelukzaligen. Want dan zullen de rechtvaardigen met grote vrijmoedigheid zich verheffen over hen, die hen hier ten onrechte benauwd en verdrukt hebben (1). Dan zal hij recht staan om te oordelen, die zich hier ootmoedig onderwerpt aan de oordelen der mensen. Dan zal de arme en ootmoedige een grootvertrouwen hebben, en de hovaardige zal van alle kanten met vrees bevangen zijn. 

 

5. Dan zal blijken, dat hij hier zeer wijs is geweest, die om Christus heeft leren dwaas en veracht te zijn. Dan zal het lijden, dat men geduldig zal hebben verdragen, verheugen, en alle boosheid zal de mond sluiten (2). Dan zullen alle godvrezenden zich verblijden, en de goddeloze zal in droefheid gedompeld zijn. Dan zal het getuchtigde lichaam zich meer verheugen dan indien het in de weelde ware gekoesterd geweest. Dan zal het grove kleed schitteren, en het fijne kleed zal duister worden. Dan zal een arm hutteke meer geprezen worden dan een van goud glinsterend paleis. Dan zal het standvastig geduld meer helpen dan de macht van geheel de wereld. Dan zal de eenvoudige gehoorzaamheid meer geprezen worden dan alle aardse arglistigheid. 

 

6. Dan zal een zuiver en goed geweten meer blijdschap geven dan hoge geleerdheid. Dan zal de versmading der rijkdommen zwaarder wegen dan al de schatten der aarde. Dan zult gij meer troost smaken om een godvruchtig gebed, dan om een kostelijke maaltijd. Dan zult gij blijder zijn over een welbewaard stilzwijgen, dan over lange gesprekken. Dan zullen de heilige werken van meerder waarde zijn, dan schone woorden. Dan zal een streng leven en harde boete meer behagen dan alle wereldse vermaken. Leer nu in ‘t kleine lijden, opdat gij dan van het zwaardere bevrijd moogt zijn. Beproef eerst hier wat gij namaal zult kunnen lijden. Kunt gij nu zo weinig verdragen, hoe zult gij dan de eeuwige pijnen kunnen uitstaan? Indien een matig lijden u hier zo ongeduldig maakt, wat zal de hel dan doen? Zie, gij kunt geen twee vreugden genieten: hier in de wereld uw vermaakt nemen, en daarna met Christus heersen. 

 

7. Indien gij tot op de huidige dag toe in alle eer en weelde geleefd hadt, wat zou dit alles u baten, indien gij nu op staande voet moest sterven? Alles is dus ijdelheid, behalve God beminnen en Hem alleen dienen. Want die God uit ganser harte bemint, vreest noch dood, noch pijn, noch oordeel, noch hel; wijl de volmaakte liefde veiliger toegang geeft tot God. Maar het is geen wonder, dat hij, die nog vermaak schept in de zonde, de dood en het oordeel vreest. Het is echter goed, indien de liefde Gods u nog van de zonden niet wederhoudt, dat de vrees der hel u beteugele. Doch, die de vrees Gods weinig acht, kan niet lang in het goed volharden, maar hij zal welhaast in de strikken van de duivel vallen. 

 

1) Wijsh. 5: 1 

2) P. CVI: 42 

 

 

Hoofdstuk 25 

 

Over de ijverige verbetering van ons leven 

 

1. Waak en wees naarstig in de dienst van God, en denk dikwijls: waarom zijt gij hier gekomen en hebt gij de wereld verlaten? Is het niet om voor God te leven en een geestelijk mens te worden? Wees dus vurig om vooruitgang te doen, want gij zult haast het loon van uw arbeid ontvangen: en dan zal er noch vrees, noch droefheid in uw uiterste meer zijn. Gij zult nu een weinig arbeiden, en daarvoor zult gij een grote rust, ja een eeuwige vreugde genieten (1). Indien gij getrouw en naarstig in het goed blijft, zal God ongetwijfeld getrouw en overvloedig zijn in u te lonen. Gij moet altijd hopen en vast betrouwen, dat gij de zegepalm zult bekomen; maar gij moogt u niet voor verzekerd houden, ten einde niet lauw en uitgelaten te worden. 

 

2. Zeker persoon, die dikwijls tussen vrees en hoop dobberde, was eens, door weemoed overwonnen, naar de kerk gegaan. Daar knielde hij voor een altaar om te bidden, en herhaalde bij zichzelf deze woorden: Ach, zo ik wist dat ik zou volharden tot het einde toe! En terstond hoorde hij inwendig dit antwoord van God: Ware het dat gij dit wist, wat zoudt gij willen doen? Doe nu wat gij dan zoudt doen, en gij zult ten volle gerust zijn. En terstond getroost en gesterkt, gaf hij zich geheel over aan de wil van God, en de angstige twijfel hield op. Hij was daarna niet meer nieuwsgierig om te onderzoeken wat hem zou overkomen; maar hij legde zich meer toe om de wil van God te kennen en wat het volmaaktste was in zijn ogen (2), om alle goed werk wel te beginnen en te voltrekken. 

 

3. Hoop in de Heer en doe het goed, zegt de Profeet, en gij zult de aarde in vrede bewonen en gevoed worden met haar rijkdommen (3). Iets wat vele mensen wederhoudt om vooruitgang te doen, en zich volijverig te beteren, is de vrees voor de inspanning of de moeite van de strijd. Inderdaad, zij gaan het meest vooruit in de deugd, die kloekmoediger trachten te overwinnen wat hun het tegenstrijdigste valt en het zwaarste. Want daarin maakt de mens grote vorderingen en verdient meerdere genade bij God, waarin hij zichzelf meer overwint en zijn geest versterft. 

 

4. Maar alle mensen hebben niet evenveel te overwinnen en te versterven. Niettemin zal iemand, die oprecht ijverig is, meer toenemen in deugden, al hadde hij meer driften, dan een ander die meer geregeld leeft maar niet zo vurig is voor de deugd. Twee dingen helpen bijzonder voor gedurige beterschap, te weten: zich met geweld onttrekken aan iets waartoe de natuur verkeerd genegen is; en vlijtig die deugd betrachten, die wij allermeest nodig hebben. Zorg ook die dingen bijzonder te vermijden en te overwinnen, die u in anderen meest mishagen. 

 

5. Behartig vooral de vooruitgang; wanneer gij goede voorbeelden ziet of hoort, wees daartoe opgewekt om die na te volgen. Maar indien gij iets berispelijks opmerkt, wacht u dat gij hetzelfde bedrijft, of hebt gij het ooit gedaan, tracht u terstond daarin te verbeteren. Gelijk uw oog op anderen in acht neemt, zo nemen ook anderen acht op u. O hoe vertroostend en hoe zoet is het ijverige en godvruchtige broeders te zien, vurige getrouwe onderhouders van hun regel. Maar hoe droevig en pijnlijk valt het, zulken te zien, die ongeregeld leven, en die de taak niet uitvoeren waartoe zij geroepen zijn? O hoe nadelig is het de plichten van zijn roep te veronachtzamen, en zich bezig te houden met het niet opgelegde. 

 

6. Herinner u de hemelse levenstaak en stel u het beeld van de Gekruisigde Jezus voor. Gij moogt met reden beschaamd worden, bij de aanblik van Jezus’ leven, wijl gij tot nog toe zo weinig gedaan hebt om aan hem gelijkvormig te worden, ofschoon gij voorlang in de weg des Heren getreden zijt. Een kloosterling, die zich ernstig en godvruchtig oefent op het allerheiligst leven en lijden des Heren, zal daar overvloedig in vinden alles wat hem nuttig en noodzakelijk is, en hij behoeft buiten Jezus niets beter te zoeken. O, indien de gekruisigde Jezus in ons hart kwam, hoe spoedig zouden wij gans volleerd zijn! 

 

 

7. Een ijverig kloosterling neemt wèl aan al wat hem bevolen wordt, en draagt het gewillig. Maar een lauw en zorgeloos kloosterling heeft lijden op lijden, en voelt van alle kanten benauwdheid; want de inwendige troost ontbreekt hem, en de uitwendige te zoeken wordt hem verhinderd. Een kloosterling die buiten zijn regel leeft, is in gevaar van diep te vallen. Wie de vrijheid en gemakken zoekt, zal altijd in het nauw zijn: Want het een of het ander zal hem mishagen. 

 

8. Hoe doen zoveel andere kloosterlingen, die zeer nauw gebonden zijn door de kloostertucht? Zij gaan zelden uit, zij leven afgescheiden, zij worden armoedig gevoed en grof gekleed; zij arbeidden veel, spreken weinig, waken laat, staan vroeg op, bidden lang, lezen veel, en onderhouden in alles nauwkeurig de regel. Zie de Karthuizers, de Cisterciënsers, en meer andere monniken, zo mannen als vrouwen, hoe zij alle nachten opstaan om God lof te zingen. Het zou daarom voor u schandelijk zijn, indien gij in een zo heilige tijd, wanneer zulk een schaar van kloosterlingen God beginnen te loven, moest luieren. 

 

9. O, hadden wij toch niets anders te doen, dan God onze Heer met hart en mond te loven! O, moesten wij toch nooit eten, drinken of slapen; maar mochten wij God onophoudelijk danken, en ons alleen met geestelijke oefeningen bezig houden, dan zouden wij veel gelukkiger wezen dan wij nu zijn, nu wij genoodzaakt zijn het lichaam in al zijn behoeften te dienen. Och, bestonden die noodzakelijkheden niet, maar alleen de geestelijke zielsverkwikkingen, die wij, helaas! nu maar zelden smaken. 

 

10. Als een mens zover gekomen is, dat hij bij geen schepsel zijn troost zoekt, dan begint hij God eerst volkomen te smaken, en dan zal hij ook wel tevreden zijn met alles wat er gebeuren zal. Dan zal hij zich met iets groots niet verblijden, noch met iets kleins zich bedroeven, maar hij beveelt zichzelf gans en vol betrouwen aan God, die hem alles in alles is, voor wie niets verloren gaat of sterft, maar voor wie alles leeft en zonder uitstel gehoorzaamt. 

 

11. Denk altijd op uw einde en dat de verloren tijd niet zal wederkeren. Zonder zorg en naarstigheid zult gij nooit deugden bekomen. Wanneer gij begint te verflauwen, dan zal ook de kwelling beginnen; maar volhardt gij in de vurigheid, zo zult gij grote vrede vinden, en zal de arbeid u minder zwaar vallen door de genade Gods en de liefde tot de deugd. Een vurig en naarstig mens is tot alles bereid. Het is zwaarder moeite aan de zonden en de driften te wederstaan, dan in het zweet van het aanschijn te werken. Wie kleine gebreken niet vermijdt, zal langzamerhand in grotere vallen (4). Gij zult ‘s avonds altijd blijdschap gevoelen, als gij de dag wèl hebt doorgebracht. Waak over uzelf, wek uzelf op, vermaan uzelf, en hoe het ook met anderen sta, verzuim nooit uzelf. Hoe meer geweld gij uzelf aandoet, des te grotere vooruitgang zult gij doen in de deugd. 

 

1) Eccl. 51: 31 2) Rom. 12: 2 3) Psalm 36: 3 4) Eccl. 19 

 


Boek II 

 

Inhoud  

 

1. Over het inwendig gesprek met God 

2. Over nederige onderwerping 

3. Over de vreedzame mens 

4. Over de reinheid des harten en de eenvoudige mening 

5. Over het letten op zichzelf 

6. Over de vreugde van een goed geweten 

7. Over de liefde tot Jezus boven alles 

8. Over de gemeenzame vriendschap met Jezus 

9. Over het derven van alle troost 

10. Over de dankbaarheid voor Gods genade

11. Over het klein getal der minnaars van Jezus’ kruis 

12. Over de koninklijke weg van het heilig kruis 

 

 

 

 

Hoofdstuk 1 

 

Over het inwendig gesprek met God 

 

1. Het rijk Gods in binnen u (1), zegt de Heer. Bekeer u uit geheel uw hart tot God, en laat deze ellendige wereld varen, en uw ziel zal rust vinden. Leer het uitwendige versmaden, en u op het inwendige begeven; en gij zult het rijk Gods in u zien komen. Want het rijk Gods is vrede en blijdschap in de Heilige geest (2), en dat wordt aan goddelozen niet gegeven. Christus zal tot u komen, en u zijn troost openbaren, indien gij Hem een waardige woonstede in uw binnenste bereidt. Al zijn glorie en schoonheid is inwendig (3), en in het binnenste heeft Hij zijn behagen. Een inwendige mens bezoekt Hij dikwijls; Hij spreekt hem liefelijk aan, Hij troost hem minnelijk, Hij geeft hem overvloedige vrede, en Hij houdt een gemeenzaamheid die alle verbazing wekt. 

 

2. Moed dan, getrouwe ziel, bereid uw hart voor die Bruidegom, opdat Hij zich gewaardige tot u te komen en in u te wonen. Want Hij spreekt aldus: Indien iemand Mij liefheeft, hij zal mijn woorden onderhouden, en Wij zullen tot hem naderen, en bij hem ons verblijf vestigen (4). Maak dan in uw hart plaats voor Christus, en sluit alle andere dingen buiten. Als gij Christus bezit, dan zult gij rijk zijn; Hij alleen zal u genoeg wezen. Hij zal u van alles voorzien, en getrouw uw belangen behartigen zodat gij niet nodig hebt op mensen uw hoop te stellen. Want de mensen veranderen licht, en feilen eensklaps: maar Christus blijft in eeuwigheid (5), en Hij helpt ons standvastig tot het einde toe. 

 

3. Daar is niet veel staat te maken op een broos en sterfelijk mens, al moge hij u veel goed doen en uw vriend zijn. Ook moogt gij u niet zeer bedroeven als hij somtijds u wederstreeft en tegenspreekt. Die heden met u zijn, kunnen morgen tegen u opstaan, en omgekeerd, want zij draaien gelijk de wind. Stel gans uw betrouwen op God, en dat Hij alleen uw vrees en uw liefde zij. Hij zal voor u optreden, en zal alles ten beste schikken. Gij hebt hier geen blijvende woonstede (6): waar gij zijt, zijt gij een pelgrim en een vreemdeling, en gij zult geen rust smaken, tenzij gij innig met Christus verenigd zijt. 

 

4. Wat wilt gij hier rondzoeken, aangezien het hier de plaats van uw rust niet is? In de hemel moet uw woning zijn, en als in ‘t voorbijgaan, moet gij al het aardse beschouwen. Alles gaat voorbij, en gij daarmede desgelijks. Zie toe dat gij u daaraan niet hecht; om niet gevangen te zijn en verloren te gaan. Uw gedachten zullen bij de Allerhoogste zijn (7), en uw gebed moet zonder ophouden tot Jezus Christus opklimmen. Indien het hemelse te verheven is voor uw gedachten, berust dan in het lijden van Christus, en woont gaarne in zijn heilige wonden. Want zo gij met liefde uw toevlucht neemt tot de wonden en dierbare wondtekenen van Jezus, zo zult gij een grote versterking in het lijden gevoelen; gij zult u weinig bekommeren om de verachting der mensen en al hun lasterwoorden licht verdragen. 

 

5. Christus ook werd op de wereld door de mensen versmaad, en in zijn grootste nood hebben zijn vrienden en bekenden Hem in de schande gelaten. Christus heeft willen lijden en misacht worden en gij durft over iets te klagen! Christus heeft vijanden en kwaadsprekers gehad, en gij wilt allen tot vrienden en weldoeners hebben? Waarvoor zal uw geduld dan gekroond worden, indien u geen tegenspoed overkomt? Indien gij geen tegenkanting wilt lijden, hoe zult gij dan de vriend van Christus zijn? 

 

Lijd met Christus en om Christus, indien gij met Christus wilt heersen.  

 

 

6. Indien gij eens volkomen in Jezus’ binnenste waart doorgedrongen, en een weinig van zijn brandende liefde gesmaakt hadt, dan zoudt gij u om eigen gemak of ongemak weinig bekreunen, maar gij zoudt u eerder verblijden als gij versmaad wordt, want de liefde van Jezus leert de mens zichzelf versmaden. Hij, die Jezus en de waarheid bemint, die oprecht het inwendige leven beoefent en vrij is van alle ongeregelde neigingen, mag zich met vrijheid des harten tot God keren, in de geest zich verheffen boven zichzelf, en in genieting rusten. 

 

7. Hij, die alles acht zoals het werkelijk is, en niet zoals het door de mensen geacht wordt, is waarlijk wijs, en meer onderricht door God dan door de mensen. Wie in zijn binnenste weet te leven, en van de uitwendige dingen weinig werk maakt, die zoekt naar geen plaats of wacht naar geen bepaalde tijden om zijn godsvrucht te oefenen. Een inwendig mens keert spoedig tot zichzelf terug; omdat hij zich nooit geheel uitstort naar buiten. De uitwendige arbeid of bezigheid, die soms nodig is, hindert hem niet; maar gelijk de dingen voorvallen, schikt hij zich daarnaar. Wie van binnen wel gesteld is en geregeld, bekommert zich niet om zonderlinge of ergerlijke daden van mensen. De mens wordt zoveel belemmerd en verstrooid, als hij zich de uitwendige dingen aantrekt. 

 

8. Indien gij van binnen wel en gans gezuiverd waart, zou alles u ten goede strekken, en u tot voordeel dienen. Daarom mishagen en storen u dikwijls vele dingen, omdat gij aan uzelf niet wel afgestorven zijt, en niet geheel onthecht aan het aardse. Niets besmet en belemmert zozeer het hart van de mens, als ongeregelde liefde tot de schepselen. Indien gij de uitwendige troost niet zoekt, zo zult gij het hemelse kunnen beschouwen en dikwijls de inwendige blijdschap gevoelen. 

 

1) Luc. 17: 21 2) Rom. 14: 17 3) Ps. 44: 14 4) Joann. 14: 23 5) Joann. 12: 34 6) Hebr. 13: 14 7) Wijsh. 5: 16 

 

 

Hoofdstuk 2 

 

Over nederige onderwerping 

 

1. Acht niet veel wie voor u of tegen u is; maar maak met zorg dat God met u zij in alles wat gij doet. Bewaar een goed geweten, en God zal u wel verdedigen. Want die God helpen wil, die kan niemands boosaardigheid hinderen. Indien gij kunt lijden en zwijgen, zo zult gij zonder twijfel de hulp van God gewaar worden. Hij kent de tijd en de wijze om u te verlossen; daarom moet gij u op Hem verlaten. Het is Gods werk hulp te bieden, en van alle beschaamdheid te bevrijden. Het is dikwijls zeer dienstig, om onze ootmoed te vermeerderen, dat andere mensen onze gebreken kennen en berispen. 

 

2. Als de mens zich verootmoedigt om zijn gebreken, dan stelt hij anderen gemakkelijk tevreden, en hij verzoent zich licht met wie op hem vergramd waren. God bewaart en verlost altijd de ootmoedige; Hij bemint en vertroost de ootmoedige; Hij neige zich tot de ootmoedige; aan de ootmoedige geeft Hij grote genade, en na zijn verdrukking verheft Hij hem tot de glorie. Aan de ootmoedige openbaart Hij zijn geheimen, en trekt en lokt hem minzaam. Een ootmoedig mens bewaart de vrede, als hem enige beschaming wordt aangedaan, want hij steunt op God, en niet op de wereld. 

 

 

 

Hoofdstuk 3 

 

Over de vreedzame mens 

 

1. Stel uzelf eerst in vrede, en dan zult gij anderen ook tot vrede kunnen stichten. Een vredelievend mens doet meer goed dan een groot geleerde. Een driftig mens maakt van het goed kwaad en gelooft licht aan het kwaad. Een goed, vreedzaam mens keert alles ten goede. Die wel tevreden is, heeft van niemand kwaad vermoeden, maar die slecht tevreden en ontroerd is, wordt door veel kwade vermoedens gekweld; hij is niet gerust, en hij verontrust anderen. Hij zegt dikwijls wat hij niet moest zeggen, en laat achterwege wat hij zou moeten doen. Hij let op wat de anderen verplicht zijn te doen, en hij verzuimt zijn eigen plicht. Heb dan eerst ijver voor uzelf, en dan zult gij met reden ook uw naaste tot ijver kunnen aansporen. 

 

2. Gij weet uw eigen daden wel te verschonen, en de verontschuldigingen van anderen wilt gij niet aannemen. Het ware rechtvaardiger uzelf te beschuldigen, en uw broeder te verschonen. Wilt gij dat men uw gebreken verdrage, verdraag die van anderen. Zie hoe ver gij nog van de ware liefde en ootmoed verwijderd zijt, waardoor men zich nooit vergramt of nooit verontwaardigd is dan tegen zichzelf. Het is geen grote deugd, met goede en zachtmoedige mensen vreedzaam te leven, dit behaagt natuurlijk aan alle mensen, want iedereen is gaarne in vrede en bemint ook het meest die met hem overeenkomen. Maar in vrede kunnen leven met stuurse, boosaardige en ongeregelde mensen, of met die, welke ons dwarsbomen, dit is een grote gave en een grootmoedig en hoogst loffelijk bedrijf. 

 

3. Daar zijn er, die met zichzelf, en ook met anderen in vrede zijn. En daar zijn er, die zelf geen vrede hebben, en die anderen in vrede niet laten; zij zijn voor de anderen lastig, maar nog veel lastiger voor zichzelf. En daar zijn er, die zichzelf in vrede behouden, en ook anderen trachten tot vrede terug te brengen. Nochtans geheel onze vrede, in dit ellendig leven, bestaat in meer ootmoedige lijdzaamheid dan in ‘t niet gevoelen van tegenheden. Wie best weet te lijden, zal de meeste vrede hebben; hij is overwinnaar van zichzelf, hij is meester van de wereld, vriend van Jezus Christus en erfgenaam van de hemel. 

 

 

Hoofdstuk 4 

 

Over de reinheid van het hart en de eenvoudige mening 

 

1. Door twee vleugelen wordt de mens boven het aardse geheven, te weten: door de eenvoud en door de zuiverheid. Eenvoud moet in de mening zijn, en zuiverheid in het hart. De eenvoud zoekt God, de zuiverheid vindt Hem en smaakt Hem. Geen goed werk zal u zwaar vallen, indien gij inwendig vrij zijt van ongeregelde neiging. Indien gij niets anders dan Gods welbehagen en het voordeel van de naaste beoogt en zoekt, zo zult gij de inwendige vrijheid genieten. Indien uw hart oprecht was, dan zou elk schepsel tot een spiegel van het leven dienen, en tot een boek van heilige lering. Daar is geen schepsel, hoe klein en gering ook, of het vertoont in zich de goedheid Gods. 

 

2. Indien gij van binnen goed en zuiver waart, dan zoudt gij alle dingen zonder beletsel zien, en wel begrijpen. Een zuiver hart doordingt de hemel en de hel. Zo iemand van binnen gesteld is, zo oordeelt hij over het uitwendige. Is er ergens blijdschap in de wereld, zo geniet ze een mens die zuiver van hart is. En is er ergens benauwdheid of zwarigheid, zo gevoelt een kwaad geweten ze allermeest. Gelijk het ijzer, in het vuur geworpen, de roest verliest, en wit gloeiend wordt, zo legt een mens, die zich tot God bekeert, alle traagheid af, en verandert in een nieuwe mens. 

 

3. Als een mens begint te verflauwen, dan vreest hij een weinig inspanning, en hij ontvangt gaarne uitwendige troost. Maar als hij zich volkomen begint te overwinnen, en vroom in de weg des Heren te wandelen, dan acht hij licht, wat hem tevoren zwaar scheen. 

 

 

 

Hoofdstuk 5 

 

Over het letten op zichzelf 

 

1. Wij mogen onszelf niet teveel betrouwen, want dikwijls ontbreekt ons genade en verstand. Een zwak lichtje maar schemert in ons, en dat verliezen wij gauw door onachtzaamheid. Wij merken het dikwijls niet, dat wij geestelijkerwijze zo blind zijn. Wij doen dikwijls kwaad, en nog erger, wij willen ons verontschuldigen. Wij worden somtijds door onze driften gedreven, en wij menen dat het ijver is. Wij berispen kleine gebreken in anderen, en onze grovere misdrijven zien wij over ‘t hoofd. Wij gevoelen en wegen heel vlug wat wij van anderen te lijden hebben; maar wat anderen van ons uitstaan, merken wij niet. Wie goed en zuiver zijn eigen leven oordeelde, zou ondervinden, dat hij geen reden heeft om een ander streng te oordelen. 

 

2. Een inwendig mens stelt de zorg van zichzelf voor alle andere zorgen; en die op zichzelf naarstig let, zal licht over anderen zwijgen. Nooit zult gij tot innige godsvrucht geraken, tenzij gij over de anderen stilzwijgt, en bijzonder op uzelf let. Indien gij God en uzelf alleen voor ogen hebt, zo zal ‘t u weinig ontstellen, wat gij uitwendig ziet. Waar zijt gij, als gij bij uzelf niet zijt? En als gij alles doorlopen en uzelf verwaarloosd hebt, wat hebt gij dan gewonnen? Indien gij de vrede en de ware ingetogenheid moet hebben, zo moet gij alle dingen ter zijde stellen, en alleen u met uzelf bekommeren. 

 

3. Gij zult derhalve grote vorderingen maken, indien gij u van alle tijdelijke zorg ontheven houdt. Gij zult sterk achteruitgaan, indien gij iets tijdelijks op prijs stelt. Houd niets voor groot, voor verheven, voor aangenaam, dan God alleen, of wat God aangaat. Acht al de troost, die u van enig schepsel moge overkomen, als iets ijdels. Een Godbeminnende ziel versmaadt al wat beneden God is. God alleen, die eeuwig en oneindig is, en die alles vervult, is de troost der zielen en de ware blijdschap des harten. 

 

 


Hoofdstuk 6 

 

Over de vreugde van een goed geweten 

 

1. De roem van de goed mens is het getuigenis van een goed geweten. Heb een goed geweten, en gij zult immer blijde zijn. Een goed geweten kan zeer veel verdragen en is welgemoed in ‘t midden van tegenspoed; maar een kwaad geweten is altoos in vrees en in onrust. Gij zult zacht rusten, indien uw hart u niets te verwijten heeft. Wil u niet verblijden tenzij gij wel gedaan hebt. Boze mensen genieten nooit ware vreugde noch gevoelen de inwendige vrede; want er is geen vrede voor de goddelozen, zegt de Heer. (1). Al zeggen zij somtijds: Zie, wij zijn gerust, geen kwaad zal ons overkomen; en wie zou ons durven hinderen? (2). Geloof hun niet: want de gramschap Gods zal onverwachts oprijzen, en dan zullen hun werken worden te niet gebracht, en hun plannen ten ronde gaan (3). 

 

2. Juichen bij het lijden, valt niet zwaar aan wie God bemint: want zich alzo verheugen, is zich verblijden in het kruis des Heren (4). De roem is kort, welke door de mensen gegeven en ontvangen wordt. De roem van de wereld is altijd gepaard met droefheid. Maar de roem der braven is in hun geweten, en niet in de mond der mensen. De blijdschap der rechtvaardigen is uit God en in God, en hun vreugde vloeit voort uit de waarheid. Wie de ware en eeuwige vreugde ontvangt, acht de tijdelijke niet. En die de tijdelijke roem najaagt, of niet uit ter harte versmaad, wees verzekerd dat hij de eeuwige niet genoeg bemint. Hij geniet een grote rust des harten, die zich aan lof of blaam niet gelegen laat. 

 

3. Hij die een zuiver geweten heeft, zal zeer licht tevreden zijn. Gij zijt niet heiliger als gij geprezen wordt, noch slechter, als gij veracht wordt. Wat gij zijt, dat zijt gij; en gij kunt door het zeggen van anderen niet groter worden, dan gij zijt naar Gods getuigenis. Indien gij bemerkt wat gij bij uzelf van binnen zijt, dan zult gij er u niet om bekreunen wat de mensen van u zeggen. De mens ziet op het uiterlijk, maar God ziet tot in het hart (5). De mens aanziet de werken, maar God onderzoekt de mening. Altijd wèl doen, en weinig van zichzelf houden, dat is het kenmerk van een ootmoedige ziel. Geen troost van enig schepsel zoeken, is het teken van grote zuiverheid en van zielsvertrouwen. 

 

4. Wie van buiten nergens een gunstig getuigenis voor zich zoekt, toont dat hij zichzelf geheel aan God heeft overgegeven. Want, gelijk Paulus zegt, niet hij, die zichzelf prijst, is lofwaardig, maar die door God geprezen wordt (6). Met God inwendig verkeren, en aan niets uitwendigs gehecht zijn, is de gesteltenis van een geestelijke mens. 

 

(1) Is. 68: 22 en 67: 22 (2) Jeruzalem. 5: 12 (3) Ps. 145: 4 (4)Gal. 6: 14 (5) 1 Kon. 16: 7 (6) 2 Kor. 10: 18 

 

 

Hoofdstuk 7 

 

Over de liefde tot Jezus boven alles 

 

1. Zalig die begrijpt wat het is Jezus te beminnen, en zichzelf te versmaden om Jezus. Men moet om die Beminde alles verlaten wat men bemint; want Jezus alleen wil boven alles bemind worden. De liefde van de schepsels is bedrieglijk en onbestendig: de liefde van Jezus is getrouw en onvergankelijk. Die aan ‘t schepsel gehecht is, zal met het broos schepsel vallen: die Jezus aanhangt, zal onwrikbaar staan voor altijd. Bemin Hem en houd Hem te vriend, die u niet zal verlaten als allen u afvallen, en die niet zal dulden dat gij in het einde verloren gaat. Hetzij gij het wilt of niet, gij moet eens van alles scheiden. 

 

2. In leven en dood houd u aan Jezus vast; en beveel u alleen aan de getrouwheid van Hem, die alleen u helpen kan, als alles u zal verlaten. Uw Beminde is van die aard, dat Hij met niemand anders uw liefde delen wil: maar Hij wil uw hart alleen hebben, en daar wil Hij zetelen als koning op zijn eigen troon. Indien gij u wist te ontmaken van alle schepselen, zo zou Jezus gaarne met u wonen. Gij zult het haast altemaal verloren moeite vinden wat gij buiten Jezus op mensen laat steunen. Betrouw of steun op geen ander zwaaiend riet, want alle vlees is als gras, en al zijn glorie zal gelijk de grasbloem te niet gaan (1). 

 

3. Gij zult u haast bedrogen vinden, indien gij alleen let op de uitwendige schijn der mensen. Indien gij in hen troost en voordeel zoekt, zult gij veelal niets vinden dan schade. Indien gij in alles Jezus zoekt, zo zult gij zeker Jezus vinden. Maar indien gij uzelf zoekt, dan zult gij ook uzelf vinden, doch tot uw ondergang. Want een mens, als hij Jezus niet zoekt, is aan zichzelf schadelijker dan geheel de wereld en al zijn vijanden. 

 

(1) Is. 40: 6 

 

 

Hoofdstuk 8 

 

Over de gemeenzame vriendschap met Jezus 

 

1. Als Jezus bij ons aanwezig is, dan gaat alles wel, en niets schijnt er lastig; maar wanneer Jezus bij ons niet is, dan valt alles hard. Als Jezus binnen ons niet spreekt, zo is andere troost niets waard; maar als Jezus een enkel woord binnen ons spreekt, o dan gevoelt men grote troost. Rees Maria-Magdalena niet aanstonds op van de plaats waar zij weende, als haar zuster Martha haar zeide: De Meester is daar, en Hij roept u? (1) O zalig uur wanneer Jezus ons roept uit de tranen tot de blijdschap van de geest! Hoe dor en gevoelloos zijt gij zonder Jezus! Hoe dwaas en hoe ijdel, wanneer gij iets zoekt buiten Jezus! Is dit geen groter verlies, dan indien gij de gehele wereld verloort? 

 

2. Wat kan de wereld u baten zonder Jezus? Zonder Jezus te blijven is een nare hel; en met Jezus te zijn, is een zoet paradijs. Als Jezus met u is kan geen vijand u deren. Wie Jezus vindt, vindt een goede schat, ja een goed boven alle goed. En wie Jezus verliest, verliest veel en zeer veel, ja meer dan geheel de wereld. Hij is arm, die zonder Jezus leeft, en overvloedig rijk, die wèl staat met Jezus. 

 

3. Het is een grote kunde met Jezus wèl weten te verkeren; en het is een grote voorzichtigheid, Jezus te bewaren. Wees ootmoedig en vreedzaam, en Jezus zal met u zijn. Wees godvruchtig en stil, en Jezus zal met u blijven. Gij kunt Jezus licht verwijderen, en zijn genade verliezen, als gij u naar ‘t uitwendige wilt keren. En als gij Hem verjaagt en verloren hebt, tot wie zult gij dan uw toevlucht nemen en wie zult gij dan tot vriend kiezen? Zonder vriend kunt gij niet gelukkig leven; en indien Jezus voor u niet de beste vriend is, zo zult gij uzelf te verdrietig en verlaten vinden. Gij handelt dan zeer dwaas, indien gij in iemand anders uw betrouwen stelt of uw blijdschap. Het zou beter zijn, de gehele wereld tegen u te hebben, dan in ongenade met Jezus te zijn. Dat dan, onder allen die u dierbaar zijn, Jezus alleen uw bijzondere vriend en welbeminde zij. 

 

4. Bemin alle mensen om Jezus, maar Jezus om Hemzelf. Jezus Christus alleen moet met voorkeur bemind worden, want Hij alleen is een goede en getrouwe vriend onder alle vrienden. Om Hem, en in Hem moet gij vrienden en vijanden liefhebben, en gij moet hem voor hen allen bidden, opdat allen Hem mogen kennen en beminnen. Begeer nooit boven anderen geprezen of bemind te worden; want dat komt God alleen toe, die zijns gelijke niet heeft. Begeer ook niet, dat iemand in zijn hart met u bekommerd zij, en wees gijzelf niet met iemands liefde ingenomen; maar (wens) dat Jezus in u en in alle mensen goed leve. 

 

5. Wees zuiver en vrij van hart, zonder gehechtheid aan enig schepsel. Gij moet van alles ontbloot zijn, en een zuiver hart tot God opdragen, indien gij wilt rusten en smaken hoe zoet de Heer is (2). En voorwaar gij zult daartoe niet geraken, tenzij zijn genade u voorkome en u meetrekke, zodat gij, van alles ontmaakt en afgescheiden met Hem alleen verenigd zijt. Want als de genade Gods tot de mens komt, wordt hij tot alles in staat gesteld, en wanneer zij zich van hem verwijdert, dan wordt hij arm en krank, en als geheel overgelaten aan geselslagen. Doch zelfs in deze staat moet hij niet kleinmoedig zijn of wanhopen; maar hij moet met gelatenheid zich schikken naar de wil van God en alles wat hem overkomt verdragen ter ere van Jezus Christus; want op de winter volgt de zomer, na de nacht komt de dag terug, en na het onweer zonneschijn. 

 

1) Joh. 11: 28 2) Ps. 33: 9 

 

Hoofdstuk 9 

 

Over het derven van alle troost 

 

1. Het is niet zwaar de menselijke troost te verachten, zolang de goddelijke troost ons bijblijft. Maar het is groot ja zeer groot, zowel de goddelijke als de menselijke troost te kunnen derven, en ter ere Gods gaarne de ballingschap des harten te willen verduren, en zichzelf in niets te zoeken of zijn eigen verdiensten niet te achten. Is het iets bijzonders dat gij vrolijk en godsdienstig zijt, als de genade in u komt? Die stond is begeerbaar voor allen. Hij reist zeer makkelijk, die de genade Gods voortdraagt. En het is ook geen wonder, dat hij geen last gevoelt, die door de Almogende gedragen wordt, en geleid door de opperste Leidsman. 

 

2. Wij hebben gaarne iets tot troost; en de mens ontdoet zich bezwaarlijk van zichzelf. De heilige martelaar Laurentius heeft de wereld overwonnen, alsmede de gehechtheid aan zijn opperpriester, omdat hij alles, wat in de wereld vermakelijk scheen, versmaad heeft; ja zelfs verdroeg hij gelaten, dat Gods opperpriester Sixtus, die hij zo beminde, van hem weggenomen werd. Hij heeft dan de liefde van de mens overwonnen door de liefde van de Schepper; en hij heeft de wil van God verkozen boven de menselijke troost. Leer dan ook een teerbeminde, een boezemvriend verlaten, om de liefde Gods. Bedroef u niet, wanneer gij door een vriend verlaten wordt, wel wetende dat wij ten laatste allen toch eens moeten scheiden. 

 

3. De mens moet veel en lang in zijn binnenste strijden, eer hij zich geheel kan overwinnen, en al zijn genegenheid tot God keren. Zolang de mens op zichzelf steunt, zo is hij licht tot menselijke troost geneigd. Maar de ware vriend van Christus, en de ijverige betrachter der deugd, acht geen vertroostingen en zoekt geen zinnelijke zoetigheden, maar veeleer zware oefeningen, en zware arbeid te lijden voor Christus. 

 

4. Als u dus geestelijke vertroosting door God gegeven wordt, neem die met dankbaarheid aan; maar bedenk, dat het Gods geschenk is, en niet uw verdienste. Wil er u niet om verheffen, of u er over verblijden, noch te veel laten voorstaan: maar verootmoedig u te meer over de gift, en wees omzichtiger, en behoedzamer in al uw werken; want dat uur zal voorbijgaan, en de bekoring zal volgen. Als u de vertroosting onttrokken wordt, wees daarom niet wanhopig; maar wacht met ootmoed en geduld het hemels bezoek af; want Hij is machtig om u nog groter vertroosting te hergeven. Dit is geen nieuws of niets vreemds voor hen, die in de weg des Heren ervaren zijn; de grootste Heiligen en de Profeten van het Oud Verbond hebben dikwijls deze afwisseling ondervonden. 

 

5. Daarom sprak een van hen, als hij de troost van de genade gevoelde: "In mijn overvloed heb ik gezegd: ik zal in eeuwigheid niet wankelen."(1) Maar wat hij in zich ondervond, als hem de genade onttrokken werd, laat hij volgen in deze woorden: "Gij hebt uw aanschijn van mij afgekeerd, en ik ben ontroerd geworden"(2). Hij is nochtans niet wanhopig te midden van deze ontsteltenis, maar hij bidt God des te vuriger, en zegt: "O Heer, tot U zal ik roepen, en ik zal mijn God smeken" (3). En ten laatste oogst hij de vrucht van zijn gebed, en getuigt dat hij verhoord werd, als hij zegt: "De Heer heeft geluisterd, en heeft medelijden met mij gehad; de Heer is mijn Helper geworden"(4). Maar waarin? "Gij hebt, zegt hij, mijn wenen in blijdschap veranderd, en mij met vreugde omringd" (5). Indien het met grote Heiligen aldus gegaan is, zo moeten wij, die krank en arm zijn, niet kleinmoedig worden, al is het dat wij nu eens vurig, en dan weder koud worden; want de geest Gods komt en gaat weg volgens het welbehagen van zijn wil. Daarom zegt de heilige man Job: "Gij bezoekt de mens van de dageraad af, en eensklaps beproeft Gij hem" (6). 

 

6. Waar mag ik dan mijn hoop in stellen, of waar mag ik mij dan op verlaten, tenzij alleen op de grote barmhartigheid Gods, en op de verwachting van de hemelse genade. Want er mogen al goede mensen zijn en godvruchtige medebroeders, en getrouwe vrienden, heilige boeken, schone verhandelingen of zoete gezangen, dat alles kan maar weinig helpen en bevallen, wanneer mij de genade verlaten heeft, en ik aan mijn eigen armoede ben overgelaten. Dus is er geen beter middel dan verduldig te zijn, en mijzelf aan de wil van God over te geven. 

 

7. Nooit heb ik iemand gevonden, zo godvruchtig en zo ijverig of somtijds ondervond hij onttrekking van genade, en gevoelde vermindering van vurigheid. Nooit is er een Heilige zo hoog opgetogen en verlicht geweest, of hij is vroeg of laat met kwelling beproefd geworden. Want hij is onwaardig hoog in beschouwing opgetogen te worden, die te voren om God niet is beproefd geweest door enig lijden en zwarigheid. Ook is de bekoring meestal een voorteken dat de troost volgen zal. Want de hemelse vertroosting wordt beloofd aan die door de bekoring beproefd zijn. "Wie overwint, zegt de Heer, zal Ik te eten geven van de boom des levens" (7). 

 

8. En de goddelijke troost wordt gegeven, opdat de mens sterker worde om alle zwarigheden te verdragen. En dan volgt weder de bekoring, opdat hij zich niet verheffe over het goed. De duivel slaapt niet, en ons vlees is ook niet verstorven: daarom houd niet op u tot de strijd te bereiden; want ter rechter en ter linkerzijde hebt gij vele vijanden, die nimmer rusten. 

 

(1) Ps. 29: 7 (2) Ps. 29: 8 (3) Ps. 29: 9 (4) Ps. 29: 11 (5) Ps. 29: 12 (6) Job 7: 18 (7) Apoc. 2: 7 

 

 

Hoofdstuk 10 

 

Over de dankbaarheid van Gods genade 

 

1. Waartoe zoekt gij rust, daar gij geboren zijt om te arbeiden? (1). Bereid u meer tot lijden dan tot verblijden, meer om uw kruis te dragen, dan om vreugde te genieten. Wie van de wereldse mensen zelfs zou niet gaarne vertroostingen en geestelijke blijdschap aannemen, indien hij ze altoos kon bekomen? Want de geestelijke vertroostingen gaan alle wereldse genoegens en lichamelijke lusten verre te boven. Al de genoegens dezer wereld zijn of ijdel of schandelijk: de geestelijke genietingen zijn alleen eerbaar en vermakelijk, als voortkomende uit de deugd, en door God ingestort in de zuivere harten. Maar niemand kan de goddelijke vertroostingen altijd naar eigen behagen genieten, want de tijd der bekoring houdt nooit lang op. 

 

2. Doch een valse vrijheid van geweten en een groot zelfbetrouwen beletten zeer de hemelse bezoeken. 

God doet wèldaad, met de genade der vertroosting de schenken; maar de mens handelt kwalijk, als hij Hem niet alles wedergeeft door de dankzegging. En, daarom vloeien de gaven der genaden in ons niet wijl wij jegens God ondankbaar zijn en wij niet alles wedersturen tot de Bronwel. Want hij verdient altijd nieuwe genaden, die naar de eis dankbaar is; maar God ontneemt de hovaardige, wat hij gewoonlijk aan de ootmoedige geeft. 

 

3. Ik wil de vertroosting niet, die mij de vermorzeling des harten beneemt, en ik begeer geen beschouwing, die tot hovaardigheid voert. Want niet al het hoge is heilig, en niet al het zoete goed: alle wensen zijn niet rein en niet al het liefelijke aangenaam aan God. Ik ontvang gaarne zulke genade, waardoor ik altijd ootmoediger, godvrezender en bereidwilliger word om mijzelf te verloochenen. Die onderwezen is door de genade, en dikwijls gekastijd door de onttrekking van die genade, zal zichzelf niets goeds durven toeschrijven; maar zal zich eerder naakt en arm belijden. Geef God wat God toekomt (2), en schrijf aan uzelf toe wat het uwe is: bedank God voor zijn genaden, en belijd dat gij aan uzelf alleen de zonden en billijke straf voor de zonde te wijten hebt. 

 

4. Stel u altijd op de laatste plaats (3), en de eerste zal u gegeven worden; want het verhevenste kan zonder het nederigste niet bestaan. De grootste heiligen bij onze Heer staan allerlaagst bij zichzelf; hoe meerder zij verheven worden, hoe nederiger zij van hart zijn. Daar zij vervuld zijn met de waarheid en hemelse glorie, zo zoeken zij geen ijdele glorie. Daar zij in God wel gevestigd zijn, kunnen zij geenszins hovaardig zijn. Wijl zij aal goed aan God toeschrijven, zo begeren zij niet geprezen te worden van elkander, maar zij zoeken alleen de glorie, die van God komt (4). En zij begeren en wensen, dat God in hen en in alle heiligen boven al geprezen worde, en altoos streven zij naar dit. 

 

5. Wees God dan dankbaar voor de minste weldaad, en gij zult waardig worden grotere gaven te ontvangen. Houd de allerminste genade voor zeer groot, en het meer onaanzienlijke voor een bijzondere weldaad. Als men de waardigheid van de Gever inziet, zo zal geen gave slecht of klein wezen; want het kan niet klein wezen, wat door de Allerhoogste gegeven wordt. Ja, al is het dat Hij ons straffen en plagen overzendt, wij moeten die in dank aannemen; want al wat Hij ons laat overkomen, is dienstig voor onze zaligheid. Wie dan de genade Gods zoekt te behouden, moet dankbaar zijn voor geschonken genade, verduldig als hem die onttrokken wordt, bidden, opdat zij wederkome, voorzichtig en ootmoedig zijn, om ze niet te verliezen. 

 

(1) Job 5: 7 (2) Luk. 14 (3) Luk. 14 (4) Joh. 5: 44 

 

 

Hoofdstuk 11 

 

Over het klein getal der minnaars van Jezus’ kruis 

 

1. Velen zijn er die naar het hemels rijk van Jezus verlangen, maar weinigen die zijn kruis willen dragen. Hij heeft er velen, die zijn vertroosting, maar weinigen die zijn lijden zoeken. Hij vindt er velen met Hem aan tafel en weinigen, die met Hem willen vasten. Zij willen zich allen met Hem verblijden; maar weinigen willen voor Hem iets lijden. Velen volgen Jezus tot het breken van het brood; maar weinigen tot het drinken van de lijdenskelk. Velen vereren zijn mirakelen, maar weinigen volgen Hem in de smaad van zijn kruis. Velen hebben Jezus lief, zolang hun geen tegenspoeden overkomen. Velen danken en zegenen Hem, zolang zij enige vertroosting van Hem ontvangen. Maar als Jezus zich verbergt, en hen een tijdje verlaat, dan vallen zij in klachten of in grote neerslachtigheid. 

 

 

 

2. Maar die Jezus beminnen om Jezus zelf en niet om hun eigen troost, zegenen Hem in alle lijden en zwarigheid zowel als in de allerzoetste vertroostingen. En al wilde Hij hun nooit troost verlenen, nog zouden zij Hem altijd willen loven en danken.  

 

 

3. Ach, hoe krachtig is niet de reine liefde van Jezus, wanneer zij niet gemengd is met eigenliefde of eigenbelang! Mogen zij, die altijd vertroostingen zoeken, dan niet met recht loonknechten genoemd worden? Tonen zij niet, die altijd eigenbaat en voordelen in het oog houden, dat zij eerder minnaars zijn van zichzelf dan van Jezus Christus. Waar zal men iemand vinden, die God om niet wil dienen? 

 

4. Zelden wordt er iemand zó verstorven gevonden dat hij van alles ontbloot is. Want waar zult gij iemand vinden, die oprecht arm van geest is, onthecht van alle schepsel? Verre en tot de uiterste grenzen is deze schat te zoeken (1). Want al gaf iemand al zijn vermogen, dat betekent nog niets. En al deed hij grote boetvaardigheid, dat is nog onbeduidend. Al is hij ervaren in alle wetenschap, daar is hij niet veel mede gevorderd. En al bezat hij een grote deugd, en een zeer vurige godsvrucht, nog ontbrak hem veel: één zaak, die hem hoogst nodig is. En wat is dat? Het is dat hij alles verlaten hebbende, zichzelf verzake, en niets overhoude van de eigenliefde. En na alles te hebben gedaan wat hij wist te moeten doen, hij dan nog denke niets gedaan te hebben. 

 

5. Dat hij weinig achte wat voor groot aangezien zou kunnen worden; maar dat hij oprecht erkenne, dat hij een onnutte knecht is, gelijk de Waarheid zelf zegt: "Wanneer gij alles gedaan hebt, wat u bevolen is, zo zegt: wij zijn onnutte knechten (2). Dan zal hij in geestelijke zin arm en naakt kunnen zijn, en met de profeet mogen zeggen: "Ik ben alleen, en ik ben arm" (3). Nochtans is er niemand rijker, niemand machtiger, niemand vrijer dan hij, die zichzelf en alles weet te verzaken, en zich op de laagste plaats kan stellen. 

 

(1) Prov. 31: 10 (2) Luk. 17: 10 (3) Ps. 24: 16 

 

 

Hoofdstuk 12  

 

Over de koninklijke weg van het heilig Kruis 

 

1. Velen schijnt dit een hard woord: Verloochen uzelf, neem uw kruis op, en volg Jezus (1). Maar het zal veel harder om te horen zijn dit laatste woord: "Gaat van mij, vervloekten, in het eeuwig vuur"(2). Want die nu gaarne het woord omtrent het kruis horen en opvolgen, zullen alsdan niet moeten vrezen voor het vonnis der eeuwige verwerping. Dat kruisteken zal in de lucht verschijnen, wanneer de Heer zal komen om te oordelen. Dan zullen alle dienaren van het kruis, die zich hier in hun leven aan de gekruisigde hebben gelijkvormig gemaakt, met groot vertrouwen de rechter treden. 

 

2. Waarom dan vreest gij nu het kruis op te nemen, waarmee men tot het eeuwig rijk komt? In het kruis ligt zaligheid, in het kruis het leven, in het kruis bescherming tegen de vijanden, in het kruis een vloed van bovenaardse zoetheid, in het kruis de sterkte van het hart, in het kruis vreugde van geest, in het kruis het toppunt der deugd, en de volmaakte heiligheid. Daar is geen behoud voor onze ziel, of geen hoop op het eeuwig leven, dan in het kruis. 

 

Neem dan het kruis op, en volg Jezus, en gij zult het eeuwig leven ingaan. Hij is voorop gegaan, dragende zijn kruis, en Hij is voor u aan het kruis gestorven, opdat gij ook uw kruis zoudt dragen, en volgaarne sterven aan het kruis. Want indien gij met Hem sterft, zo zult gij ook met Hem leven; en indien gij zijn deelgenoot zijt in de smarten, zult gij het ook zijn in de glorie" (3). 

 

3. Zie, alles bestaat dan in het kruis, en in te verstervenis het al gelegen; en daar is geen andere weg tot het leven en tot de ware inwendige vrede, dan de weg van het H. Kruis en van de dagelijkse versterving. 

Ga heen waar gij wilt, zoek wat gij wilt, en gij zult omhoog geen verhevener weg, of beneden geen veiliger weg vinden dan de weg van het H. Kruis. Beschik en regel alles volgens uw wil en goeddunken, en gij zult bevinden dat gij altoos iets moest lijden, hetzij met zin of tegenzin: en zo zult gij altijd een kruis vinden. Want, of gij zult een pijn gevoelen in uw lichaam, of enig geestelijke kwelling in uw ziel verduren. 

 

4. Somtijds zult gij van God verlaten zijn, dan weder door de naaste gekweld worden, en wat meer is, dikwijls zult gij uzelf tot last dienen. En nochtans zult gij door geen enkel red- of troostmiddel verlost of verlicht kunnen worden, maar gij moet het verdragen zolang het God zal believen. Want God wil, dat gij leert bekoringen verdragen zonder vertroosting; en dat gij u gans aan Hem onderwerpt, en ootmoediger wordt door het lijden. Niemand beseft Christus’ lijden zo hartelijk, als hij die ook iets geleden heeft. Het kruis is dan altoos bereid, en het wacht u overal. En waar gij ook lopen moogt, gij kunt het niet ontvluchten; want waar gij ook komt, draagt gij uzelf altijd mede, en gij zult uzelf altijd vinden. Hef u opwaarts, buig u nederwaarts, keer u buitenwaarts of binnenwaarts, en overal zult gij uw kruis vinden. En gij moet overal het geduld oefenen, indien gij de inwendige vrede bezitten wilt, en de eeuwige kroon verdienen. 

 

5. Indien gij het kruis gewillig draagt, het zal u ook dragen en het zal u brengen naar het gewenste einddoel, waar het lijden zal ophouden, maar dat zal niet hier zijn. Indien gij uw kruis ongewillig draagt, zo makt gij u een last, en gij belaadt u nog zwaarder; en evenwel moet gij het toch dragen. Indien gij een kruis afwerpt, zult gij er buiten twijfel een ander vinden, en misschien nog zwaarder. 

 

6. Meent gij te ontgaan wat nooit één sterveling heeft kunnen vermijden? Welke Heilige is er in deze wereld vrij geweest van kruis en lijden? Onze Heer en onze God, Jezus Christus zelf, is nooit een enkel uur zonder lijdenssmart geweest, zolang Hij geleefd heeft. Gelijk Hij zelf zegt: "Het stond vast dat Christus moest lijden, en van de dood verrijzen, en alzo tot zijn heerlijkheid ingaan" (4). En gij, hoe zoekt gij dus een andere weg dan deze koninklijke weg, de weg van het H. Kruis. 

 

7. Geheel het leven van Jezus Christus is een gedurig kruis en lijden geweest; en voor u zoekt gij rust en blijdschap! Gij dwaalt, zo gij iets anders zoekt dan gekweld te worden en te lijden; want gans dit sterfelijk leven is vol ellende en overal bezet met kruisen. En hoe meer iemand, in het geestelijk leven gevorderd is, des te zwaarder kruisen hij dikwijls vindt; omdat door zijn liefde de druk van zijn verbanning aangroeit. 

 

8. Nochtans is iemand, door zoveel lijden beproefd, niet van opbeuren en troost verstoken, omdat hij beseft dat hem met het dragen van zijn kruis vele vruchten toekomen. Want daar hij zichzelf gewillig onder het kruis buigt zo wordt alle last van kwelling, veranderd in vertrouwen op goddelijke troost. En hoe meer zijn vlees door het lijden afgemat wordt, des te meer wordt zijn geest versterkt door de inwendige genade. Ja, somtijds wordt hij zodanig versterkt door de liefde voor lijden en tegenspoed, uit zucht naar overeenstemming met de gekruisigde Christus, dat hij zonder pijn of kwellingen niet zou willen zijn: want hij gelooft dat hij God zoveel te aangenamer is, hoe meer hij voor Hem kan lijden. Dit is geen werk van mensenkracht, maar van Gods genade, die op de boze mens zoveel uitwerkt dat hij uit geestelijke vurigheid dat aanneemt en bemint, waar hij van natuur altijd een afkeer en schrik van heeft. 

 

9. Het is zeker geen mensenwerk, het kruis te dragen, het kruis te beminnen, het lichaam te kastijden en te brengen onder bedwang, de eer te vlieden, gaarne versmaadheden te verdragen, zichzelf te minachten en wensen door anderen misacht te worden, alle tegenspoed en schade te lijden, en geen de minste voorspoed in de wereld te begeren. Dus indien gij uzelf beziet, kunt gij door eigen krachten niets van die aard uitvoeren. Maar indien gij op de Heer vertrouwt,, zo zal u uit de hemel sterkte gegeven worden, en de wereld en het vlees zullen u onderworpen zijn. Zelfs zult gij de helse vijand niet vrezen, als gij gewapend zijt met een vast geloof, en getekend met het kruis van Christus. 

 

10. Bereid u dan, als goed en trouw dienaar van Christus, om het kruis van uw Heer, die uit liefde voor u gestorven is, moedig te dragen. Bereid u om veel tegenspoed en ongemakken in dit ellendig leven te lijden: want zó zal uw lot zijn waar gij ook verblijven moogt; en zó zult gij ‘t in werkelijkheid bevinden, in welke plaats gij u ook verbergt. Het moet zo zijn: en er is geen hulpmiddel voor zovele kwellingen, dan dat gij u daarin getroost. Drink met blijdschap de kelk des Heren, indien gij Zijn vriend wilt zijn, en met Hem deel hebben in zijn rijk. Beveel de vertroostingen aan God; laat Hem daarmede doen gelijk het Hem belieft. Maar gij, zet er u toe om kwellingen te lijden, en houd ze voor grote vertroostingen; want de pijnen en het lijden van deze tijd zijn niet te vergelijken bij de toekomende glorie (5), al zoudt gij ze alle kunnen lijden. 

 

11. Als gij zover gekomen zult zijn, dat u het lijden om Christus’ wil zoet en smakelijk is, reken dan dat het u welgaat, want gij hebt een paradijs gevonden op aarde. Zolang het leven u zwaar valt, en gij het zoekt te ontgaan, zolang zult gij het kwaad hebben, en beduchtheid voor leed zal u overal volgen. 

 

12. Indien gij u toelegt op wat gij zijn moet, namelijk om te lijden en te sterven, zo zal het met u welhaast beter gaan, en gij zult rust vinden. Al waart gij met Petrus opgetogen tot de derde hemel, nog zijt gij niet beveiligd voor alles wat tegenstaat: Ik zal hem tonen, zegt Jezus, hoeveel hij om mijn naam moet lijden (6). Daar blijft u niets over dan te lijden, indien gij Jezus wilt beminnen en voor altoos dienen. 

 

13. Och, of gij waardig waart voor de naam van Jezus iets te lijden! Wat grote heerlijkheid zou u te wachten zijn, wat vreugde voor alle Heiligen Gods en hoeveel stichting ook voor uw naaste! Want alle mensen prijzen de lijdzaamheid, alhoewel er weinigen zijn, die iets willen lijden. Met recht zoudt gij gaarne iets voor Christus moeten lijden, aangezien er zovelen zijn, die wat ergers lijden voor de wereld. 

 

14. Houd voor zeker, dat uw leven een gedurig afsterven moet zijn; en dat hoe meer de mens zichzelf afsterft, hoe meer hij voor God begint te leven. Niemand is bekwaam het hemelse te begrijpen, tenzij hij zich ootmoedig onderwerpe om leed te verdragen voor Christus. Daar is niets aangenamer aan God, en niets is voor u heilzamer in deze wereld, dan blijmoedig te lijden voor Jezus Christus. En indien gij te kiezen hadt, zoudt gij eerder moeten wensen tegenspoed te lijden voor Christus, dan met vele vertroostingen te worden verkwikt: want zo zoudt gij aan Christus en aan alle Heiligen meer gelijkvormig zijn. Want onze verdiensten en onze vooruitgang in onze roeping bestaan niet in vele zoetigheden en vertroostingen: maar eerder in grote zwarigheden en harde kwellingen te verdragen. 

 

15. Ware er iets beter, iets voordeliger geweest voor de zaligheid van de mens dan het lijden, Christus zou het zeker door woorden en werken getoond hebben. Maar nu vermaant Hij openlijk zijn Leerlingen en al die Hem volgen willen, om het kruis te dragen, en zegt: Indien iemand na Mij wil komen, hij verloochene zichzelf, neme zijn kruis op en volge Mij"(7). Na alles dus doorlezen en onderzocht te hebben, laten wij tot deze slotsom komen: Dat wij door vele kwellingen heen in het rijk Gods moeten binnengaan (8). 

 

(1) Luk. 9: 23 (2) Matt. 25: 41 (3) Rom. 6 (4) Luc. 24: 46 (5) Rom. 8: 18 (6) Hand. 9: 16 (7) Luc. 9: 23 (8) Hand. 14: 24 

 

 

 

Boek III 

 

 

Inhoud  

 

1. Over het inwendig gesprek van Christus met de gelovige ziel 

2. De waarheid spreekt in ons zonder gedruis van woorden 

3. Gods woord moet met ootmoed aanhoord worden, maar velen tellen het niet 

4. Men moet voor God wandelen in waarheid en ootmoed 

5. Over de wonderbare invloed der liefde Gods 

6. Hoe de oprechte liefde getoetst wordt 

7. Men moet de genade verbergen onder de hoede der nederigheid 

8. Over de minachting van zichzelf voor Gods ogen 

9. Alles moet tot God, als tot het laatste einde teruggebracht worden 

10. Het is zoet met de versmading der wereld God te dienen 

11. Men moet de begeerte van zijn hart onderzoeken en regelen 

12. Over het beoefenen van geduld en het worstelen tegen de driften 

13. Over de gehoorzaamheid van een nederig onderdaan 

14. Hoe wij de verborgen oordelen van God moeten beschouwen, om ons over het goede te verheffen 

15. Hoe men zich moet houden en spreken, als in ons enige troost ontstaat 

16. Oprechte troost moet men alleen in God zoeken 

17. Men moet alle zorg in God stellen 

18. De tijdelijke ellenden, moeten wij naar het voorbeeld van Jezus, gelijkmoedig dragen 

19. Hoe men beledigingen moet verdragen, en wie zich waarlijk geduldig toont 

20. Over de erkenning van zijn eigen zwakheid en over de ellende van dit leven 

21. Boven alle goederen en gaven moet men in God alleen rust zoeken 

22. Over het gedenken van Gods weldaden 

23. Over de vier vereisten voor grote zielenvrede 

24. Dat men het nieuwsgierig onderzoeken omtrent een anders leven moet vermijden 

25. Over de duurzame vrede des harten, en waarin de ware voortgang bestaat 

26. Over de grote waarde van een vrij gemoed, dat men eer bekomt door het smeekgebed dan met het lezen 

27. Dat eigenliefde allermeest van het hoogste goed verwijdert 

28. Goede raad tegen kwaadsprekers 

29. Hoe men in tegenspoed God moet aanroepen en zegenen 

30. Dat wij Gods hulp moeten afsmeken en op de terugkeer van zijn genade vertrouwen 

31. Men moet elk schepsel versmaden om de Schepper te kunnen vinden 

32. Over de zelfverloochening en de verzaking van alle begeerlijkheid 

33. Over de onstandvastigheid des harten, en de plicht ons einddoel in God te stellen 

34. Wie God bemint, vindt bij alles en boven alles in Hem zijn genoegen 

35. In dit leven is men niet beveiligd tegen bekoringen 

36. Men moet de ijdele oordelen der mensen niet vrezen 

37. Men moet zichzelf volledig en zuiver aan God overgeven, om de vrijheid des harten te bekomen 

38. Over de goede regeling van het inwendig gedrag en de toevlucht tot God in de gevaren 

39. Dat men in zijn zaken niet al te bezorgd moet zijn 

40. De mens heeft niets goeds uit zichzelf en mag zich nergens over beroemen 

41. Over het verachten van alle tijdelijke eer 

42. Dat wij de vrede niet van mensen moeten laten afhangen 

43. Tegen de ijdele wetenschap der wereld 

44. Men moet zich de uitwendige dingen niet te veel aantrekken 

45. Dat men iedereen niet moet geloven, en hoe licht men in woorden struikelt 

46. Dat men zijn vertrouwen op God moet stellen, als pijlen van boze tongen ons treffen 

47. Voor het eeuwig leven moet men alle bezwaren verdragen 

48. Over de dag der eeuwigheid en de ellenden van dit leven 

49. Over het verlangen naar het eeuwig leven, en hoe grote goederen beloofd zijn aan de strijders 

50. Hoe de troosteloze mens zich in Gods handen moet overgeven 

51. Men moet zich op nederige werken toeleggen, als men tot meer verheven onbekwaam is 

52. De mens achte zich geen troost, maar eer straf waardig 

53. Dat Gods genade niet samengaat met aardsgezindheid 

54. Over de tegenstrijdige aandoeningen der natuur en der genade 

55. Over de verdorvenheid der natuur en de kracht der goddelijke genade 

56. Dat men zichzelf verloochenen moet, en Christus navolgen door het kruis 

57. Dat wij niet neerslachtig mogen worden als ons enig bezwaar overvalt 

58. Dat men te verheven en Gods verborgen oordelen niet moet willen doorvorsen 

59. Dat men al zijn hoop en betrouwen op God alleen moet vestigen 

 


Hoofdstuk 1 

 

Over het inwendig gesprek van Christus met de gelovige ziel 

 

 

1. De ziel. - Ik zal aanhoren wat God de Heer in mij spreekt (1). 

Zalig de ziel, die in zich de Heer hoort spreken, en uit zijn mond een troostwoord ontvangt. Zalig de oren, die trillingen van goddelijke inspraak horen (2), en geen acht geven op influisteringen der wereld. Zalig voorwaar de oren, die niet naar de stem luisteren die van buiten spreekt, maar naar de waarheid, die van binnen onderwijst. Zalig de ogen, die, gesloten voor het uitwendige, alleen gevestigd zijn op het inwendige. Zalig zij, die het inwendige doordringen, en die zich door dagelijkse oefeningen meer en meer trachten voor te bereiden om de hemelse verborgenheden te kennen. Zalig zij, die hun vermaak stellen om met God onledig te zijn en zich los te rukken van alle hindernis der wereld. Bemerk wel deze dingen, mijn ziel, en sluit de deuren van uw zinnelijkheid, opdat gij moogt horen wat de Heer uw God in u spreekt. 

 

2. Christus. - Ziehier wat uw beminde zegt: Ik ben uw heil, uw vrede en uw leven. Houd u bij mij, en gij zult rust vinden. Laat al het vergankelijke varen, en zoek het eeuwigdurende. Wat zijn alle tijdelijke dingen anders dan bedrog? En wat baten al de schepselen, als gij van de Heer verlaten wordt? Laat dan alles varen, en maak u aangenaam en getrouw aan uw Schepper, opdat gij het waar geluk moogt bereiken. 

 

Ps. 84: 9 Job 4: 2 

 

 


Hoofdstuk 2 

 

De waarheid spreekt in ons zonder gedruis van woorden

 

1. De ziel. - Spreek Heer, want uw dienaar luistert (1). 

Ik ben uw dienaar; geef mij verstand opdat ik uw geboden moge kennen(2). Neig mijn hart naar de woorden van uw mond: dat uw spraak als morgendauw vloeie. (2) De kinderen van Israël zeiden eertijds tot Mozes: Spreek gij tot ons, en wij zullen luisteren; maar dat de Heer tot ons niet spreke, opdat wij niet sterven (3). 

O Heer, zó bid ik niet: maar liever smeek ik ootmoedig met de profeet Samuel: Spreek, Heer! Want uw dienaar luistert (4). Niet Mozes spreke tot mij, of iemand van de profeten, maar spreek Gij liever, Heer! Die de ingever en de verlichter van al de Profeten zijt; want Gij alleen kunt zonder hen mij volkomen leren; maar zij vermogen zonder U niets. 

 

2. Zij kunnen wel woorden laten klinken, maar de geest geven zij niet. Zij spreken zeer schoon; maar als Gij zwijgt, kunnen zij het hart niet ontvlammen. Zij leren ons de letter; maar Gij ontsluiert de zin. Zij stellen de geheimen voor; maar Gij licht de zegel op, die ze voor ‘t verstand verborgen hield. Zij verkondigen uw geboden, maar Gij helpt om ze te volbrengen. Zij wijzen de weg, maar Gij geeft sterkte om die te bewandelen. Zij werken alleen van buiten, maar Gij onderwijst en verlicht de harten. Zij besproeien van buiten, maar Gij geeft de vruchtbaarheid. 

Zij roepen met woorden, maar Gij geeft aan ‘t gehoor de gave om te verstaan. Dat Mozes dan niet tot mij spreke; maar Gij, mijn God, die de eeuwige Waarheid zijt, spreek Gij, opdat ik niet sterve, en niet zonder vrucht blijve luisteren, als ik alleen door uitwendige raad vermaand en van binnen niet ontvlamd word! Opdat het mij geen vonnis berokkene, uw woord gehoord en niet volbracht, gekend en niet bemind, geloofd en niet onderhouden te hebben. Spreek dan, Heer, want uw dienaar luistert: Gij hebt immers de woorden van het eeuwig leven (5). Spreek tot mij om enige troost aan mijn ziel te geven, en tot verbetering van geheel mijn leven; alsook tot uw lof, uw eer en uw eeuwige glorie. 

 

(1) 1 Kon. 3: 9 (2) Ps. 118: 125 (3) Ex. 20: 9 (4) 1 Kon. 3: 9 (5) Joh. 6: 69 

 

 

 


Hoofdstuk 3 

 

Gods woord moet met ootmoed aanhoord worden, maar velen tellen het niet. 

 

1. Christus. - Zoon, luister naar mijn woorden, die zeer zoet en die al de wetenschap van wijzen en denkers dezer wereld te boven gaan. Mijn woorden zijn geest en leven (1), en zijn niet te schatten naar het menselijk verstand. Men mag ze niet tot ijdel behagen misbruiken: maar men moet ze in stilte aanhoren, en met alle ootmoed en vurige begeerte ontvangen. 

 

2. De ziel. - En ik heb gezegd: Gelukkig de mens, o Heer! Die Gijzelf onderricht en in uw wet onderwijst, zodat hij in kwade dagen bij U leniging vindt (2), en dat hij niet zonder troost zij op aarde. 

 

3. Christus. - Ik heb van het begin de Profeten onderwezen, en tot heden toe houd ik niet op tot alle mensen te spreken. Maar velen zijn doof voor mijn stem, en ongevoelig. Het grootste getal hoort liever de wereld dan God: zij volgen liever de lust van het vlees dan het welbehagen van God. De wereld belooft tijdelijke en nietige dingen, en zij wordt met grote vlijt gediend; ik beloof eeuwige en allergrootste goederen, en de harten der mensen zijn ongevoelig. Wie dient en gehoorzaamt mij in alles met zo grote zorg, als waarmede men de wereld en haar meesters dient? Schaam u Sion, zegt de zee (3). En vraagt gij waarom, hoor de reden: Zie, om een klein gewin doet men verre reizen, en voor het eeuwig leven wordt er door velen niet één voet gezet. Het slechtste gewin wordt ijverig nagejaagd; men twist schandelijk om een weinig geld; men aarzelt niet dag en nacht te zwoegen voor een beuzeling en voor een geringe belofte. 

 

4. En nochtans, o schande, voor een onveranderlijk goed, voor een onwaardeerbaar loon, voor de allerhoogste eer en oneindige glorie, is men te lui om zich een weinig te vermoeien. Schaam u dan, gij, trage en klaagzieke knecht; de minnaars der wereld zijn veel vlijtiger voor hun verderf, dan gij om het eeuwig leven te bekomen. Zij verblijden zich meer om een waan dan gij om de waarheid. 

En nochtans worden zij dikwijls in hun hoop teleurgesteld; mijn belofte daarentegen bedriegt niemand, en laat niemand, die op Mij vertrouwt, ijdel weggaan. Wat Ik beloofd heb, zal Ik geven; wat Ik gezegd heb, zal Ik doen, zo men slechts tot het einde toe in mijn liefde getrouw blijve. Ik ben de loner van al de goede mensen en een sterke beproever van de rechtvaardigen. 

 

5. Schrijf mijn woorden in uw hart, en overdenk ze zorgvuldig; want in de tijd der bekoring zult gij ze groot nodig hebben. Wat gij niet verstaat, als gij het leest, zult gij begrijpen op de dag der bezoeking. Ik bezoek gewoonlijk mijn uitverkorenen op tweeërlei wijzen: door beproeving en vertroosting. En Ik lees hun alle dag twee lessen voor; in de eerste berisp Ik hen over hun gebreken; in de andere vermaan Ik hen tot vooruitgang in de deugd. Die mijn woorden hoort en ze versmaadt, zal een rechter vinden in de jongste dag (4). 

 

 

Gebed Om de genade van godsvrucht te bekomen. 

 

6. O mijn Heer en mijn God! Gij zijt al mijn goed; en wie ben ik, om tot U te durven spreken? Ik ben uw allerarmste dienaar, een verworpen aardworm, veel armer en verachtelijker dan ik zelf weet of durf zeggen. Gedenk evenwel mij, o Heer! Daar ik niets ben, en niets vermag. Gij alleen zijt goed, rechtvaardig en heilig; Gij kunt alles, verleent alles, vervult alles: de zondaar alleen laat Gij ijdel staan. Wees toch uw barmhartigheden indachtig, en vervul mijn hart met uw genade, Gij die niet wilt dat uw werken doelloos blijven. 

 

7. Hoe kan ik in dit ellendig leven mijn lot verdragen, indien uw genade en uw barmhartigheid mij niet versterken? Wil uw aanschijn van mij niet afkeren; wil uw bezoek niet uitstellen: wil uw vertroosting niet onttrekken, opdat mijn ziel voor U niet worden als een landstreek zonder water (5). Heer, leer mij uw wil volbrengen (6); leer mij waardig en ootmoedig voor U wandelen; want Gij zijt mijn wijsheid; Gij kent mij oprecht en Gij hebt mij gekend eer ik in de wereld geboren werd en zelfs eer de wereld ontstond. 

 

(1) Joan. 6: 64 (2) Ps. 93: 12,13 (3) Is. 23: 4 (4) Joan. 12: 48 (5 en 6) Ps. 117: 6 

 

 

Hoofdstuk 4 

 

Men moet voor God wandelen in waarheid en ootmoed. 

 

1. Christus. - Zoon! Wandel voor mij in waarheid, en zoek mij altijd in de eenvoud des harten. Die voor Mij in waarheid wandelt, zal bevrijd worden van kwade aanrandingen en de waarheid zal hem verlossen van verleiding en laster der bozen. Indien de waarheid u vrijmaakt, dan zult gij waarlijk vrij zijn (1), en gij zult de ijdele woorden der mensen niet achten.  

 

2. De ziel. - Het is, Heer, gelijk Gij zegt: ik bid U, dat het mij zo geschiede. Dat uw waarheid mij lere, mij beware, en mij tot aan een zalig levenseinde behoude. Dat zij mij verlosse van alle kwade lusten en ongeregelde liefde, en ik zal met u omgaan in volle vrijheid des harten. 

 

3. Christus. - Ik zal u onderwijzen, zegt de Waarheid, al wat recht is en aan Mij behaaglijk. Denk aan uw zonden met groot leedwezen en droefheid, en laat u nooit voorstaan dat gij iets zijt om uw goede werken. Want gij zijt voorwaar een zondaar, onderhevig aan vele gebreken, en daarin verward. Van uzelf helt gij altijd over tot het niet, gij valt licht en wordt overwonnen, het kleinste ontstelt u en beneemt u de moed. Gij hebt niets waarop gij kunt roemen, maar vele redenen om uzelf gering te achten: want gij zijt veel kranker dan gij kunt begrijpen. 

 

4. Laat u dan niet voorstaan dat er iets groots zij in alles wat gij doet. Dat niets verheven zij in uw ogen, niets kostbaar, niets bewonderens- of achtingswaardig, niets uitstekend, niets loffelijk of beminnenswaardig, dan alleen wat eeuwig is. Dat de eeuwige waarheid u boven alles behage, en dat uw allergrootste nietswaardigheid u steeds mishage. Vrees niets zozeer, veracht en verafschuw niets zozeer als uw zonden en ondeugden; deze moeten u meer droefheid veroorzaken dan tijdelijke schade. Sommigen wandelen in geen oprechtheid voor mijn aanschijn; maar door nieuwsgierigheid en vermetelheid gedreven, willen zij mijn verborgenheden kennen en de diepten van God doorschouwen, terwijl zij zichzelf en hun zaligheid verwaarlozen. Dezen vallen dikwijls in zware bekoringen en zonden, wijl Ik hun wedersta om hun hovaardigheid en nieuwsgierigheid. 

 

5. Vrees de oordelen Gods, schroom voor de gramschap van de Almogende. Wil de werken van de Allerhoogste niet beoordelen; maar onderzoek uw zonden, en zie in hoeveel gij misdaan hebt en hoeveel goeds gij verwaarloosd hebt. Sommigen stellen al hun godsvrucht in boeken; anderen in afbeeldingen, anderen in uitwendige tekens en gebaren. Sommigen hebben Mij veel in de mond, maar in hun hart is er weinig van. Anderen zijn er die, verlicht in hun verstand en zuiver van hart, niet haken dan naar het eeuwige: die tegen dank van het aardse horen spreken, en die de noodwendigheden van het lichaam met tegenzin voldoen; deze gevoelen dat de Geest der waarheid in hen spreekt. Want hij leert hun het aardse versmaden, en het hemelse beminnen, de wereld verachten, en naar de hemel dag en nacht verlangen. 

 

(1) Joh. 8: 32,36 

 

 

Hoofdstuk 5 

 

Over de wonderbare invloed van de liefde Gods. 

 

1. Ik zegen U, hemelse Vader, Vader van mijn Heer Jezus Christus, omdat Gij U gewaardigd hebt mij, arm schepsel, te gedenken. O vader van barmhartigheden, en God van alle troost (1), ik dank U, omdat Gij mij, die alle troost onwaardig ben, somtijds toch gewaardigt te vertroosten. Ik geloof en verheerlijk U te allen tijde, met uw enige Zoon en de H. Geest, de Trooster, in alle eeuwen der eeuwen. Ach, mijn Heer en God, mijn heilige Minnaar! Als Gij in mijn hart zult komen, zal geheel mijn binnenste juichen. Want Gij zijt mijn glorie en de vreugde van mijn hart. Gij zijt mijn hoop en mijn toevlucht in de dag van mijn verdrukking (2). 

 

2. Maar omdat ik nog zwak ben in de liefde en onvolmaakt in de deugd, daarom heb ik nodig door U gesterkt en getroost te worden; wil mij dikwijls bezoeken en onderwijs mij in uw heilige leringen. Verlos mij van de kwade driften, en genees mijn hart van alle ongeregelde liefde; opdat ik genezen en behoorlijk gezuiverd, bekwaam worde om U te beminnen, kloek om voor U te lijden, standvastig om te volharden. 

 

3. De liefde is iets groots, ja een onschatbaar goed, welke alles licht maakt wat zwaar is, en draagt algelijk al het ongelijke. Want zij draagt alle last zonder moeite, en maakt al wat bitter is, zoet en smakelijk. De liefde van Jezus is edelmoedig; zij beweegt de mens tot grote daden, zij wekt hem op om altoos meer volmaaktheid te betrachten. De liefde wil altijd opwaarts klimmen, en door niets wederhouden worden. De liefde wil niet vrij zijn, en vreemd aan alle wereldse genegenheden, opdat haar inwendige blik niet belemmerd worde; opdat zij in geen tijdelijk voordeel verwarre, of onder nadeel bezwijke. Er is niets zoeter dan de liefde, niets is sterker, niets is verhevener, niets uitgebreider, niets vermakelijker, niets volkomener, niets beter in hemel en op aarde; want de liefde is uit God geboren, en kan nergens rusten dan in God alleen boven al het geschapene. 

 

4. Die de liefde bezit, vliegt, loopt en is blijde; hij is vrij en wordt niet weerhouden. Hij geeft alles voor alles, en bezit alles in alles, want hij berust boven alles in de Allerhoogste, uit wie alle goed vloeit en voortkomt. Hij ziet niet naar de gaven, maar verheft zich, boven alle gaven, tot de Gever zelf. De liefde houdt dikwijls geen maat, maar gelijk ziedend water loopt zij over bovenmate. De liefde voelt geen last, acht geen arbeid, wil meer doen dan zij kan, klaagt niet van haar machteloosheid, want zij meent dat zij alles kan en vermag. Zij is dan bekwaam tot alles, en brengt veel ten uitvoer en tot stand, waar een ander, die niet bemint te kort schiet en bezwijkt. 

 

5. De liefde waakt en in de slaap is zij niet slaperig. Afgemat, wordt zij niet moede; bedreigd, wordt zij niet ontsteld; maar als een heldere vlam, als een brandende fakkel breekt zij opwaarts uit, en dringt vrijelijk door. Die bemint, kent de stem der liefde. Als een luid geroep in Gods oren is de brandende begeerte van een beminnende ziel, die zegt: Mij God, mijn liefde! Gij geheel aan mij, en ik geheel aan U ! 

 

6. Breid mij uit in de liefde, opdat ik in het binnenste van mijn hart lere smaken hoe zoet het is te beminnen, in liefde te smelten, en er in te baden. Dat de liefde mij vasthoude en vervoere door de vurigheid van haar verrukkingen! Moge ik het lied der liefde zingen; U, mijn Beminde, naar den hoge volgen, en dat mijn ziel bezwijme onder het verkondigen van uw lof. Moge ik U beminnen meer dan mijzelf, en mijzelf niet dan om U, en in U allen die U oprecht liefhebben, gelijk de wet der liefde, die uit U voortkomt, het gebiedt. 

 

7. De liefde is snel, oprecht, toegenegen, vrolijk en aangedaan; kloekmoedig, verduldig, getrouw, voorzichtig, verdraagzaam, standvastig en ze zoekt zichzelf niet (3). Want zohaast iemand zichzelf zoekt, houdt hij op te beminnen. De liefde is oplettend, ootmoedig, rechtzinnig; niet maf, niet lichtvaardig, niet bekommerd met ijdele dingen; zij is matig, kuis, gestadig, bedaard, altijd waakzaam op alle zinnen. De liefde is onderworpen en gehoorzaam aan de oversten; in eigen ogen slecht en verachtelijk; zij is godvruchtig en dankbaar tot God, op Hem hopende en steeds vertrouwende, zelfs dan, wanneer zij in God geen smaak gevoelt, want men leeft niet zonder smart in de liefde. 

 

8. Wie niet bereid is om alles te lijden en zich geheel aan de wil van zijn Beminde over te geven, is niet waardig een minnaar genoemd te worden. Een ware minnaar moet al het zware en bittere voor zijn Beminde gaarne verdragen; en om geen voorkomende tegenkanting van Hem afwijken. 

 

(1) 2 Cor. 1: 3 (2) Ps. 58: 17 (3) 1 Cor. 13: 4,5 

 

 


Hoofdstuk 6 

 

Hoe de oprechte liefde getoetst wordt. 

 

 

CHRISTUS. - Zoon! gij zijt nog niet sterk en voorzichtig in ‘t beminnen. 

DE ZIEL. - Waarom, Heer? 

CHRISTUS. - Omdat gij om een kleine tegenkanting afziet van het ondernomene en al te zeer de vertroostingen zoekt. Wie sterk is in de liefde, staat pal in de bekoringen, en hij geeft geen gehoor aan de listige ingevingen van de vijand. Zowel in voorspoed als in tegenspoed is zijn hart altoos aan Mij. 

 

2. Een voorzichtig minnaar neemt niet zozeer de gift van de vriend in aandacht als de liefde van de Gever. Hij let meer op de stemming dan op de waarde; want hij acht de Welbeminde hoger dan al zijn giften. Een edelmoedig minnaar berust niet in gaven maar in Mij boven alle gaven. Doch daarom is niet alles verloren, zo gij soms voor Mij en mijn Heiligen zoveel liefde en tederheid niet gevoelt, als gij zoudt wensen. Die zoete en tedere liefde, die gij somtijds in u gevoelt, is een uitwerksel der in u werkende genade en als een voorsmaak van het hemels vaderland, doch waarop niet al te veel te steunen is, want zij gaat en komt. Maar strijden tegen de invallende bekoringen, en de ingevingen van de duivel versmaden, dit is een teken van ware deugd en grote verdienste. 

 

3. Wil dan niet ontsteld zijn om vreemde verbeeldingen die in u mochten ontstaan, over welke stof ook. Behoud altijd een vast voornemen en een rechte mening tot God. Het is geen begoocheling zo gij somtijds plotseling in verrukking wordt opgetogen, en terstond tot de gewone ongerijmdheden van uw hart terugkeert. Want deze lijdt gij meer tegen uw dank dan gij ze zoekt; en zolang ze u mishagen en gij er tegen strijdt, strekken zij u tot verdienste en geenszins tot verderf. 

 

4. Weet dat de oude vijand uit al zijn macht uw begeerte tot het goede zoekt te beletten, en u te beroven van alle godvruchtige oefening: te weten, van de dienst der Heiligen, het godvruchtig overdenken van uw zonden, de bewaking van uw hart, en het vast voornemen om in de deugd vooruit te gaan. Hij geeft u ook veel kwade gedachten in, om u verdriet en afkeer aan te doen, en u af te trekken van het gebed en de geestelijke lezing. Een ootmoedige biecht kan hij niet dulden en zo hij kon, zou hij u wederhouden van te communie te gaan. 

Maar geef hem geen geloof, en stoor u niet aan hem, al spant hij dikwijls strikken om u te bedriegen. Werp de kwade en onzuivere ingevingen op hem terug, en zeg: Weg van hier, onreine geest! Schaam u, ellendige: wat moet gij onzuiver zijn, die mij zulke dingen inblaast. Weg van mij, boze verleider! Niets van mij zal u ten deel vallen; maar Jezus zal met mij zijn, als een kloek krijgsman, en gij zult beschaamd staan. Liever wil ik sterven, en alle pijn ondergaan, dan enige toestemming te geven aan uw boos ingeven. Zwijg en verstom (1), ik wil naar u niet meer luisteren, hoezeer gij mij moogt kwellen. De Heer is mijn licht en mijn zaligheid, wie zou ik vrezen? (2) Al stonden gehele legers tegen mij op, mijn hart zou niet vrezen (3). De Heer is mijn Helper en mijn Verlosser (4). 

 

5. Strijd dan als een kloek soldaat; en indien gij soms uit krankheid valt, verzamel opnieuw uw krachten, vertrouwend dat gij grotere genaden van mij zult bekomen; en wacht u bovenal voor hovaardigheid en ijdel zelfbehagen. Want hierdoor worden velen bedrogen, en vallen soms in schier ongeneeslijke verblindheid. Dat dan de val der hovaardigen, die zich dwaas veel laten voorstaan, u diene tot waarschuwing en gedurige ootmoed. 

 

(1) Marc. 4 (2,3) Ps. 26: 1 (4) Ps. 18: 15 

 

 

Hoofdstuk 7 

 

Men moet de genade verbergen onder de hoede der nederigheid. 

 

 

Christus. - Zoon! Het is beter en veiliger voor u, de genade der godsvrucht verborgen te houden, u daarover niet te verheffen, er weinig van te spreken, en niet groter te maken; maar liever uzelf te minachten, en te vrezen die genade onwaardig zijn. Gij moogt niet te veel gehecht zijn aan een gevoel, want het kan zeer licht veranderen. Maar onder de genade, denk hoe ellendig en arm gij gewoonlijk zijt zonder de genade. Ook is de voortgang in het geestelijk leven daarin niet alleen gelegen, dat gij de vertroosting van de genade hebt: maar ook dat gij haar gemis verstorven, ootmoedig en geduldig verdraagt; zodat gij dan niet verflauwt in de oefening van het gebed, en uw andere gebruikelijke werken niet achterlaat. Maar dat gij naar bedunken en best vermogen gaarne doet wat gij kunt, en uzelf niet geheel verwaarloost om dorheid of gewetensangst. 

 

2. Want er zijn er velen, die ten tijde der beproeving aanstonds ongeduldig en moedeloos worden. Nochtans des mensen weg is niet altijd in zijn macht (1); maar het behoort God toe, te geven en te troosten wanneer het Hem belieft, en zoveel het Hem belieft, volgens zijn behagen, en anders niet. Sommigen hebben zich onvoorzichtig in het verderf gebracht met de genade der godsvrucht, omdat zij meer wilden doen dan zij konden, niet in acht nemende hun krachten, maar eerder daarin de aandrift van hun hart volgende, dan het oordeel van het verstand. 

En omdat zij op grotere dingen uitwaren dan God aangenaam was, daarom hebben zij spoedig de genade verloren. Zie, zij zijn arm en verlaten geworden, zij die in de hemel hun woonplaats wilden bouwen (2); omdat zij, vernederd en verarmd, zouden leren niet met hun eigen vleugels te vliegen, maar onder mijn vleugels te gaan schuilen (3). Zij die nog nieuwelingen zijn en onervaren in de weg des Heren, kunnen licht bedrogen worden en vallen, zo zij zich niet laten besturen door de raad van verstandigen. 

 

3. Maar indien zij liever hun eigen goeddunken, dan de raad van ervaren mannen volgen, zo zal voor hen de afloop zeer ellendig zijn, indien zij gehecht blijven aan hun eigenzinnigheid. Die in hun ogen wijs zijn (4), laten zich zelden ootmoedig door anderen besturen. Het is beter weinig kennis en een klein verstand te hebben met ootmoed, dan zware schatten van geleerdheid te bezitten met ijdele glorie. Het is beter voor u weinig te hebben dan veel, waarover gij u zoudt verhovaardigen. Hij doet niet wijs die zich geheel aan de blijdschap overgeeft, en zijn voorgaande armoede vergeet en de zalige vrees Gods, welke de ontvangen genade vreest te verliezen. Ook deze is niet oprecht wijs, die ten tijde van tegenspoed of van een zwarigheid, al te zeer mistroostig is, die te weinig vertrouwen op Mij stelt en te klein gevoelen van mijn hulp heeft. 

 

4. Die ten tijde van vrede al te gerust wil zijn, wordt licht ten tijde van oorlog vreesachtig en lafhartig bevonden. Indien gij altijd ootmoedig en gering in eigenschatting wist te blijven, en uw geest wijs en matig te besturen, gij zoudt niet zo spoedig in gevaar of zonde vallen. Het is een goede raad, als gij de geest van vurigheid gevoelt, te denken hoe het met u zal gaan wanneer dit goddelijk licht zal verdwijnen. En als zulks geschiedt, denk dan dat hetzelfde licht kan wederkomen, daar Ik het voor een tijd tot uw waarschuwing en tot mijn eer u heb onttrokken. 

 

5. Zulke beproeving is dikwijls voordeliger, dan indien gij altijd voorspoed hadt volgens uw begeerte. Want de verdiensten laten zich niet hieraan afmeten of iemand met veel verlichtingen of vertroostingen heeft; of hij goed geleerd is in de H. Schriftuur of tot een hoge staat verheven. Maar wel of hij in ware ootmoed gegrond en met de goddelijke liefde vervuld is; of hij altijd en in alles de eer Gods alleen betracht; of hij zichzelf gering acht en oprecht versmaadt, en zich meer verheugt dor de mensen verstoten en veracht te worden, dan geacht, geprezen of geëerd. 

 

(1) Jeruzalem. 10: 23 (2) Abd. 4 (3) Ps. 90: 4 (4) Rom. 11: 25 

 

 

Hoofdstuk 8 

 

Over de minachting van zichzelf voor Gods ogen 

 

1. De ziel. - Ik zal tot mijn Heer spreken, alhoewel ik stof en as ben (1a). Want indien ik mij iets meer acht, zo staat Gij tegenover mij en mijn ongerechtigheden geven getuigenis van de waarheid, en ik kan ze niet wederleggen. Maar indien ik mij verneder en vernietig; indien ik alle eigendunk verwijder, en mij acht als stof en as, gelijk ik ben; zo zal uw genade met mij wezen, en uw licht in mijn hart schijnen: alsdan zal de geringste zelfachting voor altijd verslonden worden in de afgrond van mijn nietigheid. Daar toont Gij mij aan mijzelf wat ik ben, wat ik was, en waartoe ik gekomen ben: want ik ben een niet, en ik wist het niet (2). Wanneer ik aan mijzelf overgelaten word bevind ik, dat ik niets dan krankheid ben; maar als Gij mij aanziet, word ik terstond sterk en vervuld met nieuwe blijdschap. Het is, ja, een groot wonder, dat ik zo schielijk opgeheven, en zo welwillend door U omhelsd word, ik die door eigen gewicht altijd nederwaarts word gedreven. 

 

2. Dat doet uw liefde, die mij onverdiend overkomt en in zovele noodzakelijkheden te hulp komt; mij voor zo grote gevaren bewaart, en mij (ik beken het) van ontelbare smarten verlost. Want met mij ongeregeld te beminnen, heb ik mijzelf verloren; maar met U alleen te zoeken en oprecht te beminnen, heb ik mij en U gevonden en uit liefde tot U ben ik nog dieper in mijn nietigheid gezonken. O, allerzoetste Heer! Gij doet voor mij veel meer dan ik verdien, en veel meer dan ik zou durven hopen of vragen. 

 

3. Wees gezegend, o mijn God! Want al ben ik alle goed onwaardig, houdt uw edelmoedige en oneindige goedheid nochtans niet op wèl te doen, zelfs aan ondankbaren, die ver van U verwijderd zijn. Bekeer ons tot U, opdat wij mogen dankbaar, ootmoedig en ijverig wezen: want Gij alleen zijt onze zaligheid, onze kracht en onze sterkte. 

 

(1) Gen. 18: 27 (2) Ps. 72: 22 

Hoofdstuk 9 

 

Alles moet tot God, als tot het laatste einde teruggebracht worden 

 

 

1. Christus. - Zoon! ik moet uw hoogste en laatste doelwit zijn, indien gij waarlijk gelukkig wilt zijn. Door deze mening zal uw liefde gezuiverd worden, die nu dikwijls tot zichzelf en tot de schepsels neigt. Want zo gij in iets uzelf zoekt, zo bezwijkt gij aanstonds, en gij wordt dor van geest. Stuur dan alles bijzonder tot Mij, want Ik ben het, die het al gegeven heb. Aanzie alle dingen als vloeiende uit het opperste goed; en dan zult gij weten dat alles tot Mij moet wederkeren, als tot zijn oorsprong. 

 

2. Uit Mij putten alle mensen, als uit een levende bron, groot en klein, arm en rijk, het levende water. En die Mij gewillig en vlijtig dienen, zullen gunst op gunst ontvangen. Maar wie zijn roem buiten Mij, of zijn behagen in enig persoonlijk goed wil zoeken, die zal geen oprechte of standvastige blijdschap genieten, en niet met verruimd hart leven, maar altijd veel hinder en benauwdheid vinden. Daarom moogt gij uzelf of iemand anders geen goed toeschrijven; maar geef alles aan God, zonder wie de mens niets heeft. Ik heb u dit alles gegeven: Ik wil ook alles terug hebben; en Ik eis zeer streng dankbaarheid voor mijn gaven. 

 

3. Dit is een waarheid, die alle ijdele roem verdrijft. En indien de hemelse genade en de ware liefde in uw hart komt, zo zal daar geen ruimte meer zijn voor de nijd, benepenheid of de eigenliefde. Want Gods liefde overwint alles, en breidt al de krachten der ziel uit. Wilt gij dan wijselijk doen, verblijd u alleen in Mij, hoop alleen in Mij, want niemand is goed dan God alleen (1), die bovenal geloofd en in alles verheerlijkt moet worden. 

 

(1) Luc. 18: 19 

 

 

Hoofdstuk 10 

 

Het is zoet met de versmading der wereld God te dienen 

 

1. Ik zal nogmaals spreken, o Heer, en niet zwijgen; ik zal spreken tot mijn God, mijn Heer en mijn Koning, die in de hoge woont. O Heer, hoe groot is de overvloed der zoetheid die Gij verborgen houdt voor die U vrezen! (1) Maar wat zijt Gij voor hen die U beminnen, en die uit ganser hart U dienen? Voorwaar de zoetheid van uw beschouwing, die Gij geeft aan uw minnaars, is onuitsprekelijk. Hierin hebt Gij mij vooral uw goedertieren liefde getoond, dat, als ik niets was, Gij mij geschapen hebt; en dat Gij mij weder op de rechte weg hebt teruggebracht, als ik ver van U was afgedwaald, om U te beminnen. 

 

2. O bron der eeuwige liefde! Wat zal ik van U zeggen? Hoe zou ik U kunnen vergeten, die u gewaardigd hebt aan mij te denken, ook nadat ik bedorven en verloren was? Uw barmhartigheid jegens uw dienaar heeft alle verwachting overtroffen, en Gij hebt uw genade en uw liefde, boven al zijn verdienste, hem betoond. Wat zal ik voor u die genade wedergeven? Want het is alle mensen niet vergund, dat zij, na van alles afstand gedaan te hebben, de wereld zouden verlaten, om het kloosterleven te aanvaarden. Is het een grote zaak dat ik U dien, Gij die door alle schepselen gediend moet worden? Het mag mij niets groots schijnen dat ik U dien; maar dit schijnt mij eerder groot en wonderbaar, dat Gij een zo arm en onwaardig schepsel in uw dienst wilt aannemen, en onder het getal van uw geliefde dienaren rekenen. 

 

3. Zie, alles wat ik heb, en waar ik U mede dient, behoort U toe. Doch, integendeel, Gij dient eerder mij dan ik U. Zie, hemel en aarde, die Gij tot onze dienst geschapen hebt (2), zijn gereed, en doen dagelijks wat Gij hun beveelt. Maar dit is nog weinig, want Gij hebt de Engelen ten dienste van de mens bestemd (3). Doch, wat alles te boven gaat, is dat Gijzelf u gewaardigd hebt U zelf aan hem te geven. 

 

4. Wat zal ik U wedergeven voor zovele weldaden? Ach! kon ik U dienen al de dagen van mijn leven! Ware ik tenminste in staat om U maar één dag waardig te dienen! Voorwaar Gij zijt alle dienst, alle eer en alle lof waardig. Gij zijt waarlijk mijn Heer, en ik ben uw arme knecht, die verplicht ben U uit al mijn kracht te dienen, en nimmer in uw lof te verflauwen. Aldus wil en wens ik het, wil zelf aanvullen wat mij daartoe ontbreekt. 

 

5. Het is, ja, een grote eer, een grote roem U te dienen en alles om U te versmaden. Want die zich gewillig aan uw heilige dienst onderwerpen, zullen grote genade ontvangen. Die uit liefde tot U alle zinnelijk vermaak hebben verlaten, zullen de zoetste troost van de Heilige Geest smaken. En die om uw naam de enge weg inslaan, en alle wereldse zorg ter zijde stellen, zullen in grote vrijheid van geest wandelen. 

 

6. O, hoe zoet en vermakelijk is het God te dienen, waardoor de mens vrij en heilig wordt! O zalige onderwerping aan het kloosterleven, waardoor de mens gelijk wordt aan de Engelen, aangenaam aan God, vreselijk aan de duivelen, en achtingswaardig aan alle christenen! O minnelijke en benijdenswaardige dienst, waardoor men het hoogste goed en de blijdschap die eeuwig zal duren, bekomt! 

 

(1) Ps. 30: 20 (2) Deut. 4: 12 (3) Hebr. 1: 14 

 

 

 

Hoofdstuk 11 

 

Men moet de begeerte van zijn hart onderzoeken en regelen 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon! gij moet nog veel aanleren, dat gij nog niet genoeg geleerd hebt. 

DE ZIEL. - Heer, welke zijn die dingen ? 

CHRISTUS. - Dat gij al uw begeerten naar mijn behagen moet schikken; dat gij uzelf niet moogt zoeken, maar altijd en in alles mijn wil tracht te volgen. Sommige begeerten ontvlammen u dikwijls, en drijven u geweldig voort: maar zie toe of gij wel voor mijn eer wordt aangedreven, en niet eerder om uw eigen voordeel. Indien ik er de oorzaak van ben, zo zult gij wèl tevreden zijn, hoe ik het ook schikke; maar indien er iets van eigenbaat onder schuilt, zal dat u veel hinderen en bezwaren. 

 

2. Wacht u dan van te zeer op een begeerte te steunen, die gij hebt opgevat zonder Mij raad te vragen, die gij hebt opgevat zonder Mij raad te vragen; opdat het u daarna niet berouwe en mishage, wat u tevoren beviel, en dat u het best scheen. Want niet alle begeerte die goed schijnt, moet aanstonds ingevolgd worden: evenmin als alle tegenstrijdige gedachte dadelijk verworpen moet worden. Het is soms zeer goed dat men de beste begeerte bedwinge, opdat, met de bekommernis, de geest niet verstrooid worde, en aan anderen geen ergernis geve door onbescheidenheid van gedrag, of ook niet neerslachtig of ontstemd worde wanneer iemand onze begeerte wederstaat. 

 

3. Somtijds evenwel moet men geweld gebruiken en de zinnelijkheid kloekmoedig wederstaan, zonder acht te nemen op hetgeen het vlees begeert of niet begeert; maar dat men liever er voor zorg drage dat het vlees, ook tegen zijn wil, aan de geest onderworpen zij. 

En zolang moet het gekastijd en gedwongen worden, tot het voor alles bereid is en leert zich met weinig tevreden te houden, het allergeringste te beminnen, en nooit over iets te klagen. 

 

 

 

 

Hoofdstuk 12 

 

Over het beoefenen van geduld en het worstelen tegen de driften 

 

 

1. DE ZIEL. - O Heer en God! Ik zie hoezeer het geduld mij nodig is (1): want in dit leven komen vele zwarigheden voor. En hoe ik het ook schik om vrede te hebben, mijn leven kan zonder strijd en lijden niet zijn. 

 

2. CHRISTUS. - Dit is waar, mijn zoon, doch ik wil niet dat gij zulke vrede zoekt, die vrij van bekoringen is en geen tegenkanting gevoelt: Maar dat gij ook dan de ware vrede denkt gevonden te hebben, wanneer gij door vele bekoringen geoefend, en door moeilijkheden beproefd wordt. Zo gij zegt dat gij niet veel kunt uitstaan, hoe zult gij dan de brand van het vagevuur kunnen doorstaan? Van twee kwalen moet gij altoos de minste kiezen. Om dan hiernamaals de eeuwige pijnen te ontgaan, moet gij het tegenwoordig lijden om God met geduld trachten te verdragen. Meent gij dat de wereldse mensen niets of weinig te lijden hebben? Gij zult ze niet vinden, al zocht gij onder de meest vertroetelden. 

 

3. Maar zij hebben, zegt gij, vele genoegens, zij volgen hun eigen wil, en daarom voelen zij hun kwellingen niet veel. 

 

4. Het zij zo, en dat zij hebben wat hun hart begeert; maar hoe lang zal dit duren? Zie, gelijk de rook zullen die op de wereld rijk en weelderig zijn, vergaan (2), en daar zal geen herinnering blijven aan hun vroegere vreugde. Maar zelfs gedurende hun leven genieten zij dit niet zonder bitterheid, verdriet en vrees. Want juist waar zij eerst genoegen in smaken, daarvan ontvangen zij dikwijls pijn en straf. En dat met recht: het is billijk dat de bitterheid en schande de vermaken vergezellen, die men in de ongeregeldheid zoekt. O hoe kort, hoe bedrieglijk, hoe strafwaardig, hoe eerloos die vermaken! 

En nochtans zo verblind, zo bedwelmd zijn haar minnaars, dat zij dit niet zien: maar als redeloze dieren lopen zij in de dood van hun ziel, om een kort genot in dit sterfelijk leven. Gij dan, mijn zoon, volg uw driften niet in, en zie af van uw eigen wil (3). Neem uw vermaak in de Heer, en Hij zal u geven wat uw hart begeert (4). 

 

5. Indien gij oprechte vreugd wilt smaken, en alle overvloedige troost van mij ontvangen, veracht alle wereldse dingen, verwerp alle lage vermaken, en Ik zal u zegenen, en met mijn onuitputbare vertroostingen u gelden. En hoe meer gij u aan alle troost der schepselen zult onttrekken, hoe zoetere en krachtigere vertroostingen gij in Mij zult vinden. Maar in het eerst zult gij daartoe niet komen zonder enige droefheid, arbeid en strijd. De ingewortelde gewoonte zal u tegenstand bieden: maar gij zult ze door een beter gewoonte overwinnen. Het vlees zal klagen en morren; maar het zal door de vurigheid van de geest bedwongen worden. De oude slang (5) zal u prikkelen en kwellen; maar gij zult haar verdrijven door het gebed, en door nuttige arbeid zult gij haar de ingang van uw hart sluiten. 

 

(1) Hebr. 10: 36 (2) Ps. 36: 20 (3) Eccl. 18: 30 (4) Ps. 36: 3 (5) Openb. 12: 9 

 

 

 

Hoofdstuk 13 

 

Over de gehoorzaamheid van een nederig onderdaan 

 

 

1. CHRISTUS. - Mijn zoon! wie zich zoekt te onttrekken aan de gehoorzaamheid, onttrekt zich aan mijn genade: en wie iets voor zich alleen wil bezitten, verliest wat hij met anderen gemeen heeft. Zo iemand zich niet gewillig aan zijn overste onderwerpt, is het een teken dat zijn lichaam hem niet volkomen onderworpen is, maar dat het dikwijls wederspannig is en tegenmort. Leer u dan op ‘t eerste woord onderwerpen aan uw overste, zo gij uw eigen vlees onder bedwang wilt brengen. Want de uitwendige vijand wordt lichter overwonnen, wanneer de mens inwendig de vrede bezit. Uw ziel heeft geen lastigere, geen ergere vijand dan gijzelf, wanneer gij niet wel met de geest overeenstemt. Gij moet uzelf gans verachten, indien gij vlees en bloed wilt overwinnen. Omdat gij uzelf ongeregeld bemint, daarom kunt gij u niet ten volle overgeven aan de wil van anderen. 

 

2. Maar is het dan een zo beduidende zaak, dat gij, die niets anders zijt dan stof en niets, u om God onder een mens stelt; daar Ik, die de Almogende en de Allerhoogste ben, die alles uit niet geschapen heb, Mij om uwentwil ootmoedig aan de mens heb onderworpen. Ik ben de nederigste en de minste van allen geworden, opdat gij uw hovaardigheid door mijn ootmoed overwinnen zoudt. Leer onderdanig zijn, gij, slijk der aarde; leer u vernederen, gij, stof en as, en u buigen onder de voeten van alle mensen. Leer uw wil breken, en de onderwerping in alles beoefenen. Word boos tegen uzelf, en laat geen opgeblazenheid in u blijven; maar wees zo nederig en zo klein, dat iedereen over u moge gaan, en u als slijk met de voeten treden. O, ijdel mens! wat hebt gij te klagen? Kunt gij, snode zondaar, u verzetten tegen die u verguizen, gij, die zo dikwerf God vergramd, en zo dikwijls de hel verdiend hebt? Maar mijn oog heeft u gespaard, want uw ziel is voor mijn aanschijn dierbaar geweest: opdat gij mijn liefde zoudt kennen, en immer dankbaar wezen voor mijn weldaden. En opdat gij u tot de ware onderwerping en ootmoed zoudt begeven, en geduldig de versmadingen, die u overkomen, verdragen. 

 

 

Hoofdstuk 14 

 

Hoe wij de verborgen oordelen van God moeten beschouwen, om ons over het goede te verheffen 

 

 

1. Heer! als Gij de donder van uw oordelen over mij zendt, schudt Gij mijn beenderen met angst en vrees, en mijn ziel is zeer verschrikt. Ik sta verbaasd bij het zien dat zelfs de hemelen niet zuiver zijn voor uw ogen (1). Want Gij hebt in uw engelen zelf boosheid gevonden (2), en zelfs hen niet gespaard (3), wat zal er van mij worden? De sterren zijn uit de hemel gevallen (4), en ik, stof en as, wat vermeet ik mij? Vele mensen, wier leven zeer loffelijk scheen, zijn diep gevallen, en die het brood der Engelen aten, heb ik smaak zien vinden in de draf der varkens. 

 

2. Geen heiligheid is er dus, als Gij, o Heer, uw hand intrekt. Geen wijsheid kan baten, als Gij ophoudt haar te geleiden. Geen sterkte kan helpen, zo Gij nalaat haar te ondersteunen. Geen kuisheid is verzekerd, zo Gij haar niet beschermt. Geen eigen bewaring is toereikend, zo Gijzelf ons niet behoedt. Want als wij door U verlaten worden, zinken wij en gaan wij verloren; maar door U bezocht, worden wij opgebeurd en herleven wij. Wij zijn ongestadig, maar Gij bevestigt ons door woorden; wij zijn lauw, maar Gij ontsteekt ons. 

 

3. O, wat klein gevoelen moet ik van mijzelf hebben; hoe weinig is het te achten, indien ik iets goeds schijn te hebben? O, hoe diep, Heer, moet ik mij buigen onder uw grondeloze oordelen, voor welke ik mij niets anders bevind te zijn dan een niet, en een enkele niet. O onberekenbaar gewicht, o onoverkomelijke zee, waar ik van mijzelf niets vind, waar ik ben als een niet in het heelal! Waar zal ik dan de ijdele glorie, waar het vertrouwen op eigen deugd schuilplaats vinden? Alle ijdele roem, o Heer, wordt geheel verzwolgen in de diepte van uw oordelen over mij. 

 

4. Wat is toch alle vlees voor uw ogen? Zal de klei zich verheffen tegen Hem, die haar gevormd heeft? (5). Hoe kan de mens zich verheffen door ijdele woorden, die niet met het hart aan God waarlijk onderworpen is? Geheel de wereld kan hem niet hovaardig maken, die aan de heerschappij der waarheid onderworpen is; die al zijn hoop op God gevestigd heeft, zal door het gevlei der mensen niet bewogen worden. Want die zelf, die spreken, zijn een niet; zij zullen allen vergaan met het geluid van hun stem: maar de waarheid des Heren blijft in eeuwigheid (6). 

 

(1) Job 15: 15 (2) Job 14 (3) Petr. 2: 4 (4) Apoc. 6: 13 (5) Is. 29: 16 (6) Ps. 116: 2 

 

 

Hoofdstuk 15 

 

Hoe men zich moet houden en spreken, als in ons enige troost ontstaat 

 

 

1. CHRISTUS . - Zoon, zeg in alle voorvallen: o Heer, is het uw wil, laat het zo geschieden! O Heer is uw eer daarin gelegen, dat het zo geschiede in uw naam. Heer, zo Gij voorziet, dat mij dit dienstig, dat het mij voordelig is; geef mij het dan om het tot uw eer te gebruiken. Maar zo Gij weet, dat mij zulks schadelijk was, of mij niet dienstig tot mijn zaligheid, verwijder van mij die begeerte. Want niet alle begeerten komen van de Heilige Geest, al schijnt het de mens dat zij rechtmatig en goed zijn. Het is zeer moeilijk om wèl te onderscheiden of het een goede of de kwade geest is, die u tot dit of dat aandrijft, alsook of gij door uw eigen geest niet bedrogen wordt. Velen zijn op het einde bedrogen geweest, die in het begin door een goede geest meenden getrokken te worden. 

 

2. Daarom moet gij nooit dan met de vrees Gods en ootmoed der harten begeren en vragen wat gij ook zoudt mogen wensen; vooral moet gij met een volle overgeving alles aan Mij overlaten en zeggen: Heer! Gij alleen weet hoe het best is, dat dit of dat geschiede, gelijk het U belieft. Geef wat Gij wilt, en zoveel Gij wilt, en wanneer Gij wilt. Doe met mij gelijk het U goeddunkt, zoals het U meest behaagt, en het meest tot uw eer dient. Plaats mij waar het U belieft, en handel in alles met mij naar uw goeddunken. Ik ben in uw hand, keer en wend mij om en om. Zie, ik ben uw dienaar (1), bereid tot alles; want ik wil niet voor mij leven, maar voor U; ach, of ik dit waardig en volmaakt mochte! 

 

Gebed om de wil Gods te volbrengen. 

O allermildste Jezus! Verleen mij uw genade, opdat zij met mij zij, met mij werke, en met mij blijve tot het einde toe (2). Geef mij, dat ik altijd verlang en wil wat U aangenaam is en allermeest behaagt. Dat uw wil de mijne zij, en mijn wil volge altijd de uwe, en stemme daarmee gans overeen. Laat mij met U hetzelfde willen en niet willen; ja, geef mij nooit anders te kunnen willen of niet willen, dan gelijk Gij wilt of niet wilt. 

 

3. Laat mij sterven voor al wat in de wereld is, en om uw liefde gaarne versmaad en onbekend zijn in deze wereld. Geef mij dat ik, boven al wat men kan wensen, in U beruste, en mijn hart de vrede in U zoeke. Want Gij zijt de ware vrede des harten, Gij alleen zijt mijn rust, buiten U is alles pijnlijk en ongestadig. Laat mij dan slapen en rusten deze vrede, dat is in U alleen, die het opperste en het eeuwig goed zijt. Amen. 

 

(1) Ps. 119: 125 (2) Wijsh. 9 

 

 

Hoofdstuk 16 

 

Oprechte troost moet men alleen in God zoeken 

 

1. DE ZIEL. - Al wat ik tot mijn troost kan wensen of uitdenken, verwacht ik hier nat, maar hiernamaals. Want al bezat ik alleen al de vertroostingen der wereld, en genoot ik alle vermaken, zo is het zeker, dat zulks niet lang zou kunnen duren. Zodan, mijn ziel, gij kunt niet volkomen getroost worden of verblijd zijn dan in God, de Trooster der armen en de Verheffer der ootmoedigen. Wacht een weinig, mijn ziel, verbeid toch de goddelijke belofte,, en gij zult overvloed van alle goed in de hemel genieten. Indien gij al te zeer de tijdelijke dingen begeert, dan zult gij de hemelse, en eeuwige missen. Houd het tijdelijke tot uw gebruik, maar kies het eeuwige voor uw wensen. Geen tijdelijk goed kan u verzadigen, dewijl gij niet geschapen zijt om dat te genieten. 

 

2. Al bezat gij al de geschapen goederen, nog zoudt gij niet gelukkig of tevreden zijn: maar geheel uw geluk en uw zaligheid is gelegen in God, die alles geschapen heeft. Niet een geluk gelijk de dwaze minaars van de wereld zich inbeelden en wensen; maar gelijk alle getrouwe dienaren van God verwachten, en welke de godvruchtige mensen en de reinen van hart, wier bekering in de hemel is (1), somtijds bij voorbaat smaken. Alle menselijke troost is ijdel en kortstondig. Zalig en waarachtig is de troost, die men inwendig ontvangt van de waarheid. Een godvruchtig mens draagt altijd met zich Jezus zijn Verlosser, tot wie hij zegt: “Sta mij bij, Heer, in alle plaatsen en tijden. Dat dit mijn vertroosting zij, gaarne alle menselijke troost te ontberen. En wanneer mij uw troost ontbreekt, dan zij uw wil en uw rechtvaardige beproeving mijn grootste troost. Want uw gramschap zal niet altoos duren, en uw bedreiging zal niet eeuwig zijn (2). 

 

(1) Philipp. 3: 20 (2) Ps. 102: 9 

 

Hoofdstuk 17 

 

Men moet alle zorg in God stellen 

 

1. CHRISTUS. - Zoon! Laat Mij met u doen wat Mij belieft; Ik weet wat u dienstig is. 

 

Gij denkt als een mens, en gij oordeelt over vele dingen, gelijk menselijke neiging u dat ingeeft. 

 

2. DE ZIEL. - Heer, het is alzo. Uw bezorgdheid voor mij is groter dan die ikzelf voor mij kan hebben. Wie zijn zorg bij U niet neerlegt (1), die is in gevaar van te vallen. Heer, doe met mij volgens het U belieft, als maar mijn wil oprecht en vast op U gericht blijft. Want het kan niet dan goed zijn, wat Gij ook met mij doet. Wilt Gij dat ik in de duisternis zij, wees gezegend; en wilt Gij dat ik in het licht zij, wees andermaal gezegend. Indien Gij U gewaardigt mij te troosten, wees gezegend; en wilt Gij mij kwellingen overzenden, wees niettemin gezegend. 

 

3. CHRISTUS. - Zoon! Zo moet gij gestemd zijn, indien gij met Mij wilt handelen. Gij moet even zo bereid zijn tot lijden als tot verblijden. Gij moet even gaarne arm en behoeftig zijn, als rijk en gegoed. 

 

4. DE ZIEL. - Heer! Gaarne wil ik voor U lijden alles wat U belieft mij over te zenden. Ik wil onverschillig van uw hand goed en kwaad, zoet en bitter, blijdschap en droefheid ontvangen; en U dank brengen voor alles wat mij overkomt. Bewaar mij maar van alle zonde, en ik zal dood, noch hel vrezen. Als gij mij maar voor eeuwig niet verstoot (2) en mijn naam niet uit het boek des levens wist (3), kunnen geen welkdanige kwellingen mij hinderen. 

 

(1) 1 Petr. 5: 7 (2) Ps. 77: 8 (3) Apoc. 3: 5 

 

 

 

Hoofdstuk 18 

 

De tijdelijke ellenden, moeten wij naar het voorbeeld van Jezus, gelijkmoedig dragen 

 

1. CHRISTUS. - Zoon! Om uw zaligheid ben Ik uit de hemel nedergedaald; Ik heb uw ellenden op Mij genomen, niet uit dwang, maar uit liefde; opdat gij zoudt leren verduldig zijn, en de tijdelijke ellenden verduldig verdragen. Want van mijn geboorte af tot aan mijn dood op het kruis, ben Ik nooit zonder lijden geweest. Ik heb groot gebrek gehad aan tijdelijke dingen; Ik heb dikwijls klachten over mij gehoord; ik heb schande en smaad zachtmoedig verdragen; Ik heb voor weldaden ondank ontvangen; voor mijn mirakelen lastertaal en voor mijn leer tegenkanting. 

 

2. DE ZIEL. - Heer! Vermits Gij verduldig waart in uw leven, en voornamelijk daardoor de wil van uw Vader volbrengend, zo is het billijk dat ik, arme zondaar, verduldig lijd volgens uw wil, en de last van dit sterfelijk leven tot mijn zaligheid draag, zolang het U belieft. Want al is het tegenwoordig leven zeer zwaar, het wordt door uw genade zeer verdienstelijk, en door uw voorbeeld, en voetstappen der Heiligen, zachter en verdragelijker. Ook is het nu veel troostelijker dan het vroegertijds was in de oude wet, toen de deur des hemels gesloten bleef, toen de weg ten hemel veel donkerder scheen, en zo weinig mensen bezorgd waren om het rijk der hemelen te zoeken: En toen de rechtvaardigen zelf, en de uitverkorenen, het rijk des hemels niet konden ingaan vooraleer het geopend was door uw lijden en uw heilige zoendood. 

 

3. O hoe grotelijks moet ik U danken, dat Gij U gewaardigd hebt mij en alle gelovigen de rechte en goede weg tot het eeuwig rijk aan te tonen. Want uw leven is onze weg, en door de heilige verduldigheid gaan wij tot U, die onze kroon zijt. Waart gij ons niet voorgegaan, en onze Leidsman geweest, wie zou er aan U denken U te volgen? Ach! hoe ver zouden vele mensen achterblijven, ware het dat zij uw heerlijke voorbeelden niet voor ogen hielden. Zie, wij zijn nog zo lauw, na zo menigvuldige mirakelen gezien, na zovele leringen gehoord te hebben; wat zou het zijn, indien wij zulk een licht niet hadden om U te volgen? 

 

 

 

Hoofdstuk 19 

 

Hoe men beledigingen moet verdragen, en wie zich waarlijk geduldig toont 

 

1. CHRISTUS. - Zoon! Wat hebt gij te zeggen? Houd op met klagen, en let op mijn lijden en dat van mijn Heiligen. Gij hebt nog niet weerstaan tot bloedvergietens toe (1). Het is weinig, wat gij lijdt in vergelijking met hen, die zoveel geleden hebben, die zo hevig bekoord, zo hard verdrukt, en zo dikwijls beproefd en geoefend zijn geworden. Gij moet u het groter lijden der andere mensen voor de geest brengen, om uw klein lijden beter te verdragen. Indien uw lijden u zo klein niet schijnt, zie toe of dit niet uit uw ongeduld voortkomt. Maar uw lijden moge klein of groot zijn, arbeid om het verduldig te dragen. 

 

2. Hoe beter gij u schikt tot het lijden, hoe wijzer gij doet, en hoe meer verdiensten gij bekomt: een vast besluit en de oefeningen zullen u het lijden lichter maken. Zeg nooit: ik kan dit van die mens niet verdragen, of zulke dingen moet ik niet lijden, want hij heeft mij groot ongelijk gedaan, en hij verwijt mij dingen, waaraan ik zelfs niet gedacht heb; maar van een andere zal ik zulks gaarne lijden, en voor zoveel het mij dunkt te moeten lijden. Dit is een dwaze gedachte; want dat is op de deugd van geduld geen acht geven en door wie zij gekroond zal worden; het is meer op de personen en op het leed, dat men ons aandoet. 

 

3. Hij is geen oprecht verduldig mens, die niet wil lijden dan zoveel hem goeddunkt, en van wie het hem belieft. Een waarlijk geduldig mens ziet er niet naar van wie hij te lijden heeft, tenzij van zijn overste, van zijns gelijken, of van iemand die minder is; van een goede of deugdzame mens, of van een verdorven of onwaardige. Maar zonder onderscheid neemt hij alles in dank aan van de hand Gods, hoe erg en hoe dikwijls de tegenstand hem ook overkome, of van welk schepsel, en hij houdt het voor een groot voordeel. Want geen lijden, hoe klein ook, zal God zonder verdienste laten, als men het om zijnentwil verdraagt. 

 

4. Wees dus altijd bereid tot strijden, indien gij de zege wilt behalen. Zonder strijd kunt gij de kroon der lijdzaamheid niet bekomen. Wilt gij niet lijden, zo wilt gij ook niet gekroond worden. Want verlangt gij gekroond te worden, zo strijd manhaftig en houd verduldig vol. Zonder arbeid komt men tot de rust niet, en zonder strijd niet tot de zegepraal. 

 

5. DE ZIEL. - Heer, maak mij door uw genade mogelijk wat mij dunkt onmogelijk te zijn met natuurlijke krachten. Gij weet dat ik weinig lijden kan, en dat ik aanstonds kleinmoedig ben, als een kleine tegenspoed mij overvalt. Maak, Heer, dat mij om Uw naam alle beproeving en kwelling beminnelijk en wenselijk worden; want om uwentwil te lijden en gekweld te worden, is zeer zalig voor mijn ziel. 

 

(1) Hebr. 12: 4 

 

 

Hoofdstuk 20 

 

Over de erkenning van zijn eigen zwakheid en over de ellende van dit leven 

 

1. DE ZIEL. - Heer, ik zal mijn ongerechtigheid tegen mij belijden (1): voor U zal ik mijn zwakheid bekennen. Dikwijls is het een kleine zaak, die mij kleinmoedig en bedroefd maakt. Ik maak een voornemen, mij kloekmoedig te gedragen; maar overkomt mij een kleine bekoring, terstond word ik zeer benauwd. 

Het is bijwijlen een nietigheid, waaruit een grote bekoring ontstaat. En als ik enigszins meen gerust te zijn, daar ik niets gevoel, zo word ik somtijds door een lichte windstoot bijna omvergeworpen. 

 

2. Aanzie dan, Heer, mijn nederigheid en broosheid, die U alleszins bekend is. Wees mij genadig, en trek mij uit het slijk, opdat ik daar niet in verzinke, en geheel in kleinmoedigheid vervalle (1). Wat mij zo dikwijls tegenstaat en voor uw aanschijn beschaamd maakt, is, dat ik zo wankelend, en krank ben om aan mijn driften te wederstaan. En al brengen zij mij niet tot volkomen toestemming, nochtans valt mij hun aanvechting lastig en pijnlijk, en het verdriet mij dagelijks te moeten strijden. 

En hieruit leer ik bijzonder mijn zwakheid kennen, dat afschuwelijke voorstellingen zich altijd veel gemakkelijker opdringen dan heengaan. 

 

3. O allersterkste God van Israël, vurige minnaar der gelovigen! Aanzie de arbeid en de droefheid van uw minnaar, en sta hem ter zijde bij alles waartoe hij zich begeeft (2). Versterk mij met de hemelse sterkte, opdat de oude mens, dat ellendig vlees, aan de geest nog niet onderworpen, de overhand niet behale; want zolang dit ellendig leven duurt, zal men daartegen moeten strijden. Ach, wat is toch dit leven, waar geen ellende en bekoringen ontbreken, waar alles vol is van strikken en vijanden! Want als de een bekoring of kwelling weggaat, is er reeds een andere in aantocht, ja terwijl de eerste strijd nog duurt, komen er meer andere onverwachts bij. 

 

4. Hoe kan dit leven bemind worden, dat met zoveel bitterheden doorzaaid, aan zovele ellenden en rampen onderworpen is? Hoe kan het toch een leven genoemd worden, daar het zovelerlei dood en verderf voortbrengt. En nochtans wordt het bemind, en velen zoeken er hun genoegen in. Men zegt dikwijls, dat de wereld bedrieglijk en ijdel is; en nochtans wordt zij node verlaten, omdat de lusten van het vlees de overhand hebben. Sommige dingen lokken ons om de wereld te beminnen, andere om ze te versmaden. De begeerlijkheid van het vlees, de begeerlijkheid der ogen, en de hovaardij van het leven trekken ons tot de liefde der wereld (3); maar de pijnen en de ellenden, die met recht daarop volgen doen ons de wereld haten. 

 

5. Maar, helaas! Het zondig vermaak overwint een hart, dat tot de wereld genegen is, en het meent dat er groot vermaak onder doornen schuilt (4), omdat het de zoetheid van God en de inwendige bekoorlijkheid der deugd niet kent of nooit gesmaakt heeft. Maar aan die de wereld volkomen versmaden en onder heilige tucht voor God willen leven, is de goddelijke zoetheid niet onbekend, die aan de ware versmaders der wereld beloofd is; en zij zien klaar hoezeer de wereld dwaalt en zich veelvuldig bedriegt. 

 

(1) Ps. 31: 5 (2) Jos. 1: 9 (3) Joann. 2: 16 (4) Job 30: 7 

 

 


Hoofdstuk 21 

 

Boven alle goederen en gaven moet men in God alleen rust zoeken 

 

 

1. DE ZIEL. - Neem altijd boven alles en in alles uw rust in de Heer, want Hij is de eeuwige rust der heiligen. O allerzoetste en allerbeminnelijkste Jezus, geef mij dat ik in U moge rusten boven alle schepsel, boven alle gezondheid en schoonheid, boven alle eer en roem, boven alle macht en waardigheid, boven alle wetenschap en vernuft, boven alle rijkdommen en kunsten, boven alle blijdschap en vrolijkheid, boven alle faam en lof, boven alle zoetheid en troost, boven alle hoop en belofte, boven alle verdienste en verlangen, boven alle gaven en giften die Gij ons kunt ingeven en storten, boven alle heil en verrukking, die een ziel bevatten en gevoelen kan. Eindelijk, boven de Engelen en Aartsengelen boven alle hemelse Heirscharen, boven al het zichtbare en onzichtbare en, o mijn God, boven alles, wat Gij niet zijt. 

 

2. Want Gij alleen, mijn Heer en mijn God, zijt oneindig goed, Gij alleen zijt de allerhoogste, de machtigste, de allerrijkste, en algenoegzame, de zoetste, de troostrijkste: Gij alleen zijt de schoonste, de minnelijkste, de edelste, de uitmuntendste, in wie alle goederen te zamen in de hoogste volmaaktheid zijn, en altoos geweest zijn en immer zijn zullen. En daarom is alles, wat Gij mij geeft buiten Uzelf, of wat Gij mij van Uzelf openbaart en belooft, te gering en onbevredigend, als ik U niet zie, en niet volkomen bezit. Want mijn hart kan nimmer oprecht rusten, noch geheel tevreden zijn, tenzij het in U berust en zich boven alle gaven en alle schepselen verheft. 

 

3. O allerliefste Bruidegom, zoete Jezus, allerzuiverste Minnaar, Opperheer van al het geschapene! Wie zal mij de vleugelen der ware vrijheid geven, om tot U op te stijgen en in U te rusten? (1). O wanneer zal mijn hart genoegzaam onthecht zijn van het aardse, en rustig mogen zien en smaken hoe zoet Gij zijt (2), mijn Heer en mijn God? Wanneer zal ik mij ten volle in U verdiepen, en van uw liefde zo doordrongen zijn, dat ik niet mijzelf, maar U alleen gevoel, op een wijze die boven alle verstand verheven en aan alle mensen niet bekend is? Maar nu zucht ik dikwijls, en draag mijn ellenden met smart. Want in dit tranendal ontmoet ik vele kwellingen, welke mij dikwijls ontstellen, bedroeven en omnevelen; dikwijls vermoeien en verstrooien, aanlokken en verstrikken, de vrije toegang benemen tot U, en beroven van die zoete omhelzingen, die de zalige geesten altijd genieten. Dat toch mijn gezuchten mijn verlatenheid op aarde U ontroeren! 

 

4. O Jezus, glans der eeuwige glorie (1), troost der bedroefde zielen in deze ballingschap! Zie, mijn mond is voor U zonder spraak, en mijn stilzwijgen zegt U alles. Hoelang toeft mijn Heer te komen? Ach! Dat Hij kome tot mij, zijn arme dienaar, en mij verblijde! Dat Hij zijn hand uitreike, en mij van alle benauwdheid verlosse! Kom! Want zonder U kan ik geen blijde dag of stond meer genieten; want Gij alleen zijt mijn blijdschap, en zonder U is mijn tafel ledig. Ik ben door ellenden verdrukt, en als een gevangene met boeien beladen, totdat Gij mij door het licht van uw tegenwoordigheid verkwikt en verlost, en mij uw vriendelijk aanschijn toont. 

 

5. Dat andere mensen buiten U zoeken wat hun belieft: mij behaagt, mij zal nooit iets behagen dan Gij alleen, mijn God, mijn hoop, mijn eeuwig geluk. Ik zal niet stilzwijgen, niet ophouden te bidden, totdat uw genade tot mij wederkomt, tot Gij inwendig tot mij spreken zult. 

 

6. CHRISTUS. - Zie, hier ben Ik. Zie, Ik spreek tot u omdat gij Mij geroepen hebt. Uw tranen en de begeerte van uw ziel, de vermorzeling van uw vernederd hart, hebben mij bewogen ene tot u doen komen. 

 

7. DE ZIEL. - En ik heb gezegd: Heer! Ik heb tot u geroepen, en gewenst U te genieten, bereid alles te verlaten om uwentwil. Want Gij hebt de eerste mij opgewekt, opdat ik U zou zoeken. Wees dus gezegend, o Heer! Die deze gunst bewezen hebt aan uw dienaar, volgens de overvloed van uw barmhartigheid. Wat kan uw dienaar verder zeggen in uw tegenwoordigheid, wat zal hij doen dan zich diep voor U vernederen, altoos indachtig zijnde zijn eigen boosheid en verworpenheid. Want uws gelijken hebt Gij niet onder al het betoverende, in hemel en op aarde. Uw werken zijn volmaakt (4), uw oordeel is het juiste (5), en door uw Voorzienigheid wordt het heelal geregeld (6). U zij dan lof en eer, o Wijsheid des Vaders: dat mijn mond, mijn ziel, en alle schepselen te zamen U loven en verheerlijken! 

 

(1) Ps. 54: 7 (2) Ps. 33: 9 (3) Hebr. 1: 3 (4) Gen. 1: 31 (5) Ps. 18: 10 (6) Wijsh. 4: 3 

 

 

 


Hoofdstuk 22 

 

Over het gedenken van Gods weldaden 

 

 

1. DE ZIEL. - Heer, open mijn hart voor uw wet, leer mij wandelen in uw geboden (1). Geef mij uw wil te mogen kennen, en met grote eerbied en aandacht uw weldaden, zowel de algemene als de bijzondere, te overdenken, opdat ik U daarover waardig moge danken. Maar ik weet en belijd, dat ik ook voor het kleinste deeltje de schuldige dank niet kan betalen. Ik ben minder dan al de weldaden, die Gij mij hebt betoond; en als ik denk aan uw oneindige verhevenheid, zo bezwijkt mijn geest bij dit grootse. 

 

2. Al wat wij hebben naar ziel en lichaam, alles wat wij inwendig of uitwendig, natuurlijk of bovennatuurlijk bezitten, zijn weldaden van U, en zij verkondigen dat Gij een milde, genadige, en goedertieren gever zijt, van wie wij alle goed ontvangen hebben. Ofschoon de een meer, de andere min ontvangen heeft, is toch alles het uwe; en zonder U kunnen wij het geringste niet bekomen. Wie meer ontvangen heeft, mag er niet over roemen als op eigen verdienste, noch zich boven anderen verheffen, noch de mindere versmaden, want hij is de grootste en beste, die zich het minste toeschijnt, en die U het nederigst en innigst bedankt. Een die zich de verworpenste en onwaardigste van allen acht, is de bekwaamste om grote gaven te ontvangen. 

 

3. Integendeel, hij die minder gaven ontvangen heeft, moet zich niet bedroeven of wrevelig worden, noch de rijkere benijden, maar hij moet eerder U aanzien, en uw goedheid loven, omdat Gij zo overvloedig, zo milddadig en goedwillig uw gaven uitdeelt zonder aanzien van personen. Alles komt van U, en daarom moet Gij in alles geloofd worden. Gij weet, wat van uw gaven eenieder ten stade komt, en waarom deze meer, gene minder heeft, dit hebben wij niet te onderzoeken, maar Gij alleen, bij wie ieders verdiensten bekend en bepaald zijn. 

 

4. Daarom, Heer, mijn God, acht ik het voor een grote weldaad, van die gaven niet veel te bezitten, waardoor men uitwendig schittert, en bij de mensen lof en eer bekomt; zodat iemand, die de ellende en verworpenheid van zijn eigen persoon aanschouwt, geenszins daarover zwaarmoedig, bedroefd, of kleinmoedig mag zijn, maar eerder daar troost en groter blijdschap in moet vinden. Want Gij, o God, hebt de armen, de nederigen en die naar de wereld veracht waren, tot uw huisgenoten en vrienden verkoren. 

Getuigen hiervan zijn uw Apostelen, welke Gij tot vorsten over gans de wereld hebt aangesteld (2). Zij hebben op deze wereld geleefd zonder klagen, zeer ootmoedig, zeer eenvoudig, zonder enig arglist of bedrog; zodanig dat zij zeer verheugd waren om uw Naam te lijden (3), en dat, waar de wereld een gruwel aan heeft, met grote liefde omhelsden. 

 

5. Niets moet meer vreugde baren aan die U bemint, en uw weldaden erkent, dan de vervulling van uw heilige wil, en het welbehagen van uw eeuwige raadsbesluiten. Hij moet daarin zoveel tevredenheid en troost vinden, de hij zo gaarne de minste wil zijn als een ander wenst de meeste te wezen. Ja, hij moet zo tevreden zijn op de laatste plaats als op de eerste; hij moet zo gaarne in deze wereld versmaad en verworpen zijn, en beroofd zijn van naam en faam om U, als geacht en geëerd te wezen boven alle anderen. Want uw wil, en de liefde tot uw eer, moet alles te boven gaan en moet Hem meer troosten en behagen, dan alle hem gegeven of nog te geven weldaden. 

 

(1) 2 Mach. 1: 4 (2) Ps. 47: 17 (3) Hand. 5: 16 

 

 

 

Hoofdstuk 23 

 

Over de vier vereisten voor grote zielenvrede 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon! Nu zal Ik u de Weg van de vrede en de ware vrijheid des harten leren. 

 

2. DE ZIEL. - Doe dat, o Heer, want het is mij lief dat te horen. 

 

3. CHRISTUS. - Zoon, tracht liever de wil van een ander te doen dan de uwe. Tracht altoos eerder min te hebben dan meer. Zoek altoos de laatste plaats, en achter eenieder gesteld te zijn. Wens altijd en bid dat Gods wil geheel in u volbracht worde. Zie, een mens die aldus leeft, komt in het land van vrede en rust. 

 

4. DE ZIEL. - Heer, deze uw les is kort; maar zij bevat in zich een grote volmaaktheid. Zij is kort van woorden; maar rijk van zijn en overvloedig in vruchten. Kon ik die getrouw onderhouden, ik zou zo licht niet ontsteld zijn. Want zo dikwijls als ik mij ongerust en bezwaard gevoel, bevind ik dat ik van deze leer afgeweken ben. Maar Gij, die alles vermoogt, en immer de voortgang der zielen zoekt, vermeerder in mij uw genade, opdat ik uw lering moge nakomen en mijn zaligheid bewerken. 

 

Gebed tegen kwade gedachten 

5. O mijn Heer en mijn God! Wijk van mij niet af: o God! Haast U om mij te helpen (1); want in mij zijn velerlei gedachten en grote angsten opgestaan, die mijn ziel ontstellen. Hoe zal ik daar ongekwetst doorkomen; hoe zal ik ze overwinnen? 

6. Ik zal, zegt de Heer! Gelijk Gij zegt, u voorafgaan, en de hoogmoedigen der aarde vernederen. Ik zal de deuren van de kerker openen, en u verholen geheimen leren kennen (2). 

7. Doe, o Heer, gelijk Gij zegt, en dat alle kwade gedachten van uw aanschijn wegvliegen (3). Het is mijn hoop, en mijn enige troost tot U mijn toevlucht te nemen in alle lijden, op U te vertrouwen, U uit de grond van mijn hart te aanroepen, en uw troost lankmoedig af te wachten. 

 

GEBED OM VERLICHTING VAN DE GEEST 

8. Verlicht mij, o goede Jezus, door de klaarheid van het inwendig licht, en verdrijf alle duisternis uit de woning van mijn hart. Bedwing de aanhoudende verstrooidheid van mijn gedachten, en verjaag de bekoringen, die mij geweldig aanranden. Strijd krachtig met mij, en overwin die wilde roofdieren, ik zeg de verlokkende begeerlijkheden en kwade lusten, opdat er vrede moge zijn in uw sterkte (4), en uw lof weerklinke in uw heilige tempel, dat is, in een rein geweten. Gebied aan winden en tempeesten; zeg tot de zee: bedaar; en tot de noorderwind: houd op met razen; en daar zal grote stilte wezen (5).  

9. Zend uw licht en uw waarheid (6), opdat zij de aarde beschijnen: want ik ben een duistere en ijdele aarde, totdat Gij mij verlicht. Stort uw genade uit van boven, besproei mijn hart met hemelse dauw; verleen de wateren van godsvrucht om deze dorre aarde te bevochtigen, opdat zij goede en rijpe vruchten voortbrenge. Wil mijn hart verheffen, dat door de last der zonde is neergedrukt, en keer al mijn begeerten naar het hemelse, opdat, na de hemelse zoetheid gesmaakt te hebben, het mij walge aan het aardse nog te denken. 

 

10. Trek mij tot U, en verlos mij van alle troost der schepselen, die niet langer duurt: want geen schepsel kan mijn begeerte verzadigen, noch mijn hart tevreden stellen. Verenig mij met U, door de onbreekbare band der liefde, want Gij alleen zijt genoeg aan de minnende ziel, en zonder U is alles ijdelheid. 

 

(1) Ps. 70: 12 (2) Is. 45: 2 (3) Ps. 67: 1 (4) Ps. 121: 7 (5) Marc. 4: 39 (6) Ps. 92: 3 

 

Hoofdstuk 24 

 

Dat men het nieuwsgierig onderzoeken omtrent een anders leven moet vermijden 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, wil niet nieuwsgierig zijn, noch u bekommeren met ijdele zorgen. Wat gaat u dit of dat aan? Volg Mij (1). Wat is er u aan gelegen, of deze zus of zo is of hij dit of dat doet of spreekt? Gij moet voor anderen niet verantwoorden: maar gij zult voor uzelf niet verantwoorden: maar gij zult voor uzelf rekenschap geven. Waarmede bekommert gij u dan? Zie, Ik ken alle mensen en zie alles wat onder de zon plaats grijpt; Ik weet hoe het met eenieder gaat, wat hij denkt, wat hij begeert, en tot wat einde zijn inzicht strekt. Daarom moet men Mij alles overlaten: wat u aangaat, houd u in vrede, en laat de woelige woelen, zoveel hij wil. Want al wat hij doet of zeggen zal, zal op hem komen, want niemand kan Mij bedriegen. 

 

2. Wees niet bezorgd voor de schaduw van een grote naam, noch om de vriendschap van velen, of om de bijzondere genegenheid der mensen. Want al die dingen baren verstrooidheid en grote duisternis in het hart. Ik zou gaarne u mijn woord toespreken en u het verscholene openbaren, indien gij op mijn bezoek altoos aandachtig waart, en bereid om Mij de deur van uw hart te openen. Wees voorzichtig, waak in vrome gebeden (2) en verneder u in alles. 

 

(1) Joann. 21: 22 (2) 1 Petr. 4: 7 

 

 

Hoofdstuk 25 

 

Over de duurzame vrede des harten, en waarin de ware voortgang bestaat 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon! Ik heb gezegd: Ik laat u in mijn vrede, Ik geef u mijn vrede; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u (1). Alle mensen zoeken de vrede, maar niet allen zijn bezorgd om te onderhouden, wat tot ware vrede leidt. Mijn vrede is met de ootmoedigen en de zachtmoedigen van hart (2). Uw vrede zal bestaan in grote lijdzaamheid. Indien gij naar Mij luistert, en mijn lering volgt, zult gij grote vrede kunnen genieten. 

 

2. DE ZIEL. - Wat heb ik dan te doen? 

 

3. CHRISTUS. - Let in alle dingen op uzelf, wat gij doet en wat gij zegt. Dat altoos uw mening zij om Mij alleen te behagen, en om buiten Mij niets te begeren of te zoeken. Oordeel ook niet lichtvaardig de woorden of werken van andere mensen; bemoei u niet met wat u niet werd opgedragen; zo zal het kunnen geschieden dat gij weinig of zelden verontrust wordt. Maar nooit enige ontsteltenis gevoelen, nooit enige kwelling van ziel of lichaam lijden, dit is de staat van het tegenwoordig leven niet, maar de staat van het eeuwig geluk. Laat u dan niet voorstaan de ware vrede gevonden te hebben, wanneer gij geen zwarigheid gevoelt; of dat dan alles welgaat, als gij niemand tegenstreeft; of dat gij dan volmaakt zijt, wanneer alles geschiedt naar uw begeerte. Houd u ook dan niet voor iets groots of voor Gods bijzondere lieveling wanneer gij grote zoetheid in de godsvrucht gevoelt: want daaraan wordt de ware minnaar der deugd niet gekend, of daarin bestaat de voortgang en de volmaaktheid van de mens niet. 

 

4. DE ZIEL. - Waarin dan, Heer? 

 

5. CHRISTUS. - In uzelf uit geheel uw hart op te dragen aan de wil van God; in uzelf niet te zoeken, zomin in het klein als in het groot, noch in de tijd, noch in de eeuwigheid; zodat gij alles met hetzelfde oog aanziende, en in een juiste schaal wegende, mij gelijkelijk bedankt in voor- en tegenspoed. Indien gij zo kloek en lankmoedig zijt in de hoop, dat, bij ‘t ontberen van de inwendige troost, gij dan nog uw hart bereidt om zwaardere kwellingen te lijden, en uzelf niet verontschuldigt alsof gij niet zoveel verdiendet te lijden; maar dat gij in al wat u overkomt, mij voor rechtvaardig en heilig houdt: dan wandelt gij in de rechte en ware weg van vrede, en dan moogt gij een vaste hoop hebben, dat gij mijn aanschijn in de volle vreugde zult wederzien (3). Indien gij tot een volkomen verachting van uzelf gekomen zijt, weet dan dat gij de vrede zo overvloedig zult genieten als het in dit ellendig leven mogelijk is. 

 

(1) Joann. 14: 27 (2) Matth. 11: 29 (3) Job 33: 26 

 

 

 


Hoofdstuk 26 

 

Over de grote waarde van een vrij gemoed, dat men eer bekomt door het smeekgebed dan met het lezen 

 

 

1. DE ZIEL. - Heer! Het is een werk van grote volmaaktheid, nooit te verflauwen in de zuivere begeerte der hemelse dingen, en in het midden der wereldse bekommernissen voort te gaan alsof men er geen had: niet zoals een ongevoelig mens, maar uit een zekere vrijheid des harten, omdat men aan geen schepsel uit ongeregelde liefde gehecht is. 

 

2. Ik bid U dan, o genadige Heer, verlos mij van de zorgen dezer wereld, opdat ik er niet in verwarre; van de noodwendigheden van het lichaam, opdat ik niet gevangen worde door de zinnelijkheid; van alle beletselen der ziel, opdat ik niet door bezwaren gebroken bezwijke. Ik spreek niet van zulke dingen, die de wereldse ijdelheid met volle begeerte zoekt; maar van die ellenden, welke, als een gevolg van de algemene vloek over de stervelingen, mij, uw dienaar, bezwaren, en beletten de vrijheid van geest te genieten, zo dikwijls het lust. 

 

3. O mijn God, onuitsprekelijke zoetheid, verkeer voor mij in bitterheid alle lichamelijke troost, die mij aftrekt van de liefde tot de eeuwige goederen en mij tot zonde lokt door de aanblik van tijdelijk goed of vermaak. Laat mij niet overwonnen worden, o mijn God, door vlees en bloed; laat de wereld met haar kortstondige roem mij niet bedriegen, of de duivel met zijn met zijn arglistigheid mij verschalken. Geef mij sterkte om te wederstaan, geduld om te lijden, standvastigheid om te volharden. Geef mij, in plaats van al de wellusten dezer wereld, de zoete zalving van uw geest, en in plaats van de aardse liefde, de liefde voor uw naam. 

 

4. Zie, spijs, drank, klederen en andere hulpmiddelen, tot onderhoud van het lichaam, strekken tot last aan een vurige ziel. Verleen mij, zulke verkwikkingen matig te gebruiken, en mij daaraan niet te hechten door te grote begeerte. Men mag niet alles afschudden, want de natuur moet haar nooddruft hebben, doch overvloed of zinnelijk vermaak te zoeken, dit verbiedt uw heilige wet; want anders zou het vlees tegen de geest weerspannig worden. Dus bid ik U, dat uw hand mij in dit alles leide, en mij lere in alles matig te zijn. 

 

 

 

Hoofdstuk 27 

 

Dat eigenliefde allermeest van het hoogste goed verwijdert 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, gij moet u geheel aan Mij geven, en voor uzelf niets behouden. Weet dat de liefde tot uzelf u meer hindert dan enige zaak ter wereld. Volgens de liefde en neiging, die gij hebt, zult gij aan iedere zaak min of meer gehecht zijn. Is uw liefde zuiver, eenvoudig en wel geregeld, zo zult gij aan niets gekluisterd liggen. Begeer niet, wat gij niet moogt bezitten. Wil ook niet bezitten, wat u kan hinderen en u de vrijheid des harten benemen. Het is wonder, dat gij u niet uit de grond van uw hart geheel aan Mij overgeeft, met alles wat gij kunt wensen of bezitten. 

 

2. Waarom wordt gij gekweld met ijdele droefheid? Waarom u vermoeid met onnodige zorgen? Stel u geheel in mijn wil, en gij zult geen nadeel lijden. Indien gij dit of dat verlangt, en hier of daar wilt zijn, om uw gemak of om meer uw eigen wil te hebben, zo zult gij nooit gerust van hart, noch vrij van kommer zijn, want in alle dingen zult gij een gebrek vinden, en op alle plaatsen iemand die u tegenstreeft. 

 

3. Het helpt dan weinig uitwendige dingen te bekomen of te vermeerderen; het is veel beter die te versmaden, en met wortel uit te roeien. Dit moet gij niet alleen verstaan van schatten en rijkdommen, maar ook van het streven naar eer en ijdele lof, want al deze dingen gaan voorbij met de wereld. De plaats bevrijdt weinig, als de geest van ijver ontbreekt; en de vrede, die uitwendig gezocht wordt, zal niet lang duren, als de staat des harten de ware grondslag mist; dat is, indien gij in Mij niet berust, kunt gij u wel verplaatsen, maar uw lot niet verbeteren. Want bij de eerste gelegenheid, die er voorkomt, zult gij vinden, wat gij hebt willen ontvluchten, ja, nog erger. 

 

Gebed om zuiverheid der harten en hemelse wijsheid 

4. Versterk mij, o God, door de genade van de Heilige Geest. Geef dat de kracht, in de inwendige mens versterkt worde (1) en mijn hart zich ontdoe van alle onnuttige zorg en angst, en mij niet meer late vervoeren door de begeerlijkheid van aardse dingen, gering of kostbaar; maar dat ik alle dingen aanzie als vergankelijk, en mijzelf als moetende met hen voorbijgaan. Want niets is onbestendig onder de zon, ‘t is alles ijdelheid en kwelling des geestes (2). O hoe wijs is hij, die het alzo beschouwt! 

5. Geef mij ook, o Heer, de hemelse wijsheid, opdat ik lere U boven alles te zoeken en te vinden, boven alles te smaken en te beminnen verder alle dingen aan te zien gelijk zij in waarheid zijn, volgens ordening van uw wijsheid. Leer mij met voorzichtigheid de vleier vermijden, de tegenkanter geduldig verdragen; want het is grote wijsheid, zich niet te laten bewegen door alle woorden, en niet te luisteren naar bedrieglijke vleitaal; want alzo gaat men veilig voort op de ingeslagen weg. 

 

(1) Ef. 3: 16 (2) Eccl. 1: 14 

 

 

 

Hoofdstuk 28 

 

Goede raad tegen kwaadsprekers 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon! Bedroef of ontstel u niet, wanneer sommige mensen kwaad van u denken, en zeggen wat gij niet gaarne hoort. Want gij moet van uzelf nog erger denken, en niemand voor zwakker houden dan u. Indien gij inwendig voor God wandelt, zult gij de voorbijvliegende woorden er mensen niet veel achten. Het is geen kleine wijsheid stil te zwijgen in de kwade tijden, en inwendig zich tot Mij te keren, zonder ontsteld te worden door het oordeel der mensen. 

 

2. Stel uw vrede niet in de gevoelens of de woorden der mensen; want of zij kwalijk of goed gevoelen van u hebben, gij blijft daarom niet minder die gij zijt. Waarin is de ware vrede en ware roem anders te vinden dan in Mij? En die de mensen niet zoekt te behagen of vreest te mishagen, zal grote vrede genieten. Uit de ongeregelde liefde en ijdele vrees ontstaat alle onrust des harten en verstrooidheid der zinnen. 

 


Hoofdstuk 29 

 

Hoe men in tegenspoed God moet aanroepen en zegenen 

 

 

1. DE ZIEL. - Dat uw Naam in eeuwigheid gezegend zij, Heer? Die mij deze bekoring en deze kwelling hebt willen laten overkomen. Ik kan ze niet ontvluchten, maar ik word genoodzaakt tot U mijn toevlucht te nemen; opdat ik door uw hulp deze kwelling tot mijn goed moge keren. Heer! Zie, ik ben nu in het lijden, en mijn hart is ontsteld; ik word op deze stond door de bekoring zeer geplaagd. O lieve Vader! Wat zal ik nu zeggen? Zie, ik ben bevangen met grote schrik. Red mij in dit uur. Maar daarom ben ik in dit uur gekomen (1), opdat Gij zoudt verheerlijkt worden met mij te verlossen, nadat ik zeer diep vernederd ben geweest. Heer, dat het U toch believe mij te redden (2): want wat kan ik, arme mens, doen, en waar wil ik heen zonder U? O Heer! geef mij ook ditmaal geduld. Help mij, o God! En ik zal niet vrezen, hoezeer ik ook bezwaard worde. 

 

2. En wat zal ik intussen zeggen? Heer, dat uw wil geschiede (3); ik heb al te zeer verdiend alzo verdrukt en bezwaard te worden. Het past mij dan ook dit te verdragen: en ach! Of ik het verduldig mocht doen, totdat de storm voorbij zij, en het beter met mij ga! Uw almachtige hand zal ook deze bekoring van mij wegnemen, en haar geweld matigen, opdat ik niet geheel bezwijke: gelijk Gij tevoren zo dikwijls met mij gedaan hebt, o mijn God, mijn barmhartigheid! (4) En hoe moeilijker het voor mij is, hoe lichter voor U deze verandering is, die voortkomt van de rechterhand van den Allerhoogste (5). 

 

(1) Joann. 12: 27 (2) Ps. 39: 14 (3) Matth. 26: 42 (4) Ps. 58: 18 (5) Ps. 76: 2 

 

 


Hoofdstuk 30 

 

Dat wij Gods hulp moeten afsmeken en op de terugkeer van zijn genade vertrouwen 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon! Ik ben de Heer, die sterkte geeft in de dag der bekoring (1). Kom tot mij als het u niet welgaat. Wat allermeest de hemelse troost belet, is, dat gij u te laat tot het gebed begeeft. Want alvorens Mij met aandrang te bidden, zoekt gij elders troost, en uw vermaak in uitwendige dingen. En daarbij komt het dat alles weinig baat, totdat gij bekent dat Ik de Redder ben van wie op Mij hopen (2), en dat er buiten Mij geen krachtige hoop is, geen nuttige raad, geen duurzaam geneesmiddel. Maar nu gij weder adem schept na de storm, herneem uw moed in het licht van mijn barmhartigheden: want Ik ben nabij, zegt de Heer, om alles te herstellen, niet alleen volkomen, maar overvloedig en bovenmate. 

 

2. Is er voor Mij wel iets moeilijk om te doen? (3) Of zal Ik gelijk zijn aan iemand die gelooft en niet volbrengt? (4) Waar is uw geloof? Sta vast en volhard. Wees lankmoedig en manhaftig: de troost zal u op tijd toekomen. Wacht op Mij, wacht, Ik zal komen en u genezen. Een beproeving is het die u kwelt; een ijdele vrees, die u verschrikt. Waartoe dient al die bezorgdheid voor de onzekere toekomst? Niet dan om uw droefheid te vermeerderen. Iedere dag heeft aan zijn eigen leed genoeg (5). Het is zeer ijdel en dwaas, bedroefd te zijn of verblijd over de toekomstige dingen, die misschien nooit zullen gebeuren. 

 

3. Het is toch menselijk door zulke inbeeldingen ontsteld te worden, en een teken van kleinmoedigheid, als men zo licht bewogen en verleid wordt door het inblazen van de vijand. Want het is hem onverschillig, of hij iemand met ware of met valse voorstellingen verleidt en bedriegt; of hij iemand overwint door liefde voor het aanwezige of door vrees voor het toekomstige. Wees dan niet ontsteld of bevreesd van hart (6). Gelooft in Mij, en heb vertrouwen in mijn barmhartigheid. Als gij meent dat gij van Mij verwijderd zijt, dan ben ik dikwijls het dichtst nabij. Als gij meent dat bijna alles verloren is, dan is het dikwijls de tijd om veel te verdienen. Het is niet al verloren, omdat een zaak verkeerd uitvalt. Gij moet niet oordelen volgens de indruk, die gij tegenwoordig gevoelt, of gij moogt de zwarigheid, van waar die ook moge komen, zo diep in het hart niet ontvangen, of er u aan overgeven, alsof er geen hoop ware van daaruit te geraken. 

 

4. Wil niet denken, dat gij geheel verlaten zijt, als is het, dat Ik u voor een tijd enige kwelling toezend of u de vertroosting onttrek; want zo gaat men tot het rijk der hemelen. En het is voor u en voor al mijn dienaren ongetwijfeld voordeliger, door tegenspoed geoefend te worden, dan alles naar uw begeerte te hebben. Ik ken de verborgen gedachten, en Ik weet, dat het voor uw zaligheid zeer dienstig is, dat gij somtijds in dorheid en zonder vertroosting gelaten wordt, opdat gij u niet zoudt verheffen in de vooruitgang, en uzelf zoeken te behagen in wat gij niet zijt. Hetgeen Ik gegeven heb, mag Ik ontnemen, en ook weergeven als het Mij belieft. 

 

5. Als Ik iets geeft, dan blijft het mijne; als ik het afneem, neem Ik het uwe niet; want alle goede en volmaakte gift komt van Mij (7). Indien Ik u enige zwarigheid of tegenspoed overzend, weest niet gestoord of laat de moed niet zinken. Ik kan in een stond u verlichten en alle zwarigheid in blijdschap verkeren. En wanneer Ik alzo met u handel, blijf Ik rechtvaardig en waard hoog geprezen te worden. 

 

6. Indien gij wijs zijt, en naar waarheid oordeelt, zo zult gij in tegenspoed niet kleinmoedig zijn, maar eerder zult gij u verblijden en Mij bedanken. Ja, dit alleen zoudt gij voor ware blijdschap moeten rekenen, dat Ik u niet spare: maar door het lijden beproeve (8). Eertijds heb Ik tot mijn discipelen gezegd: Gelijk de Vader Mij bemind heeft, zo bemin Ik u (9). En deze discipelen heb Ik waarlijk niet gezonden tot tijdelijke vreugde, maar tot strijden en lijden; niet tot ereambten, maar tot versmadelijkheden; niet tot ledigheid, maar tot arbeid; niet om te rusten, maar om vele vruchten te vergaderen in lijdzaamheid. Zoon! Wil deze woorden altijd gedenken. 

 

(1) Nahum. 1: 7 (2) ps. 16: 7 (3) Jer. 32: 27 (4) Num. 23: 19 (5) Matth. 6: 34 (6) Joann. 17: 27 (7) Jac. 1: 17 (8) Job 6: 10 (9) Joann. 15: 12 

 

 

 

Hoofdstuk 31 

 

Men moet elk schepsel versmaden om de Schepper te kunnen vinden 

 

1. DE ZIEL. Heer! Ik heb nog grotere genaden nodig, indien ik zover wil komen dat noch mens, noch enig schepsel, mij zou kunnen hinderen. Want zolang mij nog enige zaak gebonden houdt, kan ik niet vrij tot U opvliegen. Hij had het verlangen om vrij te vliegen die kon zeggen: Wie zal mij vleugelen als van een duif geven, opdat ik opwaarts vliege en ruste? (1) Wat is er rustiger dan de blik van een eenvoudige? En wat is vrijer dan een mens, die niets verlangt op aarde? Wij moeten dan boven alle schepselen omhoogvaren, onszelf volkomen verlaten, en ons in de geest verheffen, om te bemerken dat Gij, de Schepper van alles, niets gemeen hebt met enig van uw schepselen. En zolang iemand niet gans ontbonden is van alle schepselen, zal hij zijn aandacht niet onbelemmerd op het goddelijke kunnen vestigen. Daarom vind men zo weinige mensen, die de geest der beschouwing hebben: omdat er zo weinigen zijn, die zich volkomen kunnen losmaken van de schepselen en van al het vergankelijke. 

 

2. Daartoe is er een grote genade nodig, die de ziel oplicht, en boven haarzelf opvoert. En zolang de mens in de geest niet aldus verheven is, onthecht van alle schepselen, en geheel verenigd met God, zolang is al wat hij bezit, weinig te achten. Hij zal lang klein zijn en tot de aarde geneigd blijven. Die buiten het enige, oneindige, en eeuwige Goed niets voor groot acht. Alles wat God niet is, dat is nietigheid, en moet voor nietigheid gehouden worden. Daar is groot verschil tussen de wijsheid van een verlicht en godvruchtig mens, en de wetenschap van een leergierig en geletterd geestelijke. De wijsheid die van boven komt en door God zelf wordt ingestort, is veel edeler dan die welke met moeite door menselijk verstand bekomen wordt. 

 

3. Men vindt er velen, die naar de beschouwing verlangen; maar zij zoeken niet te beoefenen wat daartoe nodig is. Het is ook een groot beletsel dat men zich ophoudt met uitwendige en zichtbare dingen, en weinig werk maakt van de volmaaktste versterving. Ik weet niet wat het is, noch door welke geest wij geleid worden, noch wat wij voorwenden, wij die naar de uiterlijke schijn geestelijke mensen heten; dat wij door zoveel arbeid en zorg nietige en vergankelijke dingen najagen, terwijl wij zelden of nooit met volkomen ingetogenheid van zinnen aan onze inwendige staat denken. 

 

4. Helaas! Als wij een weinig ingekeerd zijn, lopen wij aanstonds weer naar buiten; en zo onderzoeken wij nooit onze werken met naarstigheid. Wij zien niet na, waartoe onze genegenheden zich verlagen en betreuren niet dat al onze werken zo onrein zijn. Alle vlees had zijn weg bedorven (2) en daarom zond God de grote watervloed. Aangezien dan onze inwendige neiging zeer bedorven is, zo moeten onze werken, die er uit volgen, als het teken van onze inwendige krachteloosheid noodzakelijk ook bedorven zijn. De vrucht van een goed leven komt voort uit een zuiver hart. 

 

5. Men vraagt wel hoeveel iemand gedaan heeft; maar hoeveel deugd er in zijn daden is, daarop wordt niet nauwkeurig gelet. Men vorst na of iemand kloekmoedig, rijk, schoon en bekwaam is, of hij een goed zanger, een goed schrijver of werkman is; maar men vraagt zelden of hij arm van geest is, geduldig en zachtmoedig, of hij godvruchtig en ingekeerd is. De natuur ziet naar het uitwendige van de mens, maar de genade keert zich altijd tot het inwendige. De natuur bedriegt zich dikwijls, maar de genade stelt haar hoop op God, opdat zij niet bedrogen worde. 

 

(1) Ps. 64: 7 (2) Gen. 6: 12 

 

 

 

Hoofdstuk 32 

 

Over de zelfverloochening en de verzaking van alle begeerlijkheid 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, gij kunt de volkomen vrijheid niet bekomen, tenzij gij uzelf geheel verloochent. Want allen, die zichzelf zoeken en beminnen, zijn als geboeid; zij zijn vol kwade driften; nieuwsgierig her- en derwaarts lopende; zij zoeken altijd hun gemak, en niet wat Mij aangenaam is; zij beramen dikwijls en beginnen wat geen stand kan houden. Want alle dingen, die uit God niet komen, moeten vergaan. Onthoud deze korte maar diepzinnige woorden: Verlaat alles en gij zult alles vinden. Verzaak alle begeerlijkheid en gij zult troost vinden. Overleg dit dikwijls in uw gemoed, en als gij het volbracht zult hebben, zult gij er de waarheid van begrijpen. 

 

2. DE ZIEL. - Heer! Dit is geen werk van een dag, noch kinderspel: al de volmaaktheid van het geestelijk leven is in die korte woorden opgesloten. 

 

3. CHRISTUS. - Zoon! Gij moet u niet laten afschrikken, of niet terstond kleinmoedig worden, als gij hoort spreken van de weg der volmaaktheid; maar eerder opgewekt worden tot het hogere of ten minste met een grote begeerte daarnaar verlangen. Och, ware het met u zo gesteld en waart gij zover gekomen, dat gij uzelf niet meer beminde, maar eenvoudig wist te gehoorzamen op mijn wenk, of op die van de overste, die Ik over u gesteld heb, dan zoudt gij Mij zeer behagen, en zou geheel uw leven in blijdschap en ware vrede voorbijgaan. Nog veel hebt gij te verlaten, en indien gij er om mijnentwil niet van afziet, zult gij nooit bekomen wat gij van Mij begeert. Ik raad u, koop van Mij goud door het vuur beproefd (1), opdat gij rijk wordt, dat is te zeggen; de hemelse wijsheid, die al het aardse met voeten treedt. Versmaad daarvoor alle aardse wijsheid, alle menselijk opzicht, en eigenbehagen. 

 

4. Ik zeg u, verwissel het grote en kostbare in de ogen der mensen, voor het geringere. Want de ware wijsheid des hemels, die geen groot gevoelen van zichzelf heeft, en geen verheffing zoekt op aarde, is nu zeer klein geacht en bijna gans vergeten: velen prijzen met haar de mond, maar door hun leven wijken zij er van af. Nochtans is zij die kostbare parel (2), voor velen verborgen. 

 

(1) Apoc. 3: 18 (2) Matt. 13: 46 

 

 

 

Hoofdstuk 33 

 

Over de onstandvastigheid des harten, en de plicht ons einddoel in God te stellen 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, vertrouw niet veel op uw stemming van dit ogenblik, want die kan spoedig veranderen. Zolang gij leeft, zult gij aan verandering onderhevig zijn, en dit met of tegen uw wil; nu blijgemoed, dan droevig; nu gerust, dan ongerust; nu godvruchtig, dan zonder godsvrucht; nu naarstig, dan traag; nu ernstig, dan lichtzinnig. Maar de wijze, die in ‘t geestelijke wel geoefend is, verheft zich boven al dat wisselvallige. Hij geeft geen acht wat hij in zijn gemoed gevoelt, of van welke zijde de wind der ongestadigheid blaast; maar hierop, dat zijn ziel met volle krachtinspanning naar het voorgeschreven en gewenste doel vooruitga. En zo is het dat hij in het midden van allerhande lotswisselingen op Mij alleen zijn mening en inzichten stellende, onwrikbaar en altoos een en dezelfde blijft. 

 

2. En hoe zuiverder het oog der mening is, hoe standvastiger men te midden der menigvuldige stormen wandelt. Maar dat oog wordt in velen verduisterd, omdat men zich licht keert tot iets vermakelijks dat zich voordoet. Want zelden wordt er iemand gevonden, die gans vrij is van de vlek der zelfzucht. Zo kwamen eertijds de Joden te Bethanië tot Maria, en Martha, niet voor Jezus alleen, maar tevens om Lazarus te zien. (1) Men dient dus het oog van zijn mening te zuiveren, opdat het eenvoudig en oprecht weze, en het tussen allerhande voorvallen en veranderingen tot Mij te sturen. 

 

(1) Joh. 12: 9 

 

 

 

Hoofdstuk 34 

 

Wie God bemint, vindt bij alles en boven alles in Hem zijn genoegen 

 

 

1. DE ZIEL. - Ziedaar mijn God en mijn Al! Wat wil ik mee, wat kan ik gelukkigers wensen? O troostrijk en zoet woord! Maar voor hem die het Woord bemint, niet de wereld en wat in de wereld is (1). Mijn God en mijn Al! Dit is dikwijls genoeg gezegd voor die het verstaat; en het dikwijls herhalen, is genoegzaam aan die bemint. Want daar Gij, o Heer! Tegenwoordig zijt, is alles aangenaam; maar waar gij niet zijt, is alles verdrietig. Gij maakt onze harten gerust, Gij verleent grote vrede en feestvreugde. Gij maakt dat men zich alles laat welgevallen, en in alle dingen U love; zonder U kan niets lang behagen; maar om ergens smaak en genoegen in te bekomen, moet er uw genade bij wezen, en het zout van uw wijsheid het bereiden. 

 

2. O Heer, die U smaakt, wat zal er hem smakeloos zijn? En iemand, die geen smaak in U heeft, wat zal hem aangenaam kunnen wezen? Maar de wijzen van deze wereld, en de vleselijke gezinden, vergaan in hun wijsheid; want in de wereld is niets dan ijdelheid, en in het vlees niets dan de dood. Maar zij, die U volgen door het versmaden van de wereld en door de versterving van het vlees, zijn waarachtig wijs; want zij gaan van de ijdelheid tot de waarheid over, en van de vleselijkheid tot de geest. Zulke mensen vinden smaak in God, en het goed dat zij in de schepselen vinden, wenden zij aan tot lof van hun Schepper. Nochtans is er een verschil, een groot verschil tussen de smaak van de Schepper en het schepsel, van de eeuwigheid en de tijd, van het ongeschapen licht en het ontstoken licht. 

 

3. O eeuwig licht, dat alle geschapen lichten oneindig te boven gaat: schiet uw stralen uit van de hemel, en dat zij het binnenste van mijn hart doordringen. Zuiver, verblijd, verlicht en verlevendig mijn ziel met al haar krachten, opdat zij zich met u verenige in juichende verrukking. Ach! Wanneer zal het gelukkig en wenselijk uur komen, dat Gij mij zult verzadigen door uw tegenwoordigheid, en mij alles zijn in alle dingen? Want zolang dit mij niet verleend wordt, zal mijn blijdschap niet volkomen wezen. Helaas, de oude mens leeft in mij, hij is nog niet geheel gekruisigd, niet volkomen dood. Hij staat nog krachtig op tegen de geest: hij voert nog inwendig strijd, en laat het rijk van mijn ziel geen rust. 

 

4. Maar Gij, o Heer! Die heerschappij hebt over de zee, en het geweld van haar baren stilt, sta op, kom mij te hulp (2). Verstrooi de volkeren die oorlog zoeken (3), en verplet ze door uw kracht. Ik bid U, toon uw wonderwerken, en doe de macht van uw rechterarm uitschijnen (4); ik heb anders geen hoop noch toevlucht dan in U, mijn Heer en mijn God! 

 

(1) 1 Joan. 2: 15 (2) Ps. 88: 10 (3) Ps. 67: 32 (4) Judith 9: 2 

 

 

 

Hoofdstuk 35 

 

In dit leven is men niet beveiligd tegen bekoringen 

 

 

1. CHRISTUS . - Zoon, gij zijt in dit leven nooit veilig; maar zolang gij leeft zullen u geestelijke wapenen nodig zijn. Gij wandelt in het midden der vijanden; van alle kanten wordt gij bevochten. Indien gij u dan niet gedurig dekt met het schild van verduldigheid, zult gij niet lang ongewond blijven. Daarenboven, indien gij uw hart niet vast op Mij stelt, met de vaste wil van alles uit liefde tot Mij te lijden, zo zult gij het geweld der bekoring niet uitstaan, noch de palmtak der gelukzaligen bekomen. Gij moet dan kloekmoedig door alles heen dringen, en grote kracht gebruiken tegen alle wederstand. Want het Manna wordt de overwinnaar gegeven (1), en voor de lafhartige is er vele ellende bereid. 

 

2. Indien gij rust zoekt in dit leven, hoe dan zult gij hiernamaals tot de eeuwige rust komen? Bereid u niet tot veel rust, maar tot veel verduldigheid. Zoek de ware vrede niet op aarde, maar in de hemel; niet bij de mensen of de andere schepselen, maar in God alleen. Ter liefde van God moet gij alles gaarne ondergaan: arbeid, pijnen, bekoringen, kwellingen, benauwdheden, armoede, ziekten, opspraak, verwijten, vernederingen, schande, berispingen, versmadingen. 

 

Deze dingen helpen tot de deugd; deze beproeven de navolger van Christus; deze bereiden de hemelse kroon. Voor kortstondige arbeid zal ik eeuwig loon geven, en van voorbijgaande schande oneindige glorie. 

 

3. Meent gij altijd geestelijke vertroostingen te hebben, als gij ze verlangt? Mijn heiligen hebben die niet altijd gehad, maar integendeel veel zwarigheden, velerlei bekoringen en grote verlatenheid. Doch zij zijn in alles verduldig geweest, en hebben hun betrouwen meer op God dan op zichzelf gesteld, gedenkende dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet te achten is bij de toekomende glorie (2), welke er door verdiend wordt. Wilt gij terstond hebben wat velen nauwelijks na macht van tranen en zware arbeid bekomen hebben? Verwacht de Heer, gedraag u mannelijk (3), en wordt gesterkt; mistrouw niet, wijk niet af: maar geef leven en lichaam edelmoedig ten beste voor de glorie van God. Ik zal het u ten volle vergelden, en Ik zal met u wezen in al uw lijden. 

 

(1) Apoc. 2: 17 (2) Rom. 8: 18 (3) Ps. 26: 14 

 

 

 

Hoofdstuk 36 

 

Men moet de ijdele oordelen der mensen niet vrezen 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, stel de rust van uw hart vast in de Heer, en vrees de oordelen der mensen niet, wanneer uw geweten van uw onschuld getuigt. Het is goed en zalig alzo te lijden, en dit zal ook niet zwaar vallen aan een ootmoedig hart dat meer op God dan op zichzelf betrouwt. De mensen zeggen veel, zeer veel; en daarom is er weinig geloof aan te geven. Het is ook onmogelijk allen te voldoen. Alhoewel Paulus getracht heeft eenieder te behagen in de Heer, en alles voor allen geworden is (1), nochtans achtte hij het voor de minste, voor de vierschaar der mensen te worden geoordeeld (2). 

 

2. Hij heeft zijn best gedaan om anderen te stichten, en aan hun zaligheid gearbeid zoveel in zijn macht was; maar hij heeft niet kunnen beletten dat hij door sommige mensen veroordeeld en belasterd werd. Daarom heeft Hij zijn Hemelse Vader alles aanbevolen, wie alles bekend is; en heeft zichzelf door geduld en ootmoed gewapend tegen kwaadsprekende tongen, en tegen de ijdele en leugenachtige vermoedens van hen die alles naar willekeur uitbrachten. Nochtans heeft hij somtijds zich verantwoord, opdat de kranken door zijn stilzwijgen niet verergerd zouden worden. 

 

3. Wie zijt gij dat gij vreest voor een sterfelijk mens? (3) Heden is hij, en morgen ziet men hem niet meer. Vrees God, en gij zult voor het schrikbarende van mensen niet beven. Wat kan een mens u doen met al zijn woorden en lasteren? Hij hindert zich erger dan u; en hij zal Gods woord niet ontgaan, wie hij ook zijn moge. Wat u betreft, heb God voor ogen, en wil nergens over twisten of klagen. Al schijnt gij nu te bezwijken, en onverdiend enige beschaamdheid te lijden, wil u daarom niet ontstellen, en verminder uw kroon niet door onlijdzaamheid. Maar wend liever uw ogen tot Mij in de hemel; tot Mij, die machtig ben u te verlossen uit alle beschaming en ongelijk, en aan eenieder te geven volgens zijn werken (4). 

 

(1) 1 Kor. 9: 22 (2) 1 Kor. 4: 3 (3) Is. 51; 12 (4) Rom. 2: 6 

 

 

 

Hoofdstuk 37 

 

Men moet zichzelf volledig en zuiver aan God overgeven, om de vrijheid des harten te bekomen 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, verlaat uzelf, en gij zult Mij vinden. Wees zonder voorkeur, sta alle eigendom af, en gij zult gedurig winst doen. Want zohaast gij uzelf zonder wederhouding aan Mij overgeeft, zal u nog overvloediger genade gegeven worden. 

 

2. DE ZIEL. - Heer, hoe dikwijls moet ik mij overgeven en waarin mij onderwerpen? 

 

3. CHRISTUS. - Altijd en in alle stonden, zo in grote als in kleine dingen. Ik maak geen uitzondering, maar Ik wil dat Ik u van alles ontbloot vinde. Hoe zult gij anders aan Mij, en Ik aan u kunnen toebehoren, tenzij gij van buiten en van binnen van alle eigen wil beroofd zijt? Hoe eerder gij dit doet, des te beter zult gij u bevinden; en hoe volkomener en rechtzinniger gij het doet, zoveel te behaaglijker zult gij Mij wezen, en meerder verdiensten hebben. 

 

4. Sommigen geven zichzelf over, doch met enig voorbehoud; zij vertrouwen niet volkomen op God, en daarom willen zij zich nog voorzien van wat hun nodig kan zijn. Anderen offeren alles op, maar daarna, door bekoring geschokt, leren zij weder tot zichzelf, en daarom gaan zij zeer weinig vooruit in de deugd. Dezen beider zullen nimmer tot de ware vrijheid van een zuiver hart, en tot de genade van mijn zoete gemeenschap komen, voordat zij zich eerst volkomen aan Mij overgeven, en zich dagelijks opofferen; zonder dit offer kan men zich met Mij niet verenigen, of Mij genieten. 

 

5. Ik heb u dikwijls gezegd, en zeg het nogmaals: verzaak uzelf, geef uzelf over aan Mij, en gij zult grote inwendige vrede smaken. Geef alles voor alles: verlang niets, vraag niets weder, houd u standvastig aan Mij gekleefd en gij zult Mij bezitten. Dan zult gij vrij zijn van hart, en de duisternis zal u niet nederdrukken (1). Betracht dit, vraag dit, wens dit: namelijk van alle eigenliefde verlost te wezen, om naakt, de naakte Jezus te volgen, uzelf af te sterven, en eeuwig voor Mij te leven. Dan zullen alle ijdele inbeeldingen, boze ontsteltenissen, en overtollige zorgen verdwijnen. Dan ook wijkt alle onmatige vrees en sterft alle ongeregelde eigenliefde. 

 

(1) Ps. 138: 2 

 

 

 

Hoofdstuk 38 

 

Over de goede regeling van het inwendig gedrag en de toevlucht tot God in de gevaren 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, gij moet zorgvuldig trachten, in alle plaatsen en in alle werken of uitwendige bezigheden, inwendig vrij te zijn en uzelf te bezitten! Zodanig dat aan alles u onderworpen zij, en zij aan niets. Opdat gij meester en bestuurder van al uw werken zijt, en geen dienstknecht of slaaf. Gij zult alzo een oprecht en vrij Hebreër zijn, overgaande tot het erfdeel en de vrijheid van Gods ware kinderen; Die verheven zijnde boven al de tijdelijke dingen, de eeuwige zaken in de toekomst aanschouwen; Die zich niet laten verlokken door het aards om het aan te hangen; maar deze eerder aantrekken om ze tot het goed te doen dienen, volgens dat het van God geschikt is, en ingesteld door de opperste Werkmeester, die niets ongeschikt in zijn schepsel gelaten heeft. 

 

2. Indien gij in alle voorvallen niet blijft staan bij de uitwendige schijn, en wat gij hoort of ziet, met geen zinnelijk oog beschouwt, maar bij iedere aangelegenheid terstond met Mozes in het tabernakel gaat, om van God raad te vragen, zo zult gij de goddelijke ingeving ook somtijds horen, en onderwezen in vele tegenwoordige en toekomende dingen wederkeren. Want Mozes nam in twijfelachtige vragen altijd zijn toevlucht tot het tabernakel; en zocht hulp in het gebed, om verlost te worden van de gevaren en de listen der kwade mensen. Alzo moet gij ook uw toevlucht nemen tot het binnenste van uw hart, en daar met alle aandrang de hulp van God afsmeken. Want waarom leest men dat Josuë en de kinderen van Israël bedrogen zijn geweest door de Gabaonieten? Omdat zij God vooraf niet te rade waren gegaan (1), maar te licht geloofden aan verlokkende woorden, en zo werden zij door gehuichelde vroomheid misleid. 

 

(1) Jos. 9: 14 

 

 

 

Hoofdstuk 39 

 

Dat men in zijn zaken niet al te bezorgd moet zijn 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon! beveel Mij altijd uw zaken aan; Ik zal alles ten beste schikken op zijn tijd. Wacht naar mijn beschikking, en gij zult er baat bij hebben. 

 

2. DE ZIEL. - Heer, zeer gaarne laat ik U al mijn zaken over; want mijn gedachten kunnen mij weinig baten. Ach, dat ik voor de toekomst niet bekommerd en beangstigd ware, en mij in alles terstond aan uw welbehagen opdroeg. 

 

3. CHRISTUS. - Zoon, dikwijls jaagt de mens met drift een zaak na, die hij gaarne had: maar als zij ze bekomen heeft, zo begint hij anders te denken; want zijn neigingen blijven niet lang staan op een en dezelfde zaak, maar drijven hem gedurig van het een tot het ander. 

 

Het is daarom van geen gering belang, zichzelf ook in het minste te verloochenen. 

 

4. De ware vooruitgang van de mens ligt in zelfverloochening, en de mens die zich verloochent, is zeer vrij en gerust. Maar de oude vijand, die strijdt tegen al wat goed is, houdt niet op te bekoren; dag en nacht legt hij listen en lagen, hopende de onvoorzichtige eens in zijn strikken te vangen. Waakt en bidt, zegt de Heer, opdat gij in geen bekoring valt (1). 

 

(1) Matth. 26: 41 

 

 

Hoofdstuk 40 

 

De mens heeft niets goeds uit zichzelf en mag zich nergens over beroemen 

 

 

1. DE ZIEL. - Heer, wat is de mens dat Gij hem gedachtig zijt? Of de zoon van de mens, dat Gij hem bezoekt? (1) Waar heeft de mens verdiend dat Gij hem uw genade geeft? Wat mag ik mij beklagen, Heer, als Gij mij verlaat; of wat kan ik er met reden tegen inbrengen, als Gij niet doet wat ik verzoek? Dit mag ik voorwaar denken en zeggen: Heer, ik ben niets, ik vermag niets, ik heb niets goeds uit mijzelf; maar ik bezwijk in alle dingen, en ik zink altijd naar het niet. En indien ik door U niet geholpen, en inwendig versterkt word, zo zal ik zeer lauw en krachteloos worden. 

 

2. Maar Gij, o Heer! Blijft altijd dezelfde, en blijft in eeuwigheid (2); altijd goed, altijd rechtvaardig, altijd heilig; Gij doet alle dingen wèl, heilig en rechtvaardig, en beschikt alles in uw wijsheid. Maar ik, meer genegen om achteruit dan om voorwaarts te gaan, ik blijf niet duurzaam in dezelfde staat: want allerlei wisselingen gaan over mijn hoofd (3). Nochtans gaat het haast beter met mij, als het U belieft mij uw helpende hand toe te reiken: want Gij alleen kunt mij zonder mensenhulp bijstand verlenen, en zó versterken, dat mijn gelaat niet telkens van uitdrukking verandere (4), maar dat mijn hart alleen tot U keert en in U rust. 

 

3. Daarom, indien ik alle menselijke troost wel kon verwerpen, hetzij om de godsvrucht te bekomen, hetzij ter oorzake van de noodzakelijkheid, die mij praamt U te zoeken (want geen mens ter wereld kan mij troosten), dan zou ik met reden uw genade mogen verwachten, en mij verblijden over de gave van een nieuwe vertroosting. 

 

4. Ik dank U, o Heer! Die de oorsprong zijt van alles, zo dikwerf mij iets goeds overkomt. Maar ik, ik ben voor uw ogen ijdelheid en nietigheid, een ongestadig en krank mens. Waarop dan kan ik mij beroemen, of waarom zoek ik geacht te worden? Om mijn niet? Dit is het toppunt der ijdelheid. Voorwaar, ijdele glorie is een verschrikkelijke pest en de grootste aller ijdelheden; want zij trekt ons af van de ware glorie, en berooft ons van de hemelse genade. Want als de mens in zichzelf behagen heeft, zo mishaagt hij U; en als hij de lof der mensen zoekt, verbeurt hij de ware deugd. 

 

5. Maar het is ware glorie en heilige blijdschap in U en niet in zichzelf zijn roem te stellen; zich in uw Naam, en niet in eigen deugd te verblijden, en geen vermaak te hebben in enig schepsel dan om U. Uw naam zij geloofd en niet de mijne; uw werk zij geprezen en niet het mijne; uw heilige Naam zij gezegend, en niets van de lof der mensen worde mij toegeschreven. Gij zijt mijn glorie, Gij zijt de verheuging van mijn hart. In U zal ik roemen en onophoudelijk mij verblijden; maar voor mij zij geen andere roem dan in mijn krankheden (5). 

 

6. Dat de Joden hun glorie zoeken bij elkander (6): ik zal die zoeken, die van God alleen komt (7). Alle menselijke glorie, alle tijdelijke eer en alle wereldse hoogheid, vergeleken bij uw eeuwige glorie, is ijdelheid en dwaasheid. O mijn God, mijn Waarheid, mijn Barmhartigheid! O allerheiligste Drievuldigheid! U alleen zij lof en eer, macht en glorie in alle eeuwen der eeuwen. 

 

(1) Ps. 8: 5 (2) Ps. 101: 13,28 (3) Dan. 4: 13 (4) 1 Kon. 1: 18 (5) 2 Kor. 12: 5 (6 en 7) Joh. 5: 1,44 

 

 

 

Hoofdstuk 41 

 

Over het verachten van alle tijdelijke eer 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon! Bedroef er u niet om, als gij ziet dat anderen geëerd en verheven worden, en gij veracht en vernederd. Hef uw hart tot Mij in de hemel, en gij zult u niet bedroeven wanneer gij op aarde door de mensen versmaad wordt. 

 

2. DE ZIEL. - Heer! Wij zijn zeer verblind en worden licht misleid door de ijdelheid. Als ik mijzelf juist beoordeel, is mij nooit door enig schepsel ongelijk gedaan: diensvolgens heb ik geen billijke reden om van U te klagen. Want vermits ik dikwijls en zwaar gezondigd heb tegen U, zo is het recht en redelijk dat alle schepsel tegen mij opsta. Schande dus en smaad komt mij rechtvaardig toe; U, o Heer! Behoort lof, eer en roem. En indien ik mij niet bereid houd om door alle schepselen gaarne verlaten, veracht en voor volstrekt niets gerekend te worden, zo kan ik de inwendige vrede des harten niet bekomen, noch geestelijk verlicht worden en volkomen verenigd zijn met U. 

 

 

 

Hoofdstuk 42 

 

Dat wij de vrede niet van mensen moeten laten afhangen 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, indien gij uw vrede op enig persoon stelt, omdat hij met u van hetzelfde gevoelen is en in goede overeenkomst leeft, zo zult gij altijd ongestadig en ongerust wezen. Maar indien gij uw toevlucht neemt tot de waarheid, die altijd leeft en altijd blijft, zo zult gij niet droef zijn, als een vriend van u scheidt of sterft. De liefde voor uw vriend moet op Mij rusten; al die u goed toeschijnen en u in dit leven dierbaar zijn, moet gij om Mij beminnen. Zonder Mij is geen vriendschap goed of duurzaam; en het is geen ware en zuivere liefde, die niet door Mij geknoopt is. Gij moet van de vriendschap der mensen zodanig onthecht zijn, dat gij, (voor zoveel het u aangaat) buiten alle menselijk gezelschap zoudt willen blijven. Hoe meer de mens zich van alle aardse troost verwijdert, zoveel te meer nadert hij tot God. En hij klimt ook zoveel te hoger tot God, hoe dieper hij in zichzelf nederzinkt, en verachtelijker wordt in eigen oog. 

 

2. Maar die zichzelf iets goeds toeschrijft, belet de toegang van Gods genade, want de Heilige Geest zoekt altijd een ootmoedig hart. Indien gij u volkomen wist te vernietigen, en alle geschapen liefde uit uzelf te bannen, dan zou Ik met grote genade tot u moeten komen. Want zo gij het oog vestigt op de schepselen, zo verliest gij de Schepper uit het gezicht. Leer uzelf in alles om God overwinnen, dan zult gij tot zijn kennis kunnen komen. Hoe onbeduidend een zaak moet zijn, zo zij ongeregeld bemind en gezocht wordt, besmeurt zij de ziel, en houdt u terug van het hoogste Goed. 

 

 

 


Hoofdstuk 43 

 

Tegen de ijdele wetenschap der wereld 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, laat u niet bewegen door schone en diepzinnige mensentaal; want het rijk Gods bestaat niet in woorden, maar in hemelse Kracht (1). Let op mijn woorden, die het hart ontsteken en het verstand verlichten; die het leedwezen van het hart verwekken en velerhande troost verschaffen. Lees immer mijn woord, om daardoor geleerder of wijzer te schijnen. Leer uw gebreken uitroeien, dit zal u meer baten dan de kennis van vele moeilijke leerstukken. 

 

2. Als gij veel gelezen en geleerd zult hebben, zo moet gij evenwel altoos op het enige beginsel terugkomen. Ik ben het die de mens wetenschap leer (2), en aan de ootmoedigen meer kennis geef (3) dan zij van enig mens kunnen leren. Hij, tot wie ik spreek, zal spoedig geleerd zijn, en in het verstand zeer toenemen. Wee hun, die van de mensen veel nieuwe en zeldzame dingen willen leren, en die weinig vragen naar de weg om Mij te dienen! De tijd zal komen, waar de Meester der meesters, Christus, de Heer der Engelen, zal verschijnen, om ieders les te horen; dat is om eenieders geweten te onderzoeken. En dan zal Hij met lantaarnen doorvorsen (4): en de geheimen der duisternis zullen openbaar worden (5), en alle menselijke redenering zal verstommen. 

 

3. Ik ben het, die, op een oogslag, een ootmoedig hart zó verhef, dat het meer begrijpt van de eeuwige waarheid, dan hij die tien jaren in de scholen had gestudeerd. Ik leer zonder gedruis van woorden, zonder verwarring van gevoelens, zonder opgeblazen eergierigheid, zonder strijd van redetwist. Ik leer het aardse verachten, van het tegenwoordige walgen, het eeuwige zoeken en smaken, alle eer vluchten, de ergernis en het ongelijk verdragen, alle hoop op Mij stellen, niets begeren buiten Mij, en boven alles Mij vurig beminnen. 

 

4. Men vindt er die, met Mij innig te beminnen, het goddelijke kennen en bewonderenswaardig spreken. Zij zijn meer gevorderd in deugden met alles te verlaten, dan met het bestuderen van vernuftige dingen. Maar aan sommigen leer ik gewone dingen, aan anderen bijzondere. Aan de een openbaar ik mij meer liefelijk in tekens en beeltenissen, doch aan anderen ontsluier in verborgen geheimen in een klaar licht. De stem der boeken is voor eenieder dezelfde, maar zij onderricht niet allen op gelijke wijze: want Ik ben de inwendige Leraar, de Waarheid, de Onderzoeker des harten, de Doorgronder der gedachten, de Bevorderaar der goede werken, eenieder bedelende volgens mijn welbehagen. 

 

(1) 1 Cor. 4: 20 (2) Ps. 93: 10 (3) ps. 118: 130 (4) Wijsh. 1: 12 (5) 1 Cor. 4: 5 

 

 

 

Hoofdstuk 44 

 

Men moet zich de uitwendige dingen niet te veel aantrekken 

 

 

1...CHRISTUS. - Zoon, gij moet in vele dingen onwetend blijven (1), en u aanzien als een dode op de aarde, voor wie geheel de wereld gekruisigd is. Gij moet ook veel met dove oren laten voorbijgaan, en liever denken op wat uw vrede bevordert. Het is beter uw ogen af te keren van wat u mishaagt, en ieder in zijn goeddunken te laten, dan aanleiding te geven tot twisten. Indien gij met God wèl staat, en altijd op zijn oordeel denkt, zo zult gij licht verdragen dat men u ongelijk geve. 

 

2. DE ZIEL. - O heer! Waartoe zin wij gekomen? Zie, men beweent een tijdelijk verlies; men loopt en arbeidt om een klein gewin; en het geestelijk verlies wordt vergeten; ternauwernood komt men na lange tijd tot andere gedachten. Men geeft achting op wat weinig of niet baat; en wat allermeest nodig is, wordt veronachtzaamd; omdat de gehele mens zich buitenwaarts uitstort, en, tenzij hij niet ras tot bezinning komt, met vermaak in het uitwendige rusten blijft. 

 

(1) Eccl. 32: 12 

 

 

 


Hoofdstuk 45 

 

Dat men iedereen niet moet geloven, en hoe licht men in woorden struikelt 

 

1. DE ZIEL. - Heer! Geef mij uw bijstand in de kwelling, want de hulp der mensen is ijdel. (1) Hoe dikwijls heb ik geen trouw gevonden, waar ik die zeker meende te vinden? En hoe dikwijls heb ik er gevonden, waar ik ze niet gezocht zou hebben! IJdel is dan de hoop, op mensen gebouwd; maar het heil der rechtvaardigen is in U, o Heer! Wees gezegend, mijn Heer en mijn God, in alles wat ons overkomt. Wij zijn krank en ongestadig; spoedig bedriegen wij ons en veranderen wij. 

 

2. Wie is de mens, die zich zo voorzichtig in alles kan gedragen, dat hij niet soms in enige dwaling of verwarring valle? Maar, o Heer! Die op U vertrouwt, en U met een zuivere mening zoekt, zal zo licht niet stronkelen. En al valt hij somtijds in enige kwelling, ja hoezeer hij ook daarin gewikkeld zij, hij zal er welhaast door U uitgeholpen of getroost worden: want Gij verlaat hem niet die op U vertrouwt. Men vindt zelden een trouwe vriend, die bij alle verdrukkingen van zijn vriend standvastig blijft. Gij alleen, o Heer! Gij zijt de allergetrouwste vriend, en buiten U is er geen ander zoals Gij! 

 

3. Ach! Hoe wijselijk sprak de Heilige Agatha, als zij zeide: Mijn hart is bevestigd en gegrond op Jezus Christus. Indien ik alzo gesteld ware, de vrees der mensen zou mij zo licht niet ontstellen, noch de bijtende woorden mij ontroeren. Wie kan alle dingen voorzien? Wie kan alle kwade voorvallen vermijden? Indien het kwaad dat men voorziet, nog veelal kwetst, hoeveel te zwaarder zal ons dit wonden, welk wij niet voorzien? Maar waarom heb ik, arme, niet beter overlegd? En waarom heb ik zo licht anderen geloofd? Maar wij zijn mensen, en wij zijn niets dan zwakke mensen, al is het dat wij soms door velen voor Engelen gehouden worden. Op wie zal ik dan voortaan vertrouwen, o Heer! Anders dan op U alleen? Gij zijt de Waarheid, die niet bedriegt, noch bedrogen kunt worden. Integendeel: ieder mens is leugenachtig (2), krank, ongestadig, licht struikelend, bijzonder in zijn woorden; zodat niemand terstond moet geloven, al schijnen zijn woorden rechtzinnig te zijn. 

 

4. Hoe wijselijk, o Heer! Hebt Gij ons gewaarschuwd, ons te wachten voor mensen 3); dat huisgenoten van de mens zijn vijanden zijn (4), en dat men geen geloof moet geven aan hen die zeggen: Zie Christus is hier of Hij is daar (5). Ik ben wijs geworden door eigen schade, en ach, mocht het mij tot meerdere voorzichtigheid strekken en niet om tot nieuwe dwaasheid te vervallen. Wees voorzichtig, zegt mij iemand, wees voorzichtig, en houd voor u wat ik zeg; en terwijl ik zwijg en meen dat het verborgen is, kan hij dat zelf niet stilhouden, maar zichzelf en mij verraden hebbende, gaat hij heen. Bewaar mij, Heer, voor zulke onbezonnen en onvoorzichtige mensen, opdat ik niet in hun handen val, of nooit zo handel. Geef aan mijn mond een waarachtig en standvastig woord, en verwijder van mij de tong van arglist. Wat ik in anderen niet wil lijden, daar moet ik mijzelf voor wachten. 

 

5. Ach! Hoe goed en vredestichtend is het van anderen te zwijgen, niet alles licht te geloven, of niet lichtvaardig iets voort te zeggen; Aan weinigen zijn hart te openbaren, en U, o Heer! Altoos voor ogen te hebben; In zich niet te laten omdraaien door elke wind van woorden, maar te wensen dat alles binnen en buiten ons volbracht moge worden volgens uw welbehagen. Hoe nuttig is het, tot het behoud der hemelse genade, vertoon onder de mensen te ontwijken en die dingen niet te begeren, die de bewondering der mensen schijnen te verwekken; maar met alle naarstigheid betrachten wat de verbetering van het leven en de ijver bevordert. Hoe schadelijk is het niet geweest aan vele mensen, dat hun deugd bekend was en te vroeg geprezen werd. Hoe voordeliger daarentegen, dat over de genade het stilzwijgen werd bewaard in dit broze leven, dat te recht een gedurige strijd en een onophoudelijke bekoring wordt genoemd (6) 

 

(1) ps. 59: 13 92) Ps. 115: 2 (3) Matth. 10: 17 (4) Matth. 10: 36 (5) Matth. 24: 13 (6) Job 7: 1 

 

 

 

Hoofdstuk 46 

 

Dat men zijn vertrouwen op God moet stellen, als pijlen van boze tongen ons treffen 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, sta vast en hoop op mij. Wat zijn woorden anders dan woorden? Zij vliegen door de lucht, maar een steen doen ze geen kwaad. Indien gij u schuldig kent, denk om u te beteren; indien gij niet plichtig zijt, denk dat gij dit gaarne om God wilt lijden. Het is wel weinig genoeg, dat gij somtijds al enige onredelijke woorden verdraagt, gij die nog geen zware beproevingen kunt verduren. En waarom gaan zulke kleinigheden u ter harte, tenzij omdat gij nog zinnelijk en onverstorven zijt, en meer om de mensen bekommerd zijt dan het behoort? Want omdat gij vreest minacht te worden, daarom wilt gij niet berispt worden over uw gebreken, en zoekt die door verontschuldigingen te dekken. 

 

2. Maar onderzoek u beter, en gij zult erkennen dat de wereld nog in u leeft, en de ijdele begeerte om aan mensen te behagen. Want als gij weigert vernederd te worden beschaamd gemaakt om uw gebreken, zo blijkt het genoeg, dat gij niet oprecht ootmoedig, niet oprecht aan de wereld afgestorven zijt, en dat de wereld voor u niet gekruisigd is (1). Luister maar naar mijn woord, en gij zult om honderd duizend woorden van mensen u niet bekommeren. Al ware het dat men alles tegen u inbracht wat de boosheid kan verzinnen, wat zou u dat hinderen, indien gij dit liet voorbijgaan, en niet meer achtte dan een niet? Zouden al die woorden u wel een haarpijl kunnen doen verliezen? 

 

3. Maar hij die niet ingetogen van hart is en God niet voor ogen houdt, die wordt licht ontroerd door een smadelijk woord. Hij, integendeel, die op mij vertrouwt, en op zijn eigen oordeel niet steunt, zal zonder mensenvrees zijn. Want Ik ben de Oordeler en de Kenner van alle geheimen. Ik weet hoe alles geschied is, Ik ken die het ongelijk gedaan en die het geleden heeft. Het is door mijn bevel dat gij dit lijdt, en dit is geschied door mijn toelating: opdat de gedachten van alle harten openbaar gemaakt zouden worden (2). Ik zal de plichtige en de onschuldige oordelen, maar door mijn verborgen oordeel heb ik beiden eerst willen beproeven. 

 

4. De getuigenis der mensen faalt dikwijls; mijn oordeel is waarachtig; het zal stand houden en niemand zal het omwerpen. Het is meestendeels verborgen en aan weinige mensen is alles bekend: doch nimmer dwaalt het, of kan het dwalen, hoewel het onrechtmatig schijnt voor de ogen der dwazen. Men moet dan in alle oordeel tot Mij zijn toevlucht nemen, en niet op eigen goeddunken steunen. Want de rechtvaardige zal niet ontroerd worden wat hem ook van Godswege overkomt (3). En als er iets ten onrechte van hem gezegd wordt, zal hij dit niet veel achten. Maar hij zal er zich ook niet lichtvaardig om verblijden, als hij door anderen op goede grond verontschuldigd wordt. Want hij denkt, dat Ik het ben die harten en nieren doorgrond (4), en dat ik niet oordeel naar de uitwendige schijn of het aanzicht der mensen. Wat de mensen loffelijk achten, wordt dikwijls strafvaardig bevonden in mijn ogen. 

 

5. DE ZIEL. - O Heer, mijn God, rechtvaardige, machtige en lankmoedige rechter, die de boosheid en verdorvenheid van de mens kent, wees mijn kracht en mijn enig vertrouwen; want de getuigenis van mijn geweten is mij niet genoegzaam. 

Gij weet dat ik niet weet, en daarom moet ik bij alle berispingen mij vernederen, en ze met zachtmoedigheid verdragen. Vergeef mij ook, o Heer! zo dikwijls ik anders gehandeld heb, en verleen mij de genade van voortaan zachtmoediger te zijn. Want uw overvloedige barmhartigheid is mij nuttiger om de vergiffenis van mijn zonden te verkrijgen, dan mijn ingebeelde rechtvaardigheid tot verdediging van mijn geweten. Al bevind ik mij nergens schuldig, nochtans ben ik daarom niet gerechtvaardigd (5): want zonder uw barmhartigheid, zal geen sterveling rechtvaardig zijn voor uw aanschijn (6). 

 

(1) Gal. 6: 14 (2) Luc. 2: 35 (3) Prov. 12: 21 (4) ps. 7: 10 (5) 1 Kor. 4 (6) Ps. 142: 2 

 

 

 

Hoofdstuk 47 

 

Voor het eeuwig leven moet men alle bezwaren verdragen 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon! Word niet kleinmoedig in de arbeid, die gij om mijnentwil op u hebt genomen, en wees niet neerslachtig om enige kwellingen; maar dat mijn belofte u bij iedere gebeurtenis versterke en vertrooste. Ik ben machtig genoeg om u daarvoor te lonen boven alle paal en maten. Gij zult niet lang arbeiden of niet altijd gedrukt worden door smarten en lijden. Wacht een weinig, en gij zult welhaast het einde van uw ellende zien. Het uur zal komen, waarop alle arbeid en pijn zullen ophouden. Al wat met de tijd voorbijgaat, is klein en kortstondig. 

 

2. Doe naarstig wat gij te doen hebt, arbeid getrouw in mijn wijngaard, en Ikzelf zal uw loon zijn. Schrijf, lees, zing, zucht, bid, verdraag kloekmoedig tegenspoed: het eeuwig leven is dit alles en nog groter strijd waardig. De vrede zal komen op een dag, die de Heer bekend is, en daar zal geen dag of nacht meer gelijk wezen in deze tijd; maar eeuwig licht en oneindige klaarheid, vaste vrede en volle rust. Dan zult gij niet zeggen: Wie zal mij verlossen van dit sterfelijk lichaam? (1); of roepen: Helaas, dat mijn ballingschap zo lang duurt! (2) want de dood zal teniet gedaan zijn (3), en de zaligheid zal eeuwig duren; daar zal geen vrees, maar zalige blijdschap zijn en een eerlijk en zoet gezelschap. 

 

3. Ach, hadt gij in de hemel de eeuwige kronen van zijn heiligen gezien, en in hoe grote glorie zij zich nu verheugen, die eertijds door de wereld versmaad waren, en gehouden werden als dit leven niet waardig te zijn; voorwaar, gij zoudt u aanstonds tot in het stof vernederen en liever begeren aan allen onderworpen, dan boven één gesteld te zijn. Gij zoudt hier ook geen blijde dagen verlangen, maar eerder u verblijden voor God te lijden; en gij zoudt voor een groot voordeel achten bij de mensen voor niets gehouden te worden. 

 

4. Ach, indien gij smaak vondt in deze leringen, en zij u diep ter harte gingen, hoe zoudt gij een enkele keer kunnen klagen? Moet men voor het eeuwig leven niet de zwaarste arbeid verdragen? Het is geen kleine zaak het rijk Gods te verliezen of te winnen. Hef dan uw ogen opwaarts tot de hemel, zie, Ik en mijn heiligen, die in deze wereld grote strijd gehad hebben, zijn nu in blijdschap, in vertroosting, in rust, en zullen eeuwig in het rijk van mijn Vader blijven. 

 

(1) Rom. 7: 24 (2) Ps. 119: 5 (3) Is. 25: 8 

 

 

 

 

Hoofdstuk 48 

 

Over de dag der eeuwigheid en de ellenden van dit leven 

 

 

1. DE ZIEL. - Hoe zalig is het verblijf der hemelse stad! O heldere dag der eeuwigheid, die door geen nacht verduisterd, maar altijd verlicht wordt door de eeuwige Waarheid; o dag vol blijdschap en veiligheid, die nooit in het tegenovergestelde omslaat. Ach, dat die dag reeds aangebroken ware, en al het tijdelijke een eind hadde genomen! Die dag schijnt reeds voor de Heiligen in de volle glans van zijn eeuwige klaarheid; maar voor ons, pelgrims op aarde, niet dan van ver, en als in een spiegel (1). 

 

2. De burgers des hemels weten hoe vermakelijk die dag is; maar de ballingen, kinderen van Eva, zuchten dat de tegenwoordige dag zo bitter en verdrietig is. De dagen van dit leven zijn kort en pijnlijk (2), vol smarten en ellenden: de mens wordt er door besmet door vele zonden, belemmerd door vele driften, benauwd door vele angsten, bekommerd door vele zorgen, verstrooid door nieuwigheden, gewikkeld in vele ijdelheden, omringd door dwalingen, overladen door veel arbeid, bezwaard met bekoringen, ontzenuwd door weelde, gepijnigd door gebrek. 

 

3. Ach, wanneer zullen deze kwellingen een einde nemen? Wanneer zal ik verlost worden van de ellendige slavernij der zonden? O God, wanneer zal ik U alleen gedachtig zijn? wanneer zal ik mij volkomen in U verheugen? Wanneer zal ik, zonder enig letsel, in de ware vrijheid des harten, zonder bezwaar van geest of lichaam wezen? Wanneer zal ik die vertrouwbare vrede genieten, die onverstoorbare en veilige vrede, vrede van buiten en van binnen, een alleszins vaste vrede. O goede Jezus, wanneer zal ik voor U verschijnen om U te zien? Wanneer zal ik de glorie van uw rijk aanschouwen, wanneer zult Gij mij alles in alles zijn? Ach, wanneer zal ik met U zijn in het rijk, dat Gij van eeuwigheid bereid hebt voor uw vrienden? (3) Ik ben hier gelaten, ellendige balling, in een vijandig land, waar dagelijks vele strijden en ongevallen elkander opvolgen. 

 

4. Vertroost mijn ballingschap, verzacht mijn droefheid, want al mijn begeerten verzuchten naar U. Alles wat de wereld mij tot troost aanbiedt, valt mij lastig. Ik verlang vurig U innig te genieten: maar ik kan het niet bereiken. Ik wens mij bezig te houden met het hemelse, maar tijdelijke zaken en onverstorven driften drukken mij neder. Met het hart zou ik mij gaarne boven alle dingen verheffen maar het vlees houdt mij, tegen mijn wil, daaraan onderworpen. Aldus strijd ik, ongelukkig mens, met mijzelf, en word ik mij tot eigen last (4), daar de geest omhoog wil, en het vlees altoos omlaag. 

 

5. O wat lijd ik inwendig, als ik aan het hemelse denk, en ik straks in mijn gebed word bestormd door een drom van zinnelijke bekoringen! O God, wijk van mij niet af, (5) en verlaat uw dienaar niet in uw gramschap (6). Laat uw schittering flikkeren, verdrijf de boze gedachten; werp uw pijlen (7), en verdrijf al de kwade ingevingen van de vijand. Roep al mijn aandacht op U; doe mij vergeten al wat werelds is; geef dat ik alle zondige inbeeldingen dadelijk verfoeie en verwerpe. O eeuwige Waarheid, kom mij te hulp, opdat ik door geen ijdelheid ontroerd worde. Ach, hemelse zoetheid! Daal in mijn hart, en alle onreinheid vliede voor U weg. Vergeef mij ook, en handel met mij naar uw barmhartigheid, wanneer ik in het gebed aan iets anders denk dan aan U. Want ik belijd naar waarheid dat ik veelal zeer verstrooid ben. Dikwijls ben ik daar niet, waar ik lichamelijk sta of zit, maar ik ben eerder daar, waar mijn gedachten mij vervoeren. Ik ben, waar mijn gedachte is; en mijn gedachte is allermeest waar het voorwerp van mijn liefde is. Wat mij natuurlijk behaagt of uit gewoonte vermaakt, komt mij terstond te binnen. 

 

6. En daarom hebt Gij, o opperste Waarheid, uitdrukkelijk gezegd: Waar uw schat is, daar is ook uw hart (8). Indien ik e hemel bemin, zo verblijd ik mij in de voorspoed der wereld, en ik bedroef mij in haar tegenspoed. Indien ik het vlees bemin, zo verbeeld ik mij dikwijls wat vleselijk is. Als ik de geest bemin, daarvan spreek en hoor ik gaarne; en daarvan neem ik de voorstelling mee naar huis. Maar gelukkig de mens, o Heer! die ter liefde van U alle schepselen uit zijn hart bant; die de natuur geweld aan doet, en de begeerlijkheid van zijn vlees kruisigt door de vurigheid van de geest; opdat hij met een rein geweten U een zuiver gebed moge opdragen, en, alle aardse dingen in- en uitwendig verlaten hebbende, waardig zij tot de Koren der Engelen te behoren. 

 

(1) 1 Kor. 13: 12 (2) Gen. 47: 9 (3) Matth. 25: 34 (4) Job 7: 20 (5) Ps. 70: 22 (6) Ps. 26: 9 (7) Ps. 143: 6 (8) Matth. 6: 21 

 

 

 

Hoofdstuk 49 

 

Over het verlangen naar het eeuwig leven, en hoe grote goederen beloofd zijn aan de strijders 

 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, als gij u de begeerte tot het eeuwig geluk van boven voelt ingestort, en gij de tent (1) van uw lichaam wenst te verlaten, zodat gij mijn klaarheid ten volle zonder enige schaduw van verandering (2) zoudt mogen aanschuwen, open dan hart, en ontvang die heilige ingeving met een groot verlangen. Dank grotelijks de opperste Goedheid, die zo barmhartig met u handelt, u zo genadig bezoekt, vurig opwekt en krachtig ondersteunt, opdat gij door eigen gewicht niet zoudt nederzinken tot het aardse. Want gij krijgt deze hemelse begeerte niet door eigen gedachten of pogingen, maar louter door de gunst van God, die een barmhartige oogslag op u werpt, opdat gij daardoor zoudt vooruitgaan in deugd en ootmoed, uzelf zoudt bereiden tot nieuwe worstelingen, en Mij aanhangen met al de begeerte van uw hart, en Mij dienen met vurige ijver. 

 

2. Zoon, het vuur kan dikwijls gloeiend zijn, maar de vlam stijgt nooit op zonder rook. Zo branden ook de begeerten van sommigen tot het hemelse en nochtans zijn zij niet vrij van bekoringen der zinnelijke neiging. En al is het dat zij de hemelse dingen zo vurig aan God vragen, daarom geschiedt dit niet gans zuiver om zijn eer. En zodanig is ook dikwijls uw begeerte, die volgens uw zeggen zo dringend kon zijn. Want niets is zuiver en volmaakt, als het besmet is met eigenbaat. 

 

3. Vraag niet wat u vermakelijk is en te pas komt, maar wat mij aangenaam is en verheerlijkt; want als gij rechtvaardig oordeelt, moet gij mijn beschikking boven uw begeerte en al wat gij kunt wensen, stellen en involgen. Ik weet wel wat gij meest begeert, en ik heb uw verzuchting dikwijls gehoord. Gij zoudt reeds in de heerlijke vrijheid der kinderen Gods willen zijn (3); reeds zoudt gij gaarne zijn in dat eeuwig huis, in het vreugdevolle hemels vaderland; maar het uur is nog niet gekomen; gij zijt nog in een andere tijd, tijd van strijd, arbeid en beproeving. Gij wenst vervuld te zijn met het Opperste Goed, maar dat kunt gij nog niet genieten. 

Ik ben dat goed: verwacht Mij, zegt de Heer, totdat het rijk Gods kome (4). 

 

4. Gij moet op aarde nog beproefd en in vele dingen geoefend worden. U zal intussen wat troost verleend worden, maar volkomen verzadiging zult gij nooit bekomen. Schep dus moed en wees kloek (5), zowel om te doen als om te lijden, wat aan de natuur strijdig is. Gij moet de nieuwe mens aantrekken (6) en een geheel ander man worden (7). Gij zult dikwijls moeten doen, wat u mishaagt van wat u aanstaat. Wat anderen gaarne hebben, zal gelukken: wat u behaagt, zal niet wel uitvallen. 

 

Wat de anderen zeggen, zal aanhoord worden; wat gij zegt, zal voor niets geteld worden. De anderen zullen vragen en verkrijgen; gij zult vragen en niet bekomen. 

 

5. Anderen zullen groot zijn in de mond der mensen, maar van u zal men zwijgen. Anderen zal men dit of dat opdragen; maar gij zult gerekend worden als nergens voor bekwaam. Om dergelijke dingen zal de natuur soms bedroefd zijn, maar gij zult een groot werk doen, indien gij dit zonder klagen verdraagt. In deze en meer dergelijke dingen wordt een getrouw dienaar des Heren gestadig beproefd, hoe ver hij zich verloochenen en in alles overwinnen kan. Bijna niets is er, waarin gij u zozeer moet versterven, als in het zien en lijden van wat uw wil tegenstaat, voornamelijk als u iets geboden wordt, wat u schijnt ongerijmd en zonder voordeel te wezen. En omdat gij onder eens anders gebied gesteld zijt, aan wiens overheid gij niet durft wederstaan, daarom schijnt het u hard te wezen, te gehoorzamen aan een anders wenken en uw eigen goeddunken in niets te volgen. 

 

6. Maar overdenk, mijn zoon, de vrucht van al die moeiten, hun korte duur, en het overgrote loon dat zal volgen, dan zult gij er geen last in vinden, maar een machtige troost ter verduldigheid. Want voor die kleine wil, die gij nu gaarne afstaat, zult gij eeuwig uw wil hebben in de hemel. Daar zult gij vinden alles wat gij wilt, alles wat gij verlangen kunt. Daar zult gij in het volle bezit zijn van alle goed, zonder vrees het te verliezen. Daar zal uw wil, altijd verenigd met de mijne, niets zoeken buiten Mij, niets dat u eigen is. Daar zal niemand u weerstaan, niemand over u klagen, niemand u hinderen, niets zal u in de weg staan; maar alles, wat wenselijk is, zal tegelijk aanwezig zijn, en gans uw begeerte verzadigen en ten volle voldoen. Daar zal ik u grote eer geven voor geleden smaad: een eremantel voor zielerouw (8) en voor de laagste plaats, een verheven troon in het eeuwig rijk. Dan zal men de vrucht zien van de gehoorzaamheid, het leed der boetvaardigheid veranderd in blijdschap, en de ootmoedige onderwerping gekroond met eeuwige luister. 

 

7. Daarom buig ik nu ootmoedig onder de hand van allen, niet lettende wie dit gezegd of geboden heeft. Maar neem wel acht, dat gij alles ten goede opneemt, en met een oprechte wil tracht te volbrengen wat uw overste, uw gelijke, of een jongere van u verzoekt of te kennen geeft. Laat de ene dit, een andere dat zoeken; laat deze hierin, gene daarin roem vinden, en er duizendmaal om geprezen worden: wat u aangaat, verblijd u noch in ‘t ene noch in ‘t andere, maar verheug u alleen in uw versmaadheid, in mijn welbehagen en mijn eer. Wat gij met Paulus moet wensen is, dat God altijd in u verheerlijkt worde, hetzij door uw leven, hetzij door uw sterven (9). 

 

(1) 2 Petr. 1: 13 (2) Jac. 1: 17 (3) Rom. 8: 21 (4) Luc. 22: 18 (5) Jos. 1: 7 (6) Ef. 4: 24 (7) 1 Kon. 10: 6 (8) Is. 71: 3 (Fil. 1: 20) 

 

 

 

Hoofdstuk 50 

 

Hoe de troosteloze mens zich in Gods handen moet overgeven 

 

 

1. DE ZIEL. - O Heer, mijn God, heilige Vader, wees nu en in eeuwigheid gezegend, want het is geschied gelijk Gij het wilt, en wat Gij doet is wèl gedaan. Dat uw dienaar zich verheuge in U, niet in zichzelf of in iets anders; want Gij alleen zijt de ware blijdschap, Gij zijt mijn hoop, mijn kroon, mijn vreugd, mijn eer, o mijn God! Heer! wat heeft uw dienaar, dan wat hij, ook onverdiend, van U ontvangen heeft? (1) Al wat Gij mij gegeven en gedaan hebt, komt U toe. Ik ben arm, en van mijn jeugd af aan vele smarten onderworpen (2). Ook is soms mijn ziel bedroefd tot wenens toe, en somtijds ontsteld in haarzelf, om dreigend leed. 

 

2. Ik verlang naar de blijdschap van de vrede; ik bid om de vrede van uw kinderen, die door U gevoed worden in het licht van uw vertroosting. Indien Gij mij die vrede geeft, en mij uw heilige blijdschap instort, zo zal de ziel van uw dienaar vol gejubel zijn, en in vrome stemming uw lof zingen. Maar indien Gij U onttrekt, gelijk Gij zeer dikwijls doet, zo kan hij niet met vlijt de weg van uw geboden bewandelen (3); dan buigt hij liever zijn knieën, en klopt op de borst, vermits het met hem niet gaat als voorheen, wanneer uw licht boven zijn hoofd scheen (4), en hij onder de schaduw van uw vleugelen beschermd werd (5) tegen de bekoringen. 

 

3. O rechtvaardige en altoos prijzenswaardige Vader, het uur is gekomen dat uw dienaar beproefd moet worden. O minnelijke Vader, het is billijk dat uw dienaar nu iets voor U lijde. O immer aanbiddelijke Vader, het uur is gekomen, door U van eeuwigheid voorzien dat uw dienaar voor een ogenblik schijne te bezwijken, maar toch inwendig met U gestadig zou leven. Dat hij een weinig versmaad en vernederd worde door de mensen; dat hij vernietigd worde door lijden en kwijningen; opdat hij weder verrijze met U in de dageraad van een nieuw leven, en in de hemel verheerlijkt worde! Heilige Vader! Gij hebt het zo geschikt en zo gewild; en wat Gij bevolen hebt, is geschied. 

 

4. Want het is een gunstbewijs jegens uw vrienden, dat zij om uwentwil lijden of verdrukt worden op deze wereld, zo dikwijls en door zulke personen als het u belieft. Zonder uw raad, zonder uw voorzichtigheid en zonder goede reden geschiedt er niets op de wereld. O Heer! Het is goed voor mij, dat Gij mij vernederd hebt, opdat ik uw rechtvaardigheid lere kunnen (6), en alle hoogmoed en verwaandheid uit mijn hart verbanne. Het is mij zalig dat mijn aangezicht met schaamte is overdekt geworden (7), opdat ik mijn troost liever bij U, dan bij de mensen zoeke. Daaruit heb ik ook uw ondoorgrondelijk oordeel leren vrezen, want Gij kwelt de rechtvaardige met de boze, nochtans niet zonder billijkheid en recht. 

 

5. Ik dank U, omdat Gij mij geen kwellingen gespaard hebt, maar mij integendeel hebt gekastijd met zware slagen, mij overladende met grote smarten en benauwdheden van buiten en binnen. Van alles wat onder de hemel is, kan niets mij troosten; Gij alleen kunt dit, mijn Heer en God, hemelse heelmeester der zielen, die kwetst en geneest, die ons leidt tot de poorten der hel, en daaruit terug voert (8). Uw kastijding is over mij gekomen en uw roede zelf zal mij leren (9). 

 

6. Zie, o lieve Vader, ik ben in uw handen; ik buig mij onder de roede van uw kastijding. Sla mijn rug en mijn schouders, opdat ik mijn verkeerde wil onder de uwe doe buigen. Maak van mij een ootmoedig en goedwillig leerling, gelijk Gij uitmuntend pleegt te doen; opdat ik naar uw wil moge handelen. Ik beveel u mijzelf en al het mijne ter verbetering aan; want ik heb liever hier gestraft te worden dan hiernamaals. Gij weet alles en alles in het bijzonder, en niets is voor U verborgen in het geweten van de mens. Gij weet de toekomstige dingen eer zij geschieden; en het is niet nodig dat U iemand onderrichte of vermane omtrent wat op aarde geschiedt. Gij weet wat dienstig is tot mijn voortgang en hoezeer de kwellingen bijdragen om mij te zuiveren van het roest der zonden. Handel met mij volgens uw begeerlijk welbehagen, en versmaad mijn zondig leven niet, welk niemand beter en klaarder kent dan Gij alleen. 

 

7. Heer! Geef mij dat ik wete wat ik moet weten, beminne wat ik moet beminnen, prijze wat u meest behaagt, achte wat bij U kostbaar is, en versmade wat verachtelijk is in uw ogen. Laat mij niet oordelen naar uiterlijke ogenschijn, noch een besluit nemen naar het gezeg van onverstandige mensen (10), maar leer mij met een juist oordeel uitspraak doen over zichtbare en geestelijke dingen, en boven alles uw goddelijk welbehagen altijd zoeken. 

 

8. De zinnen der mensen falen dikwijls in ‘t oordelen en de minnaars der wereld bedriegen zich ook met alleen de zichtbare dingen te beminnen. Is een mens daarom beter, als hij door een ander mens groot geacht wordt? De ene leugenaar bedriegt de andere, de ene hovaardige streelt de andere, de ene blinde misleidt de andere, de ene zieke verzwakt de andere, als zij elkander verheffen: en het dient hun waarlijk tot schande, als zij aldus elkander zonder reden prijzen. Immer, zegt de ootmoedige heilige Franciscus: wat een mens is in uw ogen, o Heer! is hij, en niets meer. 

 

(1) 1 Cor. 4: 7 (2) Ps. 137: 16 (3) Ps. 118: 23 (4) Job 29: 3 (5) Ps. 16: 8 (6) Ps. 118: 71 (7) Ps. 68: 8 (8) Tob. 13: 2 (9) Ps. 17: 36 (10) Is. 11: 3 

 

 

 


Hoofdstuk 51 

 

Men moet zich op nederige werken toeleggen, als men tot meer verheven onbekwaam is 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, gij kunt niet altijd dezelfde vurige ijver voor de deugd gevoelen, noch u op een hoge trap der beschouwing staande houden, maar de natuurlijke verdorvenheid noodzaakt u somtijds tot het lagere af te dalen en de last van dit sterfelijk lichaam te dragen, tegen uw dank en met verdriet. Zolang gij dit sterfelijk lichaam draagt, zult gij verdriet en zwaarmoedigheid des harten gevoelen. Gij moet dan zolang gij dit lichaam draagt, dikwijls zuchten om de last van het vlees, die belet dat gij u onafgebroken bezig kunt houden met geestelijke oefeningen en hemelse beschouwingen. 

 

2. Alsdan is het voordelig uw toevlucht in nederige en uitwendige oefeningen te zoeken, en afleiding in goede werken: wacht maar met een vast vertrouwen naar mijn komst en hemelse bezoeking; verdraag met geduld uw ballingschap en dorheid des geestes, totdat gij weder door Mij bezocht wordt, en verlost van alle benauwdheden. Want Ik zal u de arbeid doen vergeten, en u inwendige rust doen genieten. Ik zal de schone weiden der H.Schriftuur voor u openen, opdat gij met een blij gemoed en op de weg van mijn geboden moogt voortijlen (1). En dan zult gij zeggen: Het lijden van deze tijd is niet te vergelijken bij de toekomstige glorie, die in ons geopenbaard zal worden (2). 

 

(1) Ps. 118: 32 (2) Rom. 8: 18 

 

 

 


Hoofdstuk 52 

 

De mens achte zich geen troost, maar eer straf waardig 

 

 

1. DE ZIEL. Heer, ik ben uw zoete troost of enig geestelijk bezoek onwaardig: en daarom, als Gij mij arm en ongetroost laat, handelt Gij billijk met mij. Want al kon ik een zee van tranen storten, evenwel zou ik uw vertroosting niet waardig zijn. Ik ben dan niets waardig tenzij gegeseld en gestraft te worden: daar ik U dikwijls en grotelijks beledigd en in vele dingen grotelijks misdaan heb. Daarom, als ik alles wel overweeg, zo verdien ik niet de minste troost. Maar Gij, o goedertieren en genadige God, die niet wilt dat uw werken verloren gaan (1), om de rijkdommen van uw goedheid te tonen over de vaten der barmhartigheid (2), Gij gewaardigt uw dienaar, zonder enige verdienste, te troosten en boven ‘s mensen vermogen. Want uw vertroostingen zijn niet gelijk de troostredenen der mensen. 

 

2. Heer! hoe heb ik verdiend, dat Gij mij enige troost zoudt verlenen? Ik herinner mij niet iets goed gedaan te hebben; maar wel dat ik altijd zeer geneigd ben geweest tot het kwaad, en traag ter verbetering. Dit is waarheid, en ik kan het niet loochenen; sprak ik anders, Gij zoudt tegen mij opstaan, en niemand zou mij verdedigen. Wat heb ik toch anders verdiend door mijn zonden, tenzij de hel en het eeuwig vuur? Ik beken in waarheid, dat ik alle spot en smaad waardig ben, en niet verdien gerekend te worden onder het getal van uw dienaren. En ofschoon ik dit ongaarne hoor, zal ik nochtans volgens de waarheid tegen mij getuigen en mijn zonden belijden, opdat ik eerder van U genade verwerve. 

 

3. Wat zal ik zeggen, die een plichtige ben en vol van schaamte? Ik weet mijn mond niet te openen tenzij om alleen deze woorden te spreken: Ik heb gezondigd, Heer, ik heb gezondigd; wees mij genadig, en vergeef mij... Laat mij toch een luttel tijds mijn zonden bewenen, eer ik ga naar het land der duisternissen, overdekt met de schaduwen van de dood (3). Wat begeert Gij meer van een plichtige en ellendige zondaar, dan dat hij berouw hebbe en zich vernedere om zijn misdaden? Door het waarachtig berouw en de vernedering des harten, wordt de hoop op vergiffenis geboren, het verontrust geweten bevredigd, de verloren genade terug verkregen, de mens beschermd tegen de toekomstige gramschap; en de boetvaardige ziel wordt met God verzoend door een heilige omhelzing. 

 

4. O Heer, een ootmoedig berouw over de zonde is U een welbehagelijk offer, dat veel aangenamer voor u riekt dan de wierook. Het is ook de kostelijke balsem, die Gij over uw heilige voeten hebt laten uitstorten (4), want een rouwmoedig en vermorzeld hart hebt Gij nooit verstoten (5). Daar is de schuilplaats tegen de razernij van onze vijanden. Daar wordt verbeterd en afgewassen al wat elders gekrenkt of besmet is. 

 

(1) 2 Kon. 14: 14 (3) Rom. 9: 23 (3) Job 10: 21,22 (4) Luc. 7: 28 (5) Ps. 50: 19 

 

 

 

Hoofdstuk 53 

 

Dat Gods genade niet samengaat met aardsgezindheid 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, mijn genade is kostbaar; zij wil niet gemengd worden met uitwendige of met aardse vertroostingen. Daarom moet gij alle beletselen der genade verbannen, indien gij haar invloed wenst te ontvangen. Zoek de eenzaamheid, wees gaarne alleen met uzelf; zoek samenspraak met niemand; maar richt liever godvruchtig uw gebed tot God, opdat gij een vermorzeld hart en een zuiver geweten moogt behouden. Acht de wereld voor niets, en verkies boven alle uitwendige dingen gedurig in omgang te zijn met God. Want gij kunt met mij niet bezig zijn, en tezamen u met het vergankelijke vermaken. Gij moet u verwijderen van kennissen en vrienden, en uw hart vrij bewaren van alle tijdelijke vertroosting. Zo vermaant de H. Petrus (1) dat de gelovigen zich gedragen zouden als pelgrims en vreemdelingen op deze wereld. 

 

2. O wat groot vertrouwen zal de stervende hebben, die in de wereld door niets wordt terug gehouden. Maar een zwak gemoed kan nog niet alzo van alles gescheiden zijn, en de vleselijke mens kent de vrijheid niet van de inwendige mens. Nochtans moet hij, die waarlijk een inwendig mens wil zijn, zich afscheiden zo van vreemden als van vrienden; en voor niemand zich meer wachten dan voor zichzelf. Indien gij uzelf volkomen overwint, zult gij licht over het overige zegepralen. Dit is de volmaaktste zegepraal, dat men zichzelf overwint. Want wie zichzelf in bedwang kan houden, zodanig dat de zinnelijkheid aan de rede, en de rede in alles aan Mij onderdanig is, die is waarlijk overwinnaar van zichzelf en meester der wereld. 

 

3. Indien gij tot deze volmaaktheid ziekt te komen, zo moet gij manhaftig beginnen, en de bijl aan de wortel zetten, om alle geheime en ongeregelde neiging tot uzelf en tot alle eigen stoffelijk welzijn uit te roeien en te vernietigen. Van dit een gebrek, dat de mens zichzelf te zeer bemint, hangt bijna alles af wat wij moeten overwinnen: en als dit gebrek overwonnen zal zijn, zal er terstond in ons hart een duurzame vrede en rust heersen. Maar omdat weinigen zich volkomen trachten af te sterven, en geheel buiten zichzelf te treden, daarom blijven zij in zichzelf verward, en kunnen zich boven henzelf in de geest niet verheffen. Doch wie in volle vrijheid des harten met Mij verkeren wil, die moet zijn kwade en ongeregelde begeerten geheel afsterven, en geen schepsel aanhangen uit zinnelijke neiging. 

 

(1) 1 Petr. 2: 11 

 

 

 

Hoofdstuk 54 

 

Over de tegenstrijdige aandoeningen der natuur en der genade 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, let nauwkeurig op de bewegingen der natuur en der genade: want al zijn zij met elkander zeer tegenstrijdig, het verschil tussen beide is somtijds zo klein, dat zij nauwelijks door een geestelijke en inwendige verlichte mens onderscheiden kunnen worden. Alle mensen begeren wel het goed, en vertonen al iets goeds in hun woorden of werken; en door die schijn van goed worden er velen bedrogen. 

 

2. De natuur is listig, zij verleidt, verstrikt, en bedriegt vele mensen, en heeft altijd haar zelfvoldoening ten doel. Maar de genade gaat eenvoudig voort, vermijdt alle schijn van kwaad (1); zij gebruikt geen listen, en doet alles zuiver om God, in wie zij berust als in haar einde. 

 

3. De natuur wil niet sterven, zij wil niet gedwongen zijn, noch overmeesterd worden, noch zich onderwerpen, noch gewillig onderworpen zijn. De genade, die tracht zich in alles te versterven, wederstaat de zinnelijkheid, is gaarne onderworpen; zij zoekt de onderwerping, en wil haar eigen vrijheid niet gebruiken; zij staat gaarne onder tucht, en zoekt niemands overste te zijn, maar wil altijd leven, staan en blijven onder God, en is bereid zich voor ieder redelijk schepsel te buigen (2), om de wil van God. 

 

4. De natuur zoekt altijd haar eigen voordeel, en ziet hoeveel winst zij kan trekken van een ander. De genade beschouwt niet wat haar voordelig en nuttig is, maar eerder wat aan velen voordeel bezorgt (3). 

 

5. De natuur is gaarne geëerd en geacht. De genade geeft alle eer en roem getrouw aan God. 

 

6. De natuur vreest schande en verachting; De genade verblijdt zich als zij voor de Naam van Jezus smaad mag lijden (4). 

 

7. De natuur bemint de ledigheid en de rust van het De genade kan niet ledig zijn, maar zij omhelst de arbeid met vreugde. 

 

8. De natuur zoekt het schone en zeldzame, zij heeft afkeer van wat grof en slecht is. De genade schept behagen in wat eenvoudig en nederig is; zij verwerpt het ruwe niet, of weigert niet versleten klederen te dragen. 

 

9. De natuur ziet naar het tijdelijke, zij is blij om een aards gewin, is droef om schade, en wordt toornig over een onbeduidend smaadwoord. De genade ziet naar het eeuwige, zij is niet gehecht aan het tijdelijke, en wordt door geen verlies bedroefd; noch verbitterd door harde woorden, want zij heeft haar schat en haar blijdschap in de hemel gesteld, alwaar niets verloren gaat. 

 

10 De natuur is begeerlijk, en ontvangt liever dan zij geeft; zij heeft genoegen in wat zij in ‘t bijzonder bezit. De genade is milddadig en deelt alles mede; zij vliedt alle eigendom, is met weinig tevreden, en oordeelt het zaliger te geven dan te krijgen (5). 

 

11. De natuur helt naar de schepselen over, naar het eigen lichaam, naar ijdelheid, en verstrooiingen. De genade trekt tot God en tot de deugd, zij verlaat de schepselen, vliedt de wereld, haat de lasten van het vlees, beperkt zich in het uitgaan, en is beschaamd in ‘t openbaar te verschijnen. 

 

12. De natuur heeft gaarne uitwendige verkwikking, waarin zij haar zinnelijk vermaak kan vinden. De genade wil van God alleen troost ontvangen, en boven alle zinnelijke dingen zich verblijden in dat Opperste Goed. 

 

13. De natuur verricht alles om gewin en eigenbaat, zij kan niets doen voor niet, maar als zij iemand wèl doet, hoopt zij iets evenredigs of wat beters weder te krijgen, of eer en lof te bekomen, en zij wil dat men haar daden en giften groot achte. De genade zoekt niets tijdelijks of geen ander loon dan God alleen; zij wenst de lichamelijke noodzakelijkheden, maar voor zoveel die haar dienstig kunnen zijn om het eeuwig goed te bekomen. 

 

14. De natuur verblijdt zich over vele vrienden en magen, bluft op haar verheven staat en hoge geboorte, zij vleit de machtigen, streelt de rijken, en prijst haars gelijken. De genade bemint haar vijanden, verheft zich niet omdat zij vele vrienden heeft; acht geen hoge afkomst tenzij om de deugd, die daarin uitschijnt: Zij is de arme gunstiger dan de rijke, heeft meer genegenheid voor de onschuldige dan voor de machtige, verblijdt zich met de rechtzinnige, verfoeit de bedrieger. Zij vermaant onophoudelijk de goeden, naar nog betere gaven te streven (6), en door de deugden in alles gelijk te worden aan de Zoon van God. 

 

15. De natuur klaagt licht over gebrek en ongemak: De genade lijdt de armoede met standvastigheid. 

 

16. De natuur trekt en keert alles tot haar eigenbaat, zij strijdt en twist voor haarzelf. De genade stuurt alles weder tot God, van wie het oorspronkelijk voortkomt; zij schrijft zichzelf geen goeds toe, zij is niet vermetel, zij twist niet, zij stelt haar gevoelen niet boven dat van een ander; maar al haar gedachten onderwerpt zij aan het oordeel en de eeuwige wijsheid Gods. De natuur is verlangend om geheimen te kennen en nieuwigheden te horen; zij wil zich in het openbaar vertonen, en door de zinnen vele dingen waarnemen; zij zoekt bekend te zijn en dingen te doen, waardoor zij lof en bewondering bekomt. De genade zoekt geen nieuws te weten, of niets zeldzaams te horen, want zij weet dat deze begeerte uit de oude desem der erfzonde spruit en dat niets nieuws en duurzaams is op de wereld. De genade leert dan de zinnen beteugelen, alle roem en het ijdel zelfbehagen schuwen; zij leert alle loffelijke dingen en die bewonderenswaardig zijn, ootmoedig verbergen; zij leert in alle zaken en wetenschappen het voordeel der zielen, de lof en de eer van God zoeken. Zij begeert niet dat zij of haar werken geprezen worden; maar zij wenst dat God, die alles uit loutere liefde verleent, in zijn gaven geprezen worde. 

 

17. Deze genade is een bovennatuurlijk licht en een bijzonder gaaf van God; zij is het eigen merkteken der uitverkorenen en het pand der eeuwige zaligheid; zij verheft de mens van het aardse tot de liefde voor het hemelse, en maakt van de vleselijke een geestelijke mens. Hoe meer dan de natuur bedwongen en overwonnen wordt, des te overvloediger wordt de genade ingestort, en zij maakt de inwendige mens gedurig door nieuwe begunstigingen gelijkvormiger aan het beeld Gods (7). 

 

(1) 1 Thess. 5: 22 (2) 1 Petr. 2: 13 (3) 1 Cor. 10: 33 (4) Hand. 5: 41 (5) Hand. 20: 35 (6) 1 Cor. 12: 31 (7) Col. 3: 10 

 

 

 

Hoofdstuk 55 

 

Over de verdorvenheid der natuur en de kracht der goddelijke genade 

 

 

1. DE ZIEL. - Heer, mijn God, die mij geschapen hebt naar uw beeld en gelijkenis, verleen mij de genade, welke Gij mij geleerd hebt zo groot en zo nodig te zijn voor mijn zaligheid, dat ik mijn boze natuur overwinne, die mij tot zonde en ten verderve leidt. Want ik gevoel in mijn vlees de wet der zonde, die strijdt tegen de wet van mijn geest, en mij gevangen leidt om aan de zinnelijkheid te gehoorzamen in vele dingen (1); en ik kan mijn driften niet wederstaan, tenzij uw heilige genade mij helpe en haar vuur in mijn hart gestort worde. 

 

2. Uw genade, ja, uw genade, o Heer! is nodig om de natuur te overwinnen, die altijd geneigd is tot het kwaad van kindsbeen af (2). Want zij is vervallen door de eerste mens, Adam, en door de zonde bedorven, en zo komt de straf dezer smet over alle mensen; zodat die natuur, welke recht en goed door U geschapen was, nu niets meer vertoont dan de gebreken en de krankheid van een verdorven natuur, daar haar neigingen, als zij aan haarzelf overgelaten wordt, ons altoos trekken tot het kwaad en het aardse. De kleine kracht, die haar was overgebleven, is als een vonkje onder as verborgen. Dit is die natuurlijke rede, omringd van grote duisternis, die nog wel het goed en het kwaad, de waarheid en de valsheid onderscheidt, maar die machteloos is om alles te volbrengen wat zij als goed erkent, omdat zij de volle kennis van de waarheid niet meer heeft, en dat al haar neigingen krank zijn. 

 

3. Daarvan komt het, o mijn God! dat ik welbehagen heb in uw wet (3), volgens de inwendige mens, wetende dat uw gebod goed, rechtmatig en heilig is (4), alle kwaad berispt en de zonde leert ontvluchten. Maar in mijn vlees dien ik de wet der zonde (5), daar ik meer mijn zinnelijkheid dan de rede volg. Daarom komt het, dat ik de begeerte tot het goed heb, maar de kracht niet heb om het te volbrengen (6). Zo komt het dat ik dikwijls goede voornemens maak; maar, omdat mij de genade ontbreekt, die mijn krankheid helpen moet, wijk ik af om een kleine tegenstand, en verflauwt mijn moed. Zo komt het dat ik de weg der volmaaktheid wel ken, en klaar genoeg zie hoe ik behoor te leven. Maar nedergedrukt door het gewicht van mijn verdorvenheid, verhef ik mij niet tot wat volmaakt is. 

 

4. O Heer! hoe zeer is mij uw genade noodzakelijk, om het goed te beginnen, en daarin voort te gaan, en om het te voleindigen.Want zonder haar kan ik niets doen (7): maar in U vermag ik alles, als uw genade mij versterkt (8). O hemelse genade, zonder welke geen verdiensten noch enige gaven der natuur te achten zijn! Kunsten of rijkdommen, schoonheid of kracht, verstand of welsprekendheid, zijn voor U, o Heer, van geen waarde zonder de genade. Want de gaven der natuur zijn evenzeer het aandeel van goeden en kwaden; maar de genade of de liefde is de bijzondere gave der uitverkorenen, en die daarmee getekend zijn, worden het eeuwig leven waardig gekeurd. Deze genade is zo verheven, dat zonder haar noch de gave van voorzegging, noch de kracht van mirakelen, noch alle hoge beschouwing voor iets geacht worden. Zelfs het geloof, de hoop of enig andere deugd zijn U, o Heer, niet aangenaam zonder de genade en de liefde. 

 

5. O allerzaligste genade, die de arme van geest rijk maakt in deugden, en hem, die rijk is in gaven, ootmoedig van harte doet zijn. Kom, daal over mij neder, vervul mij in de vroegte met uw troost (9), opdat mijn ziel niet bezwijke van vermoeienis en dorheid van gemoed. Ik bid U, Heer, laat mij genade vinden voor uw ogen: want uw genade is mij genoeg (10) al verkreeg ik niets van al het andere, dat de natuur verlangt. Al is het dat ik bekoord en geplaagd worde met vele kwellingen, toch zal ik niet vrezen, als maar uw genade met mij is (11). Zij is mijn sterkte, zij brengt raad en hulp. Zij is machtiger dan alle vijanden, en wijzer dan alle wijzen der wereld. 

 

6. Zij is de meesteres der waarheid en der goede zeden; het licht des harten, de troost in verdrukking; zij verdrijft de droefheid, neemt de vrees af, is de voedster der godsvrucht, de bron der zoete tranen. Wat ben ik zonder haar dan een droog hout, een onnuttige struik, die uitgeroeid wordt? Dat kan, o Heer, uw genade mij altijd voorkome, mij altijd vergezelle, en mij gedurig aandachtig make op de oefening der goede werken. Door Jezus Christus, uw Zoon. Amen. 

 

(1) Rom. 8: 27 (2) Gen. 8: 27 (3) Rom. 7: 22 (4) Rom. 7: 12 (5) Rom. 7: 25 (6) Rom. 7: 18 (7) Joh. 15: 5 (8) Fil. 4: 13 (9) Ps. 89: 14 (10) 2 Cor. 12: 9 (11) Ps. 12: 16 

 

 

 


Hoofdstuk 56 

 

Dat men zichzelf verloochenen moet, en Christus navolgen door het kruis 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, hoe meer gij aan uzelf vaarwel zegt, hoe meer gij in Mij zult overgaan. Gelijk de inwendige vrede bestaat in niets uitwendigs te begeren, zo wordt men met God verenigd in inwendige zelfverzaking. Ik wil dat gij uzelf volkomen leert verzaken volgens mijn behagen, zonder klagen of tegenspreken. Volg mij: Ik ben de weg, de waarheid en het leven (1). Zonder weg gaat men niet; zonder waarheid kent men niet; zonder leven leeft men niet. Ik ben de weg die gij volgen, de waarheid die gij geloven, het leven dat gij hopen moet. Ik ben de enige veilige weg, de onfeilbare waarheid, het eindeloze leven. Ik ben de rechte weg, de opperste waarheid, het ware zalige, ongeschapen leven. Indien gij op mijn weg blijft, zult gij de waarheid kennen, en de waarheid zal u verlossen, en gij zult tot het eeuwig leven komen (3). 

 

2. Wilt gij tot het eeuwig leven ingaan, onderhoud de geboden (3). 

Wilt gij de waarheid kennen, geloof mijn woorden. 

Wilt gij volmaakt zijn, verkoop alles (4). 

Wilt gij mijn leerling zijn, verloochen uzelf (5). 

Wilt gij het eeuwig leven bezitten, veracht het tijdelijke. 

Wilt gij in de hemel verheven worden, verneder u op aarde. 

Wilt gij met Mij heersen, draag uw kruis met Mij. 

Want de dienaars van het kruis alleen vinden de weg der zaligheid en van het ware licht. 

 

3. DE ZIEL. - O Heer Jezus, aangezien uw leven streng was en versmaad door de wereld, geef mij met verachting der wereld u na te volgen. De leerling is zeker niet boven de meester, en de knecht niet groter dan zijn heer (6). Dat uw dienaar zich oefene in uw leven, want daar is mijn zaligheid en ware heiligheid te vinden. Al wat ik hoor of lees buiten uw leven, kan mij niet verkwikken, noch volkomen behagen. 

 

4. CHRISTUS. - Zoon, aangezien gij dit alles weet en gelezen hebt, zo zult gij gelukkig zijn, zo gij het volbrengt (7). Zo, wie mijn geboden kent en ze onderhoudt, die bemint Mij en dien zal Ik ook beminnen, en Ik zal Mij aan hem openbaren (8): en Ik zal hem met Mij doen aanzitten in het rijk van mijn Vader (9). 

 

5. DE ZIEL. - Heer Jezus, laat het geschieden gelijk Gij gezegd en beloofd hebt, en maak mij dit oneindig geluk waardig. Ik heb het kruis van uw hand ontvangen: ik heb het aangenomen en wil het dragen, ja tot de dood toe, gelijk Gij het mij opgelegd hebt. Het leven van een goed kloosterling, voorwaar is een gedurig kruis maar een kruis dat tot het paradijs leidt. Wij hebben het werk begonnen, wij mogen niet terugwijken, of ook niet laten varen. 

 

6. Welaan, broeders! Laten wij tezamen voortgaan: Jezus zal met ons zijn. Wij hebben dit kruis opgenomen om Jezus; laten wij om Jezus aan het kruis gehecht blijven. Hij, die onze leidsman is en onze voorganger, zal ook onze helper zijn. Ziet, onze Koning gaat voor ons op, en Hij zal voor ons strijden (10). Laat ons moedig volgen; niemand vreze of verschrikke; laten wij bereid zijn om heldhaftig in de strijd te sterven, en laten wij onze roem niet schandvlekken, met van het kruis weg te vluchten (11). 

 

(1) 1 Joh. 14: 6 (2) Joh. 8: 31,32 (3) Matth. 19: 17 (4) Matth. 19: 21 (5) Matth. 16: 24 (6) Matth. 10: 24 (7) Joh. 13: 17 (8) Joh. 14: 21 (9) Apoc. 3: 21 (10) 2 Esdr. 4: 20 (11) 1 Mach. 9: 10 

 

 

 

Hoofdstuk 57 

 

Dat wij niet neerslachtig mogen worden als ons enig bezwaar overvalt 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, geduld en ootmoed in tegenspoed behagen Mij meer dan grote vurigheid en geestelijke blijdschap in voorspoed. Waarom bedroeft gij u in een kleinigheid, die tegen u gezegd wordt? al ware het veel erger geweest, gij moest u daarom niet ontstellen. Maar nu laat dit voortvaren; het is het eerste niet, of iets nieuws dat gij nu te lijden hebt, en het zal het laatste niet zijn, indien gij lang leeft. Gij zit kloek genoeg, zolang er geen zwarigheid overkomt. Gij weet zelfs aan anderen raad te geven, te versterken; maar overvalt de bekoring u onverwachts, dan ontbreekt u raad en sterkte. Bemerk uw grote zwakheid, die gij zo dikwijls in kleine moeilijkheden ondervindt; geloof nochtans, als die u overkomt, dat zulks tot uw zaligheid geschiedt. 

 

2. Stel alle kwellingen uit uw gedachten, zo goed gij kunt; en zijt gij er door geraakt, dat het u toch niet terneersla of lang ontstelle. Lijd tenminste geduldig indien gij het niet blijmoedig kunt. Indien gij iets ongaarne hoort, en enige gramschap begint te gevoelen, bedwing u, en laat geen ongeregeld woord uit de mond vallen, dat de kleinen zou kunnen ergeren. Alzo zal de ontroering van uw hart welhaast gestild zijn, en het inwendig leed zal door de wederkerende genade verzacht worden. Ik leef nog, zegt de Heer, bereid u te helpen en u meer dan gewoonlijk te troosten, indien gij op Mij vertrouwt, en Mij vurig aanroept. 

 

3. Wees in uw lot getroost (1) en bereid u tot grotere lijdzaamheid. Het is daarom niet alles verloren, al gevoelt gij dikwijls zware bekoringen en kwellingen. 

Gij zijt een mens, maar geen God; vlees zijt gij, en geen Engel. Hoe zoudt gij altijd in dezelfde staat van deugd kunnen volharden, daar dit aan de Engel in de hemel en aan de eerste mens in het paradijs ontbroken heeft? Ik ben het, die de verdrukten troost (2); en die hun krankheid erkennen, maak ik deelachtig aan mijn Godheid. 

 

4. DE ZIEL. - Gezegend zij uw heilig woord, o Heer, dat mij veel zoeter is dan honing aan de mond (3). Wat zou ik doen in zovele wederwaardigheden, indien Gij mij niet versterkte door uw heilige woorden? Wat is er mij aan gelegen, wat en hoeveel ik geleden heb, als ik maar ten laatste in de haven der eeuwige zaligheid aanland? Geef mij een gelukkig einde, en een zalig verscheiden uit deze wereld. 

 

Wees mij gedachtig, Heer, en leid mij door de rechte weg naar het rijk van de Vader. Amen. 

 

(1) Bar. 4: 30 (2) Job 5: 11 (3) Ps. 18: 11 

 

 

 

 


Hoofdstuk 58 

 

Dat men te verheven en Gods verborgen oordelen niet moet willen doorvorsen 

 

 

1. CHRISTUS. - Zoon, wacht u van te redetwisten over verheven stoffen en verborgen oordelen Gods; waarom deze mens zo verlaten is en gene tot zo grote genade verheven wordt. Waarom deze zoveel te lijden heeft, en de andere zo overladen is met voorspoed. Dat gaat alle menselijk verstand te boven; en geen redenering of vernuft vermag Gods oordelen te doorgronden. Wanneer dus de vijand u zulke gedachten ingeeft, of als nieuwsgierige mensen u daarnaar vragen, antwoord dan met de profeet: Heer, Gij zijt rechtvaardig en recht in al uw oordelen (1), of zeg: De oordelen des Heren zijn waarachtig gerechtvaardigd in zichzelf (2). Mijn oordelen moeten niet onderzocht, zij moeten geëerbiedigd worden; want zij zijn onbegrijpelijk voor het menselijk verstand. 

 

2. Wil ook niet onderzoeken of twisten over de verdiensten der Heiligen, wie onder hen de heiligste, of wie hoger verheven is in het rijk der hemelen. Zulke dingen veroorzaken dikwijls geschillen en nutteloze woordentwist; zij ontsteken ook de hoogmoed en ijdele waan, waar haat en tweedracht uit voortkomen, als de ene deze, de andere gene Heilige hovaardig wil verheffen. Dergelijke dingen te willen onderzoeken en weten brengt geen voordeel bij, maar mishaagt veeleer aan de Heiligen: Want Ik ben geen God van tweedracht, maar van vrede (3); welke vrede meer gelegen is in ware ootmoed dan in zelfverheffing. 

 

3. Sommigen worden getrokken door grotere genegenheid tot deze of gene Heiligen; maar door een voorliefde die meer menselijk dan goddelijk is. Ik ben het, die al de Heiligen geschapen heb; Ik heb de genade gegeven, Ik heb de heerlijkheid uitgereikt. Ik ken de verdiensten van eenieder; Ik heb hen voorkomen met de zoetheid van mijn zegen (4). Ik heb mijn welbeminden gekend vóór alle eeuwen; Ik heb hen gekozen (5). Ik heb ze geroepen door mijn genade, Ik heb ze tot Mij getrokken uit barmhartigheid, en door vele bekoringen heb ik ze geleid. Ik heb hun wonderzoete vertroostingen ingestort, Ik heb hun de volharding verleend, en hun verduldigheid gekroond. 

 

4. Ik ken ze al te gader, de eerste en de laatste; Ik bemin ze al te gader met een onuitsprekelijke liefde. Mij moet men loven in al mijn Heiligen; Ik moet gezegend worden boven alles, en vereerd in elk van hen die Ik alzo glorierijk verheerlijkt en voorbeschikt heb, zonder enige voorafgaande verdiensten van hun kant. Daarom, wie de minste van mijn vrienden veracht, eert ook de grootste niet; want Ik heb de minste zowel gemaakt als de meeste (6). En wie te kort doet aan één van mijn Heiligen, doet aan Mij te kort, en aan al de anderen, die in de hemel zijn. Zij zijn allen verenigd door de band der liefde: zij hebben één gevoelen, één wil, en beminnen elkander in Mij alleen. 

 

5. Maar, wat veel meer is, zij beminnen Mij meer dan zichzelf en hun verdiensten. 

Want boven zichzelf verrukt, en aan eigenliefde onttrokken, storten zij zich geheel in mijn liefde en vinden daarin genotvolle rust. Niets is er dat hen kan afkeren of nederwaarts trekken; want zij zijn vervuld met de eeuwige Waarheid, en blaken van het vuur ener onblusbare liefde. Dat zijn vleselijke en zinnelijke mensen, die niet weten te beminnen dan eigen voldoening, zwijgen over de staat der Heiligen. Zij geven en ontnemen aan de Heiligen volgens hun goeddunken, niet zoals het belieft aan de Eeuwige Waarheid. 

 

6. Vele mensen zijn zeer onwetend en weinig verlicht, en weten zelden wat het is iemand te beminnen met louter geestelijke liefde. Zij worden veelal tot die of deze Heilige getrokken door natuurlijke neiging en menselijke vriendschap, zich inbeeldende dat het in de hemel gaat, gelijk zij in deze wereld gewoon zijn te doen. 

Maar daar is een oneindig verschil tussen wat onvolmaakten denken en wat verlichte mensen door hoger ingeving ontdekken. 

 

7. Daarom wacht u, mijn zoon, u nieuwsgierig in te laten met dingen die uw begrip te boven gaan: maar wees veeleer bezorgd om een plaats, al was het ook de minste, in het rijk Gods te bekomen. En al wist iemand, welke heiliger of groter is in het rijk der hemelen, wat zou het hem baten, indien hij door deze kennis niet opgewekt werd zich des te meer voor Mij te vernederen, en mijn naam meer te loven en te eren? Die op de grootheid van zijn zonden denkt, en op de geringheid van zijn deugden, en overweegt hoe ver hij verwijderd is van de volmaaktheid der Heiligen, is aan God veel aangenamer dan hij, die veel twist over hun meerderheid of minderheid. Het is beter de Heiligen met godvruchtige gebeden en tranen te aanroepen en ootmoedig hun krachtige voorspraak te verzoeken, dan door een nutteloos onderzoek hun levensgeheimen na te vorsen. 

 

8. Zij zijn zeer wel tevreden, indien de mensen zich ook meer tevreden wisten te houden en hun ijdele praat te staken. Zij roemen niet op eigen verdiensten, vermits zij zichzelf niets goeds toeschijnen, maar aan Mij alleen, die hun alle goed uit mijn oneindige liefde gegeven heb. Zij zijn vervuld van de liefde Gods en van zo overvloedige blijdschap, dat er niets kan ontbreken aan hun geluk en aan hun heerlijkheid. Hoe verhevener zijn zij in glorie, hoe ootmoediger zij zijn in henzelf, waardoor zij met Mij nauwer verenigd zijn. Daarom staat er geschreven: dat zij hun kronen nederlegden voor Gods troon, en vielen op hun aangezicht voor het Lam, en aanbaden Hem, die leeft in de eeuwen der eeuwen (7). 

 

9. Velen onderzoeken wie de grootste is in het rijk Gods, zij die niet weten, of zij waardig zullen zijn onder de minsten gerekend te worden. Het is een groot geluk, zelf de minste in de hemel te zijn, aangezien allen daar groot zijn, en allen kinderen Gods genoemd worden, en werkelijk zijn. De minste zal daar het duizendvoud ontvangen (8) terwijl een zondaar al ware hij honderd jaar, ten gronde zal gaan (9). Als de discipelen vroegen wie de grootste zou zijn in het rijk der hemelen, hebben zij voor antwoord ontvangen: Tenzij gij u bekeert en wordt als kinderen, zult gij in het rijk der hemelen niet ingaan. Wie zich dan vernedert gelijk dit klein kind, die is de grootste in het rijk der hemelen (10). 

 

10. Wee hun, die zich niet vrijwillig willen vernederen met de kleinen; want de lage deur des hemels zal hun niet toelaten binnen te gaan. Wee ook de rijken, die hier hun troost hebben (11); want terwijl de armen het rijk Gods binnengaan, zullen zij daar al weeklagend buiten blijven. Verblijdt u, gij, ootmoedigen, en verheugt u, gij armen, want het rijk der hemelen is aan u (12), mits gij in de waarheid wandelt (13). 

 

(1) Ps. 118: 137 (2) Ps. 18: 10 (3) 1 Cor. 14: 33 (4) Ps. 20: 4 (5) Joan. 25: 16 (6) Sap. 6: 8 (7) Ap. 4: 10 en 5: 13,14 (8) Is. 60: 22 (9) Is. 60: 20 (10) Matt. 18: 1,3,4 (11) Luc. 6: 24 (12) Luc. 6: 20 (13) 2 Joh. 4 

 

 

 

Hoofdstuk 59 

 

Dat men al zijn hoop en betrouwen op God alleen moet vestigen 

 

 

1. DE ZIEL. - Heer, wat is mijn vertrouwen hier in dit leven, of wat is mijn grootste troost onder al wat er op aarde is? Zijt Gij het niet, mijn God, wiens barmhartigheid oneindig is? Wanneer is het met mij wèl geweest zonder U? Of waar heeft het kunnen kwalijk gaan met mij, als Gij bij mij waart? Liever ben ik arm om uwentwil, dan rijk zonder U. Ik heb liever met U als een vreemdeling op aarde te leven, dan zonder U de hemel te bezitten.. Waar Gij zijt in de hemel, en daar, waar Gij niet zijt, is de dood en de hel. Gij zijt al mijn verlangen, en daarom moet ik zonder ophouden naar U roepen, zuchten en bidden. Ik kan op niemand volkomen mijn vertrouwen stellen dan op U, noch in mijn nood hulp verhopen dan van U alleen, o mijn God. Gij zijt mijn hoop, mijn vertrouwen, en mijn trouwste vriend in alles. 

 

2. Alle mensen zoeken hun eigen voordeel (1); Gij zoekt alleen mijn zaligheid en mijn volmaking en Gij keert mij alles ten goede (2). Zelfs dan, wanneer Gij mij vele bekoringen en wederwaardigheden laat overkomen, schikt Gij dit alles tot mijn voordeel, want Gij beproeft uw uitverkorenen op duizend wijzen. En ik moet U in deze beproeving niet minder beminnen en loven, dan indien Gij mij gans vervulde met hemelse vertroostingen. 

 

3. Op U dan, o Heer! stel ik al mijn hoop, tot U neem ik al mijn toevlucht; aan U laat ik al mijn kommer en angst over; wijl ik zie, dat alles machteloos en ongestadig is, wat buiten U is. Vele vrienden kunnen mij niet baten, noch kloeke voorstanders mij helpen, wijze raadgevers zullen mij niet nuttig zijn, geleerde boeken zullen mij niet vertroosten, noch enig kostbaar goed mij vrijkopen, geen verborgen of verkwikkende plaats mij bevrijden, tenzij Gij zelf mij bijstaat, helpt, versterkt, vertroost, onderricht en bewaart. 

 

4. Want alles, wat tot vrede en geluk schijnt te strekken, is niets, als Gij bij ons niet zijt, noch ons kan helpen tot het ware geluk. Gij zijt dan het einde van alle goed, de volheid van het leven, de bron van alle wijsheid; en op U bovenal te vertrouwen, is de oprechte vertroosting van uw dienaren. Tot U zijn mijn ogen verheven, op U vertrouw ik, mijn God, Vader der barmhartigheden! Zegen en heilig mijn ziel met de hemelse zegen, opdat zij uw heilige woning, de troon van uw eeuwige glorie worde; en opdat er in die tempel van uw goedheid niets gevonden worde, dat de ogen uw van Majesteit kan mishagen. Werp een oogslag op mij volgens de omvang van uw goedheid, en de menigte van uw barmhartigheden (3) en verhoor het gebed van uw arme dienaar, die zo ver van U in het land van de duisternis en de dood in ballingschap omdoolt (4). Bescherm en bewaar mijn ziel tussen al de gevaren van dit vergankelijk leven; geleid mij door uw genade langs de weg van vrede naar het vaderland der euwige heerlijkheid. Amen. 

 

(1) Phil. 2: 21 (2) Rom. 8: 28 (3) Ps. 68: 17 (4) Is. 9: 2 

 

 


 

boek IV 

 

 

Hoofdstuk 1 

 

Met hoeveel eerbied Christus moet worden ontvangen 

 

 

‘Komt allen tot Mij die uitgeput onder lasten gebukt gaat; en Ik zal u rust en verkwikking geven,’ zegt de Heer (Mt. 11 : 28). 

‘Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld’ (Joh. 6 : 52). 

‘Neemt en eet: dit is mijn Lichaam, dat voor u wordt overgeleverd, doet dit tot gedachtenis aan Mij’ (Lc. 22 : 19; 1 Kor. 11 : 24). 

‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem’ (Joh. 6 : 56). 

‘De woorden die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven’ (Joh. 6 : 64). 

 

1. Dit zijn Jezus, eeuwige Waarheid, uw woorden, ofschoon niet op één tijd gesproken of op één plaats geschreven. 

2. Omdat zij dus de uwe zijn en waar, moet ik ze alle dankbaar en gelovig aanvaarden. 

3. Het zijn de uwe, omdat Gij ze hebt gezegd; en het zijn ook de mijne, omdat Gij ze hebt uitgesproken tot mijn welzijn. 

4. Graag neem ik ze aan uit uw mond, opdat ze dieper in mijn hart gevestigd worden. 

5. Woorden zo vol genegenheid, tederheid en liefde wekken mij op; maar mijn eigen wandaden schrikken mij af en mijn onrein geweten houdt mij terug om tot zulke grote geheimen te naderen. 

6. De beminnelijkheid van uw woorden nodigt mij uit, maar de menigte van mijn gebreken bezwaart mij. 

7. Gij beveelt mij met vertrouwen tot U te naderen, als ik deel wil hebben met U, en het voedsel van de onsterfelijkheid te nemen, als ik het eeuwig leven en de heerlijkheid wil verkrijgen. 

8. ‘Komt allen tot Mij’ zo zegt Gij, `die uitgeput onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust en verkwikking geven’ (Mt. 11 : 28). 

9. Wat een vriendelijk en beminnelijk woord in het oor van een zondaar: dat Gij, Heer mijn God, een arme en behoeftige uitnodigt tot deelneming aan uw allerheiligst Lichaam. 

10. Maar wie ben ik, Heer, dat ik mij aanmatig tot U te naderen? 

11. Zie, de hemelen der hemelen kunnen U niet bevatten en Gij zegt: ‘Komt allen tot Mij’? 

12. Wat betekent toch die allervriendelijkste toenadering en deze zo vriendschappelijke uitnodiging? 

13. Hoe zal ik het durven wagen te komen, ik die mij niets goeds bewust ben waarom ik dit zou mogen ondernemen? 

14. Hoe zal ik U binnenvoeren in mijn huis, ik die u dikwijls zulke beledigingen naar het hoofd heb geslingerd? 

15. Engelen en aartsengelen eren U, heiligen en rechtvaardigen vrezen U en Gij zegt: ‘Komt allen tot Mij’? 

16. Heer, als Gij het niet waart die dit zegt, wie zou geloven dat het waar is? 

17. En als het niet uw uitdrukkelijke wil was, wie zou wagen te naderen? 

18. Noach, een rechtvaardig man, werkte honderd jaar aan de bouw van een ark om met weinigen gered te worden. 

19. En hoe kan ik mij dan in één uur voorbereiden om de Maker van de wereld met eerbied in mij te ontvangen? 

20. Mozes, uw grote dienaar en bijzondere vriend, maakte een koffer van onverslijtbaar hout, overtrok die met zeer zuiver goud om daarin de tafelen der wet neer te leggen. 

21. En ik, verdorven wezen, zal het aandurven U, de Ontwerper van de wet en de Schenker van het leven, zo maar bij mij te ontvangen? 

22. Salomo, in wijsheid de uitmuntendste van Israëls koningen, bouwde zeven jaar aan een prachtige tempel ter ere van uw naam en vierde acht dagen lang het feest van zijn inwijding. 

23. Duizend vredeoffers droeg hij op en hij plaatste de ark van het verbond onder het schallen van de bazuinen en onder plechtig gejubel op de plaats die hij voor haar had gereed gemaakt. 

24. En ik, ongelukkige, de armste van de mensen, hoe zal ik U binnenvoeren in mijn huis, ik die nauwelijks een half uur in godsvrucht weet door te brengen? En kon ik maar eens één keer een half uur innig daaraan besteden. 

25. O mijn God, hoeveel hebben zij proberen te doen om U maar te behagen. 

26. Ocharm! hoe onnozel is het wat ik doe, hoe weinig tijd maak ik vol, als ik mij tot de heilige communie voorbereid. 

27. Zelden ben ik totaal innerlijk gericht, hoogst zeldzame ogenblikken vrij van alle verstrooiing. 

28. En natuurlijk behoorde in uw heilvolle goddelijke aanwezigheid geen enkele minder passende gedachte bij mij op te komen, geen enkel geschapen wezen mij bezig te houden; want ik sta op het punt niet een engel, maar de Heer der engelen bij mij als gast te ontvangen. 

29. Toch is er een zeer groot verschil tussen de ark van het Verbond met haar heilige gedenkstukken en uw allerheiligst Lichaam met zijn onzegbare volmaaktheden. 

30. Tussen die offers van de wet, voorafbeeldingen van wat eens zou komen, en het ware offer van uw Lichaam, de vervulling van alle vroegere offers. 

31. Waarom ontgloei ik dan niet meer bij uw vererenswaardige Aanwezigheid? 

32. Waarom bereid ik mij niet met meer zorg voor om uw heilige geheimen tot mij te nemen, als die vroegere heilige aartsvaders en profeten, koningen zelfs en aanvoerders met heel het volk zoveel gevoel van godsvrucht jegens de goddelijke eredienst aan de dag legden? 

33. De zeer vrome koning David ‘danste met volle overgave’ voor de ark van God ter viering van de gedachtenis aan al de weldaden de vaderen weleer bewezen. 

34. Hij deed allerlei muziekinstrumenten vervaardigen, dichtte liederen en liet die tot uiting van de blijdschap zingen; hijzelf zong die dikwijls bij zijn spel op de harp, gedreven door de bezieling van de heilige Geest. 

35. Hij leerde het volk van Israël met heel zijn hart God te loven en dagelijks met eenstemmigheid God te zegenen en te prijzen. 

36. Als er toen zo’n grote godsvrucht leefde en de lof van God vóór de ark van het Verbond werd vermeld. 

37. Hoeveel eerbied en godsvrucht behoort dan mij en het hele christelijk volk te bezielen in tegenwoordigheid van het Sacrament en bij de nuttiging van het allerverhevenste Lichaam van Christus. 

38. Velen reizen naar verschillende plaatsen om de relieken van heiligen te gaan bezoeken en zijn opgetogen bij het horen van hun daden; zij bewonderen de geweldige basilieken en kussen hun in zijde en goud gewikkeld gebeente. 

39. Zie, Gij zijt hier voor mij op het altaar, Gij, mijn God, de Heilige der heiligen, de Schepper van het mensdom en de Heer der engelen. 

40. Bij het zien van dat alles speelt de menselijke nieuwsgierigheid dikwijls een rol en ook het nieuwe van wat men nog nooit heeft gezien; de vrucht van levensverbetering die men meeneemt is gering, vooral als die reizen zo licht en zonder diepere bezinning worden ondernomen. 

41. Hier echter is in het Sacrament van het altaar mijn God en mens, Christus Jezus, geheel tegenwoordig; hier wordt ook overvloedig de vrucht van het eeuwig heil binnengehaald, zo dikwijls men U waardig en godvruchtig tot zich neemt. 

42. Hierheen voert echter niet een of andere lichtzinnigheid, nieuwsgierigheid of zinnelijke neiging, maar wel het vast geloof, een hoop vol overgave en oprecht gemeende liefde. 

43. O onzichtbare Schepper der wereld, God, hoe wonderbaar handelt Gij met ons; hoe voorzichtig en welwillend gaat Gij om met uw bevoorrechten, aan wie Gij Uzelf in het Sacrament ter nuttiging aanbiedt. 

44. Dit gaat immers alle begrip te boven: dit trekt op bijzondere wijze de harten der vromen aan en zet hun liefde in vlam. 

45. Want uw ware gelovigen die heel hun leven op verbetering richten, ontvangen door dit allerwaardigst Sacrament dikwijls overvloedig de gave van godsvrucht en liefde voor de deugd. 

46. O bewonderenswaardige en verborgen genade van dit Sacrament, alleen gekend door Christus’ gelovigen; de ongelovigen echter en zij die de zonde dienen kunnen dit niet ervaren. 

47. In dit Sacrament wordt geestelijke genade meegedeeld, de verloren deugd innerlijk hersteld en keert de schoonheid terug die door de zonde was ontluisterd. 

48. Zó groot is soms deze genade, dat door de overvloedige gave van godsvrucht niet alleen de geest maar ook het zwakke lichaam voelt, dat het ruimere krachten krijgt. 

49. Wel is het bedroevend en zeer te betreuren dat wij zo lauw en zo nalatig zijn; dat wij niet met groter liefde tot het ontvangen van Jezus Christus worden aangetrokken; op Hem toch steunen de hoop en de verdienste van hen die zalig zullen worden. 

50. Hij is immers onze heiligmaking en verlossing, Hijzelf de troost van hen die onderweg zijn, en het eeuwig geluk der heiligen. 

51. Het is daarom zeer te betreuren dat velen zo weinig aandacht schenken aan dit heilzaam geheim, dat de hemel verblijdt en de hele wereld in stand houdt. 

52. Wat is het menselijk hart helaas verblind en onverschillig, dat het niet meer aandacht heeft voor deze onuitsprekelijke gave en zelfs door de dagelijkse omgang tot onachtzaamheid vervalt. 

53. Stel dat dit sacrament op niet meer dan één plaats werd gevierd en door niet meer dan één priester ter wereld werd geconsacreerd, 

54. Bedenk hoe de mensen dan vol verlangen zouden zijn naar die plaats en naar die priester, om de goddelijke geheimen te zien vieren. 

55. Nu zijn er vele priesters gewijd en op vele plaatsen wordt Christus opgedragen, opdat Gods goedgunstigheid en liefde voor de mens des te groter zouden blijken naarmate de heilige communie over de aarde meer verspreid zou zijn. 

56. Dank aan U, goede Jezus, eeuwige Herder, omdat Gij U gewaardigt ons arme ballingen met uw kostbaar Lichaam en Bloed te verkwikken en met uw persoonlijke woorden ons uitnodigt tot het ontvangen van deze mysteriën als Gij zegt: ‘Komt tot Mij gij allen die uitgeput zijt en onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust en verkwikking geven’ (Mt. 11 : 28). 

 

 

Hoofdstuk 2 

 

Grote goedheid en liefde van God wordt de mens in het Sacrament bewezen 

 

1. De gelovige: Heer, vertrouwend op uw goedheid en grote barmhartigheid, kom ik bij U als een zieke bij de arts, als een hongerige en dorstige bij de bron van het leven, als een arme bij de Koning van de hemel; als de dienaar bij zijn Heer, als het schepsel bij de Schepper, als de troosteloze bij zijn goede Vertrooster. 

2. Maar hoe bestaat het dat Gij tot mij komt? 

3. Wie ben ik dat Gij uzelf aan mij geeft? 

4. Hoe durft een zondig mens voor U te verschijnen en hoe kunt Gij het over U verkrijgen naar een zondig mens toe te komen? 

5. Gij kent uw dienaar, Gij weet dat hij niets goeds in zich heeft op grond waarvan Gij dit voor hem zoudt doen. 

6. Ik beken dus mijn minderwaardigheid, ik erken uw goedheid, ik loof uw liefde en ik dank U om uw al te grote genegenheid. 

7. Gij doet dat omdat Gij zo zijt, niet om mijn verdiensten; om uw goedheid meer te doen kennen, zodat ik tot meer liefde zou komen en op volmaakter wijze de nederigheid mij zou worden aanbevolen. 

8. Omdat het U aldus behaaglijk is en Gij gewild hebt dat het zo zou geschieden, daarom is uw neerbuiging ook mij aangenaam; mocht mijn ongerechtigheid voor U geen beletsel zijn. 

9. O allerbeminnelijkste en liefdevolle Jezus, hoeveel eerbied, dankbetuiging en eeuwige lof ben ik U niet verschuldigd voor het ontvangen van uw heilig Lichaam: geen mens ter wereld kan de verhevenheid daarvan verklaren. 

10. Maar wat zal mijn gedachte zijn bij deze communie, bij het naderen tot mijn Heer die ik niet op de verschuldigde wijze eren kan en toch devoot tot mij wens te nemen? 

11. Wat zal ik beter en heilzamer denken dan dat ik mij volstrekt voor U verneder en uw oneindige goedheid hoog boven mijzelf vereer? 

12. Ik loof U, mijn God, en ik prijs U in eeuwigheid. Ik minacht mijzelf en onderwerp mij aan U in de diepte van mijn nietswaardigheid. 

13. Zie, Gij zijt de Heilige der Heiligen en ik ben het uitvaagsel van de zondige mensheid. 

14. Gij buigt U naar mij die niet waardig ben tot U op te zien. 

15. Zie, Gij komt tot mij, Gij wilt met mij zijn, Gij nodigt mij uit om maaltijd met U te houden. 

16. Gij wilt mij de hemelse spijs en het brood der engelen (Ps. 78 : 25) te eten geven, geen ander dan Uzelf, ‘het levend brood, dat uit de hemel is neergedaald en leven geeft aan de wereld’ (Joh. 6 : 33, 51, 52). 

17. Ziedaar waar de liefde uit voortkomt, hoe de liefde in het licht verschijnt. Wat zijn wij U grote dankbetuigingen en lofprijzingen voor dit alles verschuldigd. 

18. Hoe gezegend en nuttig was uw besluit toen Gij dit hebt ingesteld. Hoe beminnelijk en uitnodigend het gezamenlijk maal, toen Gij Uzelf als spijs hebt gegeven. 

19. Hoe wonderbaar is uw werking, Heer, hoe vermogend uw kracht, niet onder woorden te brengen uw waarheid. 

20. Gij hebt gesproken en alles is geworden en ook dit is geschied, omdat Gij zelf het hebt bevolen. 

21. Het is een wonderlijke zaak, alle geloof waardig, maar het gaat het menselijk verstand te boven, dat Gij, Heer, mijn God, waarlijk God en mens, binnen de geringe gedaante van brood en wijn wordt begrensd en zonder te worden verteerd door hem die eet wordt genuttigd. 

22. Gij, Heer van het heelal die niemand behoeft, hebt door dit Sacrament onder ons willen wonen. 

23. Bewaar mijn hart en mijn lichaam rein, opdat ik met een blij en zuiver geweten dikwijls uw mysteriën mag vieren en tot mijn eeuwig heil ontvangen. Gij hebt die vooral tot uw eer en tot een eeuwige gedachtenis gewild en ingesteld. 

24. Verheug u dan, mijn diepste wezen, en dank de Heer voor zulk een verheven geschenk en bijzondere troost, die Hij u in dit tranendal heeft gelaten. 

25. Want zo dikwijls gij dit geheim herdenkt en Christus’ Lichaam ontvangt, even zo dikwijls voltrekt gij het werk van uw verlossing, want gij wordt deelachtig aan de verdiensten van Christus. 

26. De liefde van Christus immers vermindert nooit en de omvang van zijn verzoeningswerk is onuitputtelijk. 

27. Daarom behoort gij u altijd weer met vernieuwing van geest hierop voor te bereiden en het grote mysterie van uw heil met aandachtige beschouwing te overwegen. 

28. Het moet u daarom groot, nieuw en verrukkelijk voorkomen als gij celebreert of de mis hoort; alsof diezelfde dag Christus voor het eerst neerdalend in de schoot der Maagd, mens werd of aan het kruis hangend, voor het heil der mensen leed en stierf. 

 

 

Hoofdstuk 3 

 

Het is nuttig dikwijls te communiceren 

 

1. De gelovige: Zie, ik kom tot U, Heer, opdat het mij wel mag gaan door uw geschenk en ik mij verheug in uw heilig gastmaal, dat Gij, God, in uw goedheid voor de mens hebt gereed gemaakt (Ps. 68 : 11). 

2. Zie, in U is alles aanwezig wat ik kan en moet verlangen; Gij zijt mijn heil en mijn verlossing, mijn hoop en mijn sterkte, mijn eer en mijn glorie. 

3. ‘Verblijd’ dan vandaag ‘het innerlijk van uw dienaar, want tot U, Heer Jezus, heb ik mijn geest verheven’ (Ps. 86 : 4). 

4. Ik wens U nu godvruchtig en eerbiedig te ontvangen; ik verlang U in mijn woning binnen te leiden om met Zacheüs te verdienen door U te worden gezegend en onder de zonen van Abraham te worden erkend. 

5. Mijn innerlijk verlangt naar uw Lichaam, mijn hart wenst met U te worden verenigd. 

6. Geef Uzelf aan mij en het is goed. Want buiten U is geen enkele vertroosting volwaardig. 

7. Ik kan niet zonder U zijn; en zonder uw bezoek kan ik niet leven. 

8. Daarom moet ik wel dikwijls tot U naderen en U als geneesmiddel tot het heil ontvangen; anders zou ik misschien onderweg bezwijken, als ik beroofd bleef van dit hemels voedsel. 

9. Want zo, allerbarmhartigste Jezus, hebt Gij bij uw prediking aan het volk en bij het genezen van allerlei kwalen het eens gezegd: ‘Ik wil hen niet zonder voedsel naar hun huis terug laten gaan, misschien zouden ze onderweg omkomen’ (Mt. 15 : 32). 

10. Doe dan met mij hetzelfde, Gij die Uzelf tot troost van uw gelovigen in het Sacrament hebt nagelaten. 

11. Want Gij zijt een heerlijke verkwikking voor mijn innerlijk wezen en wie U waardig heeft genuttigd, zal deelgenoot en erfgenaam zijn van de eeuwige glorie. 

12. Voor mij is het onmisbaar, omdat ik zo dikwijls wankel of val, zo snel weer lauw en onder de maat ben, dat ik door veelvuldig te bidden en te biechten en door het heilig ontvangen van uw Lichaam mijzelf vernieuw, mij reinig en weer vurig word, want door mij daar langer van te onthouden zou ik weggedreven worden van mijn heilig voornemen. 

13. De zinnen van een mens immers zijn geneigd tot het kwaad vanaf zijn jonge jaren en als het goddelijk geneesmiddel hem niet ter hulp komt daalt de mens weldra tot een minderwaardig leven af. 

14. De heilige communie houdt hem dus terug van het kwaad en bevestigt hem in het goede. 

15. Als ik namelijk nu al zo vaak nalatig en lauw ben terwijl ik communiceer of celebreer, wat zou het dan zijn als ik dit geneesmiddel niet tot mij nam en deze sterke steun niet zocht? 

16. En al ben ik niet iedere dag goed genoeg gesteld en bereid om te celebreren, toch zal ik er mij op toeleggen de goddelijke mysteriën te vieren op de geschikte tijden en zorgen dat ik deel krijg aan die grote gunst. 

17. Want dit is een bijzonder belangrijke vertroosting voor wie U trouw wil zijn zolang hij ver van U in dit sterfelijk lichaam nog onderweg is: dat hij herhaaldelijk zijn God indachtig, zijn Geliefde met vrome gesteltenis mag ontvangen. 

18. O wonderbare begenadiging van uw liefde jegens ons; dat Gij, Heer onze God, Schepper en Levensbron van alle geesten, tot dit armzalig menselijk wezen wilt afdalen en met heel uw godheid en mensheid zijn honger overvloedig wilt verzadigen. 

19. Gelukkig de geest en zalig de ziel die U, haar Heer en God, godvruchtig verdient te ontvangen en bij die geestelijke gave van vreugde vervuld wordt. 

20. Zij ontvangt een groot machthebber, zij voert een zeer beminnelijke gastvriend binnen, zij krijgt een vriendelijk gezel bij zich, zij aanvaardt een trouwe vriend. Zij omhelst een bruidegom die edel en voornaam is, die boven alle geliefden en boven alles wat begerenswaardig is bemind moet worden. 

21. Laat dan, mijn dierbaarste beminde, laat hemel en aarde en alles wat hen siert zwijgen in uw tegenwoordigheid, want wat zij aan lof en schoonheid bezitten, is een geschenk van uw vrijgevigheid en nooit zullen zij de heerlijkheid van uw naam nabij komen wiens wijsheid zonder grenzen is. 

 

 

Hoofdstuk 4 

 

Veel gaven worden gegeven aan wie godvruchtig communiceren 

 

1. De gelovige. Heer mijn God, voorkom uw dienaar met de zegeningen van uw mildheid, dat ik tot uw heilig sacrament waardig en godvruchtig mag naderen. 

2. Wek mijn hart op tot U en ontdoe mij van mijn zware loomheid. ‘Bezoek mij met uw heil’ (Ps. 106 : 4.) om in de geest uw goedheid te proeven die in dit Sacrament als in een bron overvloedig verborgen is. 

3. Verlicht ook mijn ogen om zulk een groot geheim te kunnen beschouwen en versterk mij om het met onwankelbaar geloof aan te nemen. 

4. Want dit is uw werking en geen menselijke kracht; het is uw heilige instelling en geen uitvinding van mensen. 

5. Niemand is uit zichzelf immers bekwaam om dit te vatten en datgene te verstaan wat zelfs het scherpe verstand der engelen te boven gaat. 

6. Wat zou ik dan, onwaardig zondig mens, stof en as, over dit heilig geheim kunnen onderzoeken en achterhalen? 

7. Heer, in de eenvoud van mijn hart, in een waar en sterk geloof en op uw bevel nader ik tot U met vertrouwen en eerbied. In waarheid geloof ik dat Gij hier in het Sacrament aanwezig zijt, als God en mens. 

8. Gij wilt dus dat ik U ontvang en mij in liefde met U verenig. 

9. Daarom bid ik uw grote goedheid en smeek ik U mij met het oog hierop een bijzondere genade te geven: dat ik volkomen in U mag opgaan en uit liefde mij in U overstorten en mij verder met geen enkele andere vertroosting meer inlaat. 

10. Want dit hoogste en allerwaardigste Sacrament is een zegen voor ziel en lichaam, een medicijn voor allerlei geestelijke kwalen. Hier worden mijn gebreken verbeterd, mijn hartstochten beteugeld, bekoringen overwonnen of verminderd; hier wordt overvloedige genade gegeven, wordt de begonnen deugd versterkt, wordt het geloof bevestigd en ontvangt de hoop nieuwe kracht, raakt de liefde in vlam en wordt zij verruimd. 

11. Want talrijke gaven hebt Gij verleend en geeft Gij nog dikwijls in dit Sacrament aan uw geliefden die godvruchtig communiceren, mijn God, Gij die mijn ziel hebt aangenomen, die de menselijke zwakheid hebt hersteld, die de Gever zijt van de innerlijke vertroosting. 

12. Want grote vertroosting geeft Gij hun tegen de veelvuldige kwelling, en uit de diepte van eigen neerslachtigheid richt Gij hen op tot hoop op uw bescherming, en door nieuwe genade herstelt Gij hen innerlijk en geeft Gij hun licht. 

13. Zodat zij die voor de communie zich angstig en zonder liefde voelden, daarna door hemelse spijs en drank verkwikt, zich in een beter mens herschapen wisten. 

14. Gij weegt dit voor uw geliefden daarom af, opdat zij waarlijk erkennen en duidelijk ervaren hoe zwak zij uit zichzelf zijn en hoeveel goedheid en welwillendheid zij van uw kant mogen ondervinden. 

15. Want uit zichzelf koud, hard en ongodvruchtig, verkrijgen zij door U dat zij vurig, ijverig en vroom zijn. 

16. Want wie zou nederig tot de bron van de goedheid naderend, niet met iets van die beminnelijkheid daaruit verrijkt worden? 

17. Of wie zou naast een groot vuur staan en niet daardoor enige warmte opnemen? 

18. Gij zijt de voortdurend volle en overvloeiende bron, een altijd brandend vuur dat nooit verflauwt. 

19. Daarom, al is het mij niet geoorloofd uit de volheid van die bron te scheppen noch tot het laatst mijn dorst te lessen, toch zal ik mijn mond zetten aan de opening van dat hemelse toevoerkanaal, dat ik tenminste een enkele druppel opvang om mijn dorst te stillen en niet volkomen te verdorren. 

20. En al kan ik nog niet helemaal hemels en brandend zijn zoals cherubijnen en serafijnen, toch zal ik proberen mij op godsvrucht toe te leggen en mijn hart voor te bereiden, opdat ik tenminste een vonk van die goddelijk brand uit het nederig nuttigen van dit levendmakend Sacrament mag verkrijgen. 

21. Wat mij ook ontbreekt, goede Jezus, allerheiligste Verlosser, wil Gij dat voor mij welwillend en liefdevol aanvullen, Gij die zo goed zijt geweest allen tot U te roepen met de woorden: ‘Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust en verkwikking geven’ (Mt. 11 : 28). 

22. Ik zwoeg immers met bezweet gezicht, mijn hart doorstaat folterende kwelling, ik word beladen met zonden, veel slechte hartstochten verwarren mij en houden mij aan de grond. 

23. En er is niemand die mij helpt, niemand die mij bevrijdt of zalig maakt, tenzij Gij God, mijn Verlosser; aan U vertrouw ik toe mijzelf en al het mijne, dat Gij mij moogt bewaren en binnenleiden in het eeuwig leven. 

24. Ontvang mij tot lof en glorie van uw naam, Gij die mij uw Lichaam en Bloed tot spijs en drank hebt bereid. 

25. Geef, Heer, God van mijn heil, dat met de herhaling van uw geheim de gloed van mijn godsvrucht mag toenemen. 

 

 

Hoofdstuk 5 

 

De waardigheid van het Sacrament en de priesterlijke staat 

 

1. De Heer: Al hadt gij een engelachtige zuiverheid en de heiligheid van Sint Jan de Doper, dan waart gij nog niet waardig dit Sacrament te ontvangen en daarmee om te gaan. 

2. Want het is geen vrucht van menselijke verdiensten dat een mens consacreert en Christus’ Sacrament in handen neemt en het brood der engelen nuttigt als zijn spijs. 

3. Ontzagwekkend is de bediening en groot de waardigheid van de priesters aan wie gegeven is wat engelen niet is toegestaan. 

4. Want alleen de priesters die op de juiste wijze in de kerk zijn gewijd, hebben de macht om het offer op te dragen en het Lichaam van Christus te consacreren. 

5. De priester is immers de dienaar van God, die Gods woord gebruikt op bevel en volgens de instelling van God. God is daar de voornaamste bewerker en de onzichtbare uitvoerder: alles is aan Hem volgens zijn wil onderworpen en hij doet alles wat Hij beveelt. 

6. Daarom moet Gij meer de almachtige God geloven in dit hoogheilig Sacrament dan uw eigen gevoelens volgen of een of ander zichtbaar bewijs. 

7. Daarom behoort men met ontzag en eerbied tot dit dienstwerk te naderen. 

8. Neem uzelf in acht en bedenk wat het is waarvan de bediening u door de oplegging van de handen van de bisschop is toevertrouwd. 

9. Zie, gij zijt priester geworden en gewijd om de heilige Eucharistie te vieren; denk er nu wel aan om trouw en godvruchtig op de aangewezen tijd God dit offer op te dragen en zorg dat gij onberispelijk leeft. 

10. Gij hebt uw last niet lichter gemaakt, maar gij zijt nu door een nauwere band tot een stipte levenswijze gebonden en tot hogere maat van heilige volmaaktheid verplicht. 

11. Een priester moet zich onderscheiden door allerlei, deugd en voor anderen een voorbeeld van het goede zijn. 

12. Zijn levensgang is niet die volgens de populaire opvatting, maar moet lijken op die van de engelen in de hemel of van volmaakte mensen op aarde. 

13. Met de heilige gewaden bekleed is de priester plaatsvervanger van Christus om God voor zichzelf en voor heel het volk eerbiedig en nederig te smeken. 

14. Vóór en achter zich draagt hij het teken van het kruis des Heren om altijd het lijden van Christus te gedenken. 

15. Van voren draagt hij het kruis op het kazuifel om Christus’ voetsporen nauwkeurig na te gaan en zich ijverig op navolging toe te leggen. 

16. Aan de achterzijde is hij met een kruis getekend om welke lasten ook, hem door anderen opgelegd, met mildheid voor God te dragen. 

17. Voor zich uit draagt hij het kruis om eigen zonden te betreuren, achter zich aan om ook wat anderen misdeden uit medelijden te bewenen en om goed te weten dat hij tussen God en de zondaar is gesteld. 

18. Hij mag niet verflauwen in het gebed of het heilig offer, totdat hij verdient genade en barmhartigheid te verkrijgen. 

19. Als de priester de heilige Eucharistie viert, eert hij God, verblijdt hij de engelen, geeft hij stichting aan de Kerk; hij helpt de levenden, verkrijgt rust voor de overledenen ,en heeft zelf aan alle geestelijke goederen deel. 

 

 

 

Hoofdstuk 6 

 

Ondervraging over de oefening voor de Communie 

 

1. De gelovige: Als ik uw waardigheid en mijn onbeduidendheid overdenk, Heer, ben ik zeer ontdaan en over mijzelf diep beschaamd. 

2. Als ik immers niet nader, ontvlucht ik het leven en als ik mij onwaardig opdring, doe ik U een belediging aan. 

3. Wat moet ik dan doen, mijn God, mijn helper en mijn raadgever in moeilijkheden? 

4. Leer Gij mij de juiste weg, wijs mij een goede oefening aan die passend is voor de heilige communie. 

5. Het is immers nuttig te weten hoe ik godvruchtig en eerbiedig mijn hart moet voorbereiden om uw Sacrament tot mijn heil te ontvangen of ook om een zo waardig en goddelijk offer te vieren. 

Hoofdstuk 7 

 

Het onderzoek van het eigen geweten en het voornemen tot verbetering 

 

1. De Heer: Vóór alles behoort Gods priester om dit Sacrament te vieren, te behandelen en te nuttigen, met de grootste innerlijke nederigheid, met diepe eerbied, met een onvoorwaardelijk geloof en een liefdevolle gerichtheid op de eer van God naderbij te komen. 

2. Onderzoek zorgvuldig uw geweten, zuiver en verhelder het naar vermogen door een waar berouw en een nederige biecht, zodat er bij uw weten niets bezwarends overblijft dat wroeging veroorzaakt en uw vrije toenadering verhindert. 

3. Heb dan afkeer van al uw zonden in het algemeen en betuig uw spijt en berouw, meer in het bijzonder over uw dagelijkse overtredingen. 

4. Als de tijd het toelaat belijd dan God in het binnenste van uw hart al de ellenden van uw leven. 

5. Treur en wees bedroefd dat gij nog zo op het stoffelijke gericht en zo werelds gezind zijt; 

6. Zo onverstorven in uw hartstochten, zo vol onrust in uw begeerten; 

7. Zo weinig waakzaam in uw uiterlijke zintuigen, zo dikwijls verwikkeld in veel zinledige verbeeldingen; 

8. Zo sterk geneigd naar het uiterlijke, zo onverschillig tegenover het innerlijke; 

9. Zo gemakkelijk bereid tot lachen en uitgelatenheid, zo moeilijk te bewegen tot tranen van berouw; 

10. Zo snel gereed tot een losser leven en de stoffelijke genoegens, zo traag tot stiptheid en vurigheid; 

11. Zo begerig om iets nieuws te horen en mooie dingen te zien, zo aarzelend om een bescheiden of minder aanzienlijke taak op u te nemen; 

12. Zo begerig om veel te hebben, zo gierig in het geven, zo taai in het vasthouden; 

13. Zo onbedachtzaam in woorden, zo onbeheerst als er gezwegen moet worden; 

14. Zo weinig fijngevoelig in uw welwillendheid, zo onbesuisd in uw handelen; 

15. Zo onbeheerst bij eten en drinken, zo doof om Gods woord te aanhoren; 

16. Zo snel gereed om te gaan rusten, zo schoorvoetend als er gewerkt moet worden; 

17. Zo nieuwsgierig als er praatjes zijn, zo slaperig tijdens uw heilige waaktijd; 

18. Zo verlangend naar het einde, zo verstrooid in uw aandacht; 

19. Zo slordig in het voltooien van uw gebedstijden, zo lauw bij het mislezen, zo dor bij het communiceren; 

20. Zo spoedig in gedachten afwezig, zo zelden geheel in uzelf gekeerd; 

21. Zo snel geprikkeld tot verontwaardiging, zo lichtvaardig in het mishagen aan een ander; 

22. Zo geneigd om te oordelen, zo hard in uw argumentatie; 

23. Zo blij als het goed gaat; zo zwak als iets tegenloopt; 

24. Zo druk in de weer met veel goede voornemens en maar weinig daarvan ten uitvoer brengend. 

25. En als gij deze en uw andere fouten met leed en met ontevredenheid over uw eigen gebrekkigheid hebt betreurd en gebiecht, maak dan het vaste voornemen uw leven voortdurend te verbeteren en in het goede voortgang te maken. 

26. Breng dan uzelf met algeheel vertrouwen en volledig vrije wil ter ere van mijn naam ten offer op het altaar van uw hart als een blijvend brandoffer, door uw lichaam en uw ziel aan Mij met getrouwheid over te laten. 

27. Dit moet uw bedoeling zijn: dat gij verdient waardig te naderen om God het offer op te dragen en het Sacrament van mijn Lichaam tot uw heil te ontvangen. 

28. Er is namelijk geen offerande zo waardig en geen voldoening zo groot om zonden uit te wissen dan zichzelf zuiver en geheel, te samen met het offer van Christus’ Lichaam, in de mis en de communie God aan te bieden. 

29. Als de mens gedaan heeft wat in hem is en oprecht spijt betuigt zo dikwijls hij om genade en vergeving tot Mij komt, dan zegt de Heer: ‘Ik leef en wil de dood van de zondaar niet maar wel dat hij zich bekeert en leeft (Ez. 33 : 11); want Ik zal zijn zonden niet langer indachtig zijn (Hebr. 10 : 17), maar alles zal hem zijn kwijtgescholden.’ 

 

 

Hoofdstuk 8 

 

De opoffering van Christus aan het kruis en onze eigen overgave 

 

1. Zoals Ik mijzelf met uitgestrekte armen aan het kruis en met een ontkleed lichaam voor uw zonden aan God de Vader vrijwillig heb opgedragen, zodat er niets in mij overbleef dat niet geheel in het offer van de goddelijke verzoening overging, 

2. Zo moet ook gij uzelf aan Mij met vrije wil als een zuiver en heilig offer dagelijks in de mis met al uw krachten en genegenheden zo innig gij kunt aan Mij aanbieden. 

3. Wat vraag Ik meer van u dan dat gij probeert uzelf aan Mij zonder voorbehoud weg te geven? 

4. Wat gij ook geeft buiten uzelf, het heeft voor Mij geen waarde, want Ik zoek niet uw gaven maar u. 

5. Zoals het voor u onvoldoende zou zijn alles te hebben behalve Mij, zo kan Mij niets behagen, wat gij mij ook, zoudt geven, zonder het offer van uzelf. 

6. Offer uzelf aan Mij op en geef alles voor God, dan zal uw offerande aanvaard worden. 

7. Zie, Ik heb mijzelf geheel aan de Vader aangeboden voor u; Ik gaf ook heel mijn Lichaam en mijn Bloed tot voedsel, opdat ik geheel de uwe zou zijn en gij de mijne zoudt blijven. 

8. Maar blijft gij aan uzelf vasthouden en geeft gij u niet spontaan over aan mijn wil, dan is die offerande niet volmaakt en de vereniging tussen ons beiden niet volledig. 

9. Daarom behoort aan al uw daden de vrijwillige overgave van uzelf in Gods .handen vooraf te gaan, als gij vrijheid en genade wilt verkrijgen. 

10. Om deze reden immers worden zo weinigen werkelijk verlicht en inwendig vrij, omdat zij zichzelf niet geheel weten te verloochenen. 

11. Dit is mijn besliste uitspraak: ‘Als iemand niet verzaakt aan alles, kan hij mijn leerling niet zijn’ (Lc. 14 : 33) 

12. Als gij dan mijn leerling wenst te zijn, offer uzelf dan aan Mij op met alles wat gij liefhebt. 

 

 

Hoofdstuk 9 

 

Wij behoren onszelf en alles wat van ons is aan God op te dragen en voor allen te bidden 

 

1. De gelovige: Heer, alles is het uwe, zowel in de hemel als op de aarde. 

2. Ik verlang mijzelf als een vrijwillige offerande op te dragen en in eeuwigheid de uwe te blijven. 

3. Heer, in de eenvoud van mijn hart offer ik mijzelf vandaag aan U op als uw eeuwige dienaar: een offer van hulde en lof voor altijd. 

4. Ontvang mij te samen met deze heilige offerande van uw kostbaar Lichaam, die ik U vandaag in het bijzijn van alle onzichtbare aanwezige engelen aanbied, opdat zij voor mij en voor heel het volk tot heil moge zijn. 

5. Heer, ik breng U op uw zoenaltaar al mijn zonden en misdaden ten offer die ik heb begaan voor uw aangezicht en dat van uw heilige engelen, vanaf de dag dat ik voor het eerst kon zondigen tot aan dit uur. 

6. Opdat Gij alles wilt ontvlammen en verbranden in het vuur van uw liefde, al de smetten van mijn zonden uitwist en mijn geweten van alle misdaad zuivert. 

7. En mij uw genade teruggeeft, die ik door te zondigen had verloren: dan is alles vergeven en ben ik in een omhelzing van vrede weer barmhartig aangenomen. 

8. Wat kan ik doen voor mijn zonden, tenzij die nederig bekennen, erover treuren en onophoudelijk uw vergeving daarover afsmeken? 

9. Mijn God, nu ik voor U sta smeek ik U: wil mij in uw medelijden verhoren. 

10. Al mijn zonden staan mij in de hoogste mate tegen, ik wil die nooit meer bedrijven; maar, ik betreur ze en zal ze blijven betreuren zolang ik leef, bereid om boete te doen en naar vermogen voldoening te geven. 

11. Vergeef mij, God, vergeef mij mijn zonden omwille van uw heilige naam; red mijn ziel die Gij door uw kostbaar Bloed hebt vrijgekocht. 

12. Ik vertrouw mij toe aan uw barmhartigheid, ik geef mij over in uw handen. 

13. Doe met mij volgens uw goedheid, niet volgens mijn boosaardigheid en ongerechtigheid. 

14. Ik offer U ook al het goede op dat het mijne is, hoe gering en onvolmaakt dat alles ook zijn mag: wil Gij het verbeteren en heiligen. 

15. Wil dat alles tot een U aangename en aanvaardbare gave maken, het tot iets beters verheffen, en mijzelf, traag en onnut mensenkind, tot een zalig en prijzenswaardig einde voeren. 

16. Ik offer U ook alle heilige verlangens van de vromen; de noden van mijn ouders, vrienden, broers en zusters, van al degenen die mij dierbaar zijn en van allen die mij en anderen ter liefde van U hebben welgedaan. 

17. En hen die hebben verlangd en gevraagd dat ik gebeden en missen zou opdragen voor henzelf en voor allen die met hen verbonden zijn, of zij nu leven of reeds uit dit leven zijn heengegaan. 

18. Zodat zij allen de hulp van uw genade, de rijkdom van uw vertroosting, de bescherming in gevaren, de bevrijding van straf naar zich voelen toekomen en zij uit alle rampen bevrijd in blijdschap U rijkelijk dank betuigen. 

19. Ik offer U ook gebeden en zoenoffers op bijzonder voor hen die mij op een of andere wijze leed hebben aangedaan, hebben bedroefd, kritiek hebben geuit of enige schade of last hebben veroorzaakt. 

20. Ook voor al degenen die ik zelf ooit droefheid, verwarring, last of ergernis heb veroorzaakt door woorden of daden, bewust of onwetend; 

21. Dat Gij ons allen zonder onderscheid onze zonden en wederzijdse beledigingen wilt vergeven. 

22. Heer, neem alle achterdocht, verontwaardiging, gevoelens van bitterheid en woordenstrijd uit ons hart weg en evenzeer alles wat de liefde kan kwetsen en de broederlijke liefde verminderen. 

23. Ontferm U, Heer, ontferm U over ons die om uw barmhartigheid smeken, geef genade aan wie U zo nodig hebben; 

24. En laat ons zo leven dat wij waardig zijn uw genade te bezitten en tot het eeuwig leven mogen komen. Amen. 

 

 

Hoofdstuk 10 

 

De heilige communie moet men niet gemakkelijk achterwege laten 

 

1. De Heer: Dikwijls behoort gij uw toevlucht te nemen tot de bron van genade en goddelijke barmhartigheid, tot de bron van goedheid en alle zuiverheid. Dan zult gij van uw hartstochten en gebreken worden genezen en verdienen krachtiger en waakzamer te kunnen optreden tegen alle bekoringen en bedriegerijen van de duivel. 

2. De vijand weet dat zeer veel vrucht en een middel tot heil in de communie gelegen zijn; op allerlei wijzen en bij iedere gelegenheid probeert hij gelovigen en vromen zoveel hij kan daarvan af te houden of hen daarin te belemmeren. 

3. Want als sommigen zich, op de heilige communie voorbereiden, ondergaan zij zeer erge ingevingen van de satan. 

4. De boze geest zelf, zoals in het boek Job geschreven staat, komt onder de zonen Gods om hen met zijn gebruikelijke slechtheid in verwarring te brengen, ze bevreesd te maken of radeloos; om zo hun liefde te verminderen of hun geloof door zijn aanvechting weg te nemen, zodat zij óf de communie helemaal weglaten óf met lauwheid ertoe naderen. 

5. Maar men moet zich niet het allerminst storen aan zijn sluwheden en verbeeldingen, hoe schandelijk en verschrikkelijk die ook zijn, maar alle fantasieën moet men naar zijn hoofd terugwerpen. 

6. Hij is ellendig, verachtelijk en bespottelijk; en om zijn beledigingen en de onrust die hij veroorzaakt, moet men de heilige communie niet overslaan. 

7. Dikwijls immers is een te grote bezorgdheid een belemmering voor de godsvrucht en ook de angst voor het spreken van de biecht. 

8. Handel volgens de raad van wijze mensen en leg angst en scrupules af, want dit verhindert Gods genade en vernietigt de innerlijke godsvrucht. 

9. Laat om een of ander klein bezwaar of verwarring de heilige communie niet varen; maar ga spoedig biechten en vergeef anderen graag al hun beledigingen. 

10. Maar hebt gij zelf iemand beledigd, vraag dan nederig om vergeving, dan zal God u van harte genadig zijn. 

11. Wat baat het u zo lang te wachten met biechten of de heilige communie uit te stellen? 

12. Zuiver u zo snel mogelijk, spuw het venijn onmiddellijk uit, haast u het geneesmiddel in te nemen en gij zult u beter bevinden dan wanneer gij lang wacht. 

13. Als gij om deze reden nalatig zijt, is er morgen wellicht een nog belangrijker reden en zo zoudt gij lang van de communie weerhouden kunnen worden en er steeds minder toe in staat zijn. 

14. Zo spoedig mogelijk moet gij dit bezwaar en deze lusteloosheid van u afschudden. 

15. Het dient nergens toe lang gekweld te worden, lang met onrust rond te lopen en vanwege dagelijkse belemmeringen zich van het goddelijke te verwijderen. 

16. Het is zelfs in hoge mate schadelijk de heilige communie lang uit te stellen, want dat leidt gewoonlijk tot grote lauwheid. 

17. Helaas, sommigen die lauw zijn en nalatig nemen de kans hun biecht wat later te doen graag aan en stellen de heilige communie daarom graag uit om niet verplicht te zijn tot grotere waakzaamheid over zichzelf. 

18. Helaas, wat hebben zij weinig liefde en een zwakke godsvrucht die de heilige communie zo gemakkelijk uitstellen. 

19. Hoe gelukkig is hij en hoezeer God welgevallig die zo leeft en zijn geweten dermate rein houdt, dat hij gereed is zelfs dagelijks te communiceren en het zou verlangen te doen, als het hem geoorloofd was en het kon geschieden zonder op te vallen. 

20. Als iemand er zich somtijds van onthoudt uit nederigheid of omdat een goede reden het bezwaarlijk maakt, is hij te prijzen om zijn eerbied. 

21. Maar sluipt de lauwheid binnen, dan moet hij zichzelf aansporen en doen wat in zijn vermogen is; dan zal de Heer aan zijn verlangen voldoen om die goede wil, waarmee de Heer zeer bijzonder rekening houdt. 

22. Maar als iemand wettig verhinderd is, zal hij altijd de goede wil en de vrome bedoeling hebben te communiceren en zo zal hem de vrucht van het Sacrament niet ontgaan. 

23. Want iedere vrome gelovige kan op ieder uur van de dag in een geestelijke communie tot Christus naderen en dat zonder enige weerhouding. 

24. Maar op bepaalde dagen en tijden zal hij niet mogen nalaten het Lichaam van zijn Verlosser met liefdevolle eerbied in het Sacrament te ontvangen, en dat meer op grond van Gods eer en glorie dan om het zoeken van eigen troost. 

25. Want zo dikwijls hij geestelijk communiceert, wordt hij onzichtbaar verkwikt als hij het mysterie van Christus’ menswording en lijden vroom herdenkt en in liefde voor Hem ontvlamt. 

26. Wie zich anders niet voorbereidt dan bij het ophanden zijn van een feest of omdat de gewoonte ertoe aanzet, zal dikwijls geheel onvoorbereid zijn. 

27. Gelukkig degene die zich de Heer onvoorwaardelijk als offer opdraagt, zo dikwijls hij, celebreert of communiceert. 

28. Wees bij het opdragen van de mis niet te langzaam of haastig, maar houd u aan het goede gemeenschappelijk gebruik van degenen met wie gij leeft. 

29. Gij moet voor de anderen geen oorzaak van last of verveling zijn, maar de gewone weg bewandelen volgens de instelling van wie ons zijn voorgegaan, en liever het nut van anderen in het oog houden dan eigen devotie of verlangen. 

 

 

Hoofdstuk 11 

 

Het Lichaam van Christus en de heilige Schrift zijn voor de gelovige in hoge mate onmisbaar 

 

1. De gelovige: Goede Heer Jezus, hoe groot is de mildheid die de godvruchtige gelovige mag ervaren, als hij met U aan uw gastmaal aanzit; waar hem geen andere spijs tot nuttiging wordt aangeboden dan U, zijn enige Beminde; die voor hem boven alles wat hij kan verlangen aantrekkelijk zijt. 

2. Het zou mij een voldoening zijn in uw tegenwoordigheid uit diepe genegenheid tranen te storten en met de beminnende Magdalena uw voeten met tranen te bevochtigen. 

3. Maar waar vind ik een dergelijke vroomheid? Waar is die overvloedige vloed van heilige tranen? 

4. Zeker voor uw aanschijn en dat van uw heilige engelen zou heel mijn hart in vuur en vlam moeten staan en zou ik van vreugde moeten schreien. 

5. Want ik heb U hier bij mij tegenwoordig in het Sacrament, hoewel verborgen onder een andere gedaante. 

6. U in uw eigen goddelijke klaarheid te aanschouwen immers zouden mijn ogen niet kunnen verdragen; zelfs wie volstrekt rein was, zou niet bestand zijn tegen de glorievolle glans van uw majesteit. 

7. Hierin komt Gij dus mijn hulpeloosheid tegemoet, dat Gij U in dit Sacrament verbergt. 

8. Ik bezit hier waarlijk en aanbid Hem, die de engelen in de hemel aanbidden; maar ik voorlopig in geloof, zij van aangezicht tot aangezicht en zonder versluiering. 

9. Ik moet tevreden zijn met het licht van het ware geloof en daarin wandelen, totdat de dag van de eeuwige klaarheid aanbreekt en de schaduwen van de beelden wijken. 

10. Maar als eenmaal dat wat volmaakt is gekomen zal zijn, zal het gebruik van de sacramenten ophouden, omdat de zaligen in de hemelse glorie het sacramenteel geneesmiddel niet nodig hebben. 

11. Want zij verheugen zich zonder einde over de tegenwoordigheid van God, wiens schoonheid zij van aangezicht tot aangezicht aanschouwen; en steeds meer omgevormd in de afgrondelijke heerlijkheid van God, proeven zij het Woord Gods dat vlees geworden is, zoals het vanaf het begin was en in eeuwigheid blijft. 

12. Deze wonderen indachtig staat welke geestelijke vertroosting ook, mij tegen; want zolang ik mijn Heer niet openlijk in zijn glorie zie, acht ik alles niets wat ik in de wereld zie en hoor. 

13. Gij zijt mijn getuige, God, dat geen enkele zaak mij kan troosten, geen schepsel mij rust kan geven, alleen Gij, mijn God, die ik verlang voor eeuwig te aanschouwen. 

14. Maar dit is niet mogelijk zolang ik in deze sterfelijkheid verblijf. 

15. Daarom moet ik mij wel afstemmen op een groot geduld en mijzelf bij elk verlangen aan U onderwerpen. 

16. Want ook uw heiligen, Heer, die nu met U in het rijk der hemelen jubelen, hebben zolang zij leefden de komst van uw glorie met vertrouwen en groot geduld afgewacht. 

17. Wat zij geloofden geloof ook ik, waarop zij hoopten hoop ook ik, waar zij zijn aangekomen, vertrouw ik door uw genade ook te zullen komen. 

18. Intussen zal ik leven in geloof, versterkt door het voorbeeld van de heiligen. 

19. Ik zal ook de heilige boeken hebben tot troost en als spiegel van het leven; en boven dit alles uw allerheiligst Lichaam als bijzonder middel en toevlucht. 

20. Want twee dingen zijn naar mijn mening mij in dit leven hoogst nodig, zonder deze zou dit armzalig leven voor mij ondraaglijk zijn. 

21. In de gevangenschap van dit lichaam vastgehouden, beken ik aan twee dingen behoefte te hebben: aan voedsel namelijk en aan licht. 

22. Gij hebt mij, zwakkeling, uw heilig Lichaam gegeven tot herstel van ziel en lichaam en een lamp voor mijn voeten gesteld, uw woord (Ps. -119 : 105). 

23. Zonder deze twee zou ik niet goed kunnen leven; want Gods woord is licht voor mijn ziel en uw Sacrament brood voor het leven. 

24. Deze kunnen ook uw twee tafels worden genoemd:’ aan weerszijden geplaatst in de schatkamer van uw Kerk. 

25. De ene tafel is die van uw heilig altaar dat het heilig brood bevat, dat is het kostbaar Lichaam van Christus. 

26. De andere is die van de goddelijke wet waarin uw heilige leer is vervat, die het ware geloof leert en ontwijfelbaar binnenleidt in het binnenste, achter het voorhangsel waar zich het Heilige der Heiligen bevindt. 

27. U zij dank, Heer Jezus, Licht van het eeuwige Licht, voor de tafel van uw heilige leer die Gij ons door uw dienaren de profeten en apostelen, en andere leraren hebt voorgehouden. 

28. Dank zij U, Schepper en Verlosser van de mensen, die om aan heel de wereld uw liefde te bewijzen een groot maal hebt aangericht, waarin Gij niet het voorafbeeldende Lam, maar uw allerheiligst Lichaam en Bloed ter nuttiging hebt aangeboden: 

29. Aldus alle gelovigen verblijdend met een heilig gastmaal en lavend met een heilbrengende kelk, waarin al de vreugden van het paradijs aanwezig zijn en waarbij met ons de heilige engelen maaltijd houden in nog groter geluk. 

30. Hoe groot en eervol is de bediening van de priesters, aan wie gegeven werd de Heer van de majesteit met heilige woorden te consacreren, met de lippen te zegenen, in de handen te houden, met eigen mond te nuttigen en aan anderen toe te dienen. 

31. Hoe rein moeten de handen zijn, hoe zuiver de mond, hoe heilig het lichaam, hoe onbevlekt het hart van de priester, bij wie zo dikwijls de Bewerker van de reinheid binnentreedt. 

32. Uit de mond van een priester mogen alleen heilige, waardige en nuttige woorden voortkomen, uit de mond die zo dikwijls het Sacrament van Christus ontvangt. 

33. Zijn ogen die gewoon zijn Christus’ Lichaam te aanschouwen, moeten eenvoudig zijn en kuis. 

34. Zijn handen die gewoon zijn de Schepper van hemel en aarde aan te raken, zuiver en ten hemel geheven. 

35. Tot de priesters in het bijzonder wordt in de wet gezegd: ‘Weest heilig, omdat Ik heilig ben, de Heer, uw God’ (Lev. 19 : 2). 

36. Uw genade helpe ons, almachtige God, opdat wij die de priesterlijke bediening hebben ontvangen, U waardig en godvruchtig in alle reinheid en met een goed geweten mogen dienen. 

37. En kunnen wij niet in zulke onschuld van leven blijven als wij behoren te doen, verleen ons dan het kwaad dat wij hebben gedaan oprecht te betreuren, en in de geest van nederigheid; en met een vast besloten goede wil U voortaan vuriger te dienen. 

 

 

Hoofdstuk 12 

 

Wie gaat communiceren behoort zich met grote ijver op Christus’ komst voor te bereiden 

 

1. De Heer: Ik ben de Minnaar van zuiverheid en de Gever van alle heiligheid. 

2. Ik zoek een zuiver hart en daar is de plaats van mijn rust. 

3. Maak voor Mij de grote, open zaal gereed (Mc. 14 : 15); dan zal Ik met mijn leerlingen paasfeest bij u vieren. 

4. Als gij wilt dat Ik tot u kom en bij u blijf, doe dan de oude zuurdesem weg en zuiver de woonplaats van uw hart. 

5. Sluit heel de wereld buiten en heel het tumult van gebreken; zit als een eenzame mus op het dak (Ps. 102 : 8) en denk aan uw overtredingen in de bitterheid van uw gemoed. 

6. Iedere geliefde immers brengt voor haar minnaar de beste en mooiste plaats in gereedheid, want daaraan wordt de genegenheid erkend van wie de beminde ontvangt. 

7. Weet echter wel dat gij met de verdienste van uw eigen daden voor deze voorbereiding niet kunt volstaan, al zoudt gij u zelfs gedurende een heel jaar voorbereiden en niets anders in de geest hebben. 

8. Maar uit louter liefde, op grond van mijn genade wordt u toegestaan tot mijn tafel te naderen, alsof een bedelaar aan de maaltijd van een rijke werd genodigd en deze niets anders zou hebben om op die weldaad te antwoorden dan zich te vernederen en hem dank te zeggen. 

9. Doe wat in uw vermogen is en doe het met ijver; niet uit gewoonte, niet omdat het moet, maar neem het Lichaam van de geliefde Heer uw God tot u met eerbiedige vrees en met liefde, nu Hij zich gewaardigt tot u te komen. 

10. Ik ben het die heb geroepen; Ik heb bevolen dat dit zou gebeuren; Ik zal aanvullen wat u ontbreekt, kom en ontvang Mij. 

11. Als Ik de genade van godsvrucht geef, zeg dan uw God daarvoor dank, niet omdat gij waardig zijt, maar omdat Ik mij over u ontfermd heb. 

12. Als gij niets hebt, maar u eerder dor voelt, blijf dan met aandrang bidden, zucht en klop; houd niet op totdat gij verkrijgt een kruimel of druppel van heilzame genade op te vangen. 

13. Gij hebt Mij nodig; Ik heb u niet nodig. 

14. En gij komt niet Mij heiligen, maar Ik kom u heiligen en beter maken. 

15. Gij komt om door Mij geheiligd en met Mij verenigd te worden, om nieuwe genaden te ontvangen en opnieuw tot levensverbetering te worden aangevuurd. 

16. Wil deze genade niet verwaarlozen, maar bereid met alle ijver uw hart voor en voer uw Beminde bij u binnen. 

17. Gij behoort u echter niet alleen tot godsvrucht voor te bereiden voor de Communie, maar u ook zorgvuldig in die godsvrucht te bewaren na het ontvangen van het Sacrament. 

18. Niet minder behoedzaamheid daarna wordt vereist dan godvruchtige voorbereiding tevoren. 

19. Want een goede zorg daarna is weer de beste voorbereiding om groter genade te ontvangen. 

20. Zeer slecht voorbereid is iemand hierdoor dat hij terstond, al te onbeteugeld uitwendige voldoening zoekt. 

21. Wacht u voor het veel spreken, blijf in de eenzaamheid en geniet van de goddelijke aanwezigheid. 

22. Want nu heb gij Hem die heel de wereld u niet ontnemen kan. 

23. Ik ben het aan wie gij u geheel moet wegschenken, zodat gij voortaan niet meer in uzelf, maar in Mij zonder enige bezorgdheid blijft leven. 

 


Hoofdstuk 14 

 

Het vurig verlangen van sommige gelovigen naar het Lichaam van Christus 

 

1. ‘O hoe groot is de zoetheid Heer die Gij bewaard hebt voor wie U vrezen’ (Ps. 31 : 20). 

2. Als ik denk aan sommige gelovigen die tot uw Sacrament met de grootste godsvrucht en liefde naderen. 

3. Dan ben ik in mijn binnenste verward en beschaamd, dat ik zo lauw en koud nader tot uw altaar en de tafel van de heilige communie. 

4. Dat ik zo dor en zonder gevoeligheid van hart blijf, dat ik voor U, mijn God, niet totaal ontvlamd ben; 

5. En niet zo hevig aangetrokken en ontroerd als vele gelovigen geweest zijn, die uit vurig verlangen naar de communie en voelbare liefde in hun hart hun tranen niet konden bedwingen. 

6. Met de mond, zowel met het hart als met het lichaam, gaven zij hun hevig verlangen te kennen naar U, God, de levende Bron. Zij wisten niet op welke wijze zij anders hun honger moesten matigen of stillen, als zij niet uw Lichaam met alle geestelijke blijdschap en vurige begeerte hadden ontvangen. 

7. O waar en vurig geloof, dat zelf een aannemelijk bewijs wordt van uw heilige tegenwoordigheid. 

8. Zij immers erkennen in waarheid hun Heer bij het breken van het brood (Lc. 24 : 35), van wie het hart zo vurig in hen brandt als Jezus met hen meegaat. 

9. Van die liefde en godsvrucht, van die hevige liefde en vurigheid ben ik ver verwijderd. 

10. Goede, milde, welwillende Jezus, wees mij genadig en geef uw arme bedelaar om tenminste van tijd tot tijd iets van een innige, hartelijke liefde bij de heilige communie te mogen voelen. 

11. Dat daardoor mijn geloof krachtiger wordt, mijn hoop op uw goedheid mag toenemen en de liefde eenmaal volkomen ontbrand bij het ontvangen van het hemels manna, mij nooit meer ontbreekt. 

12. Want uw barmhartigheid is in staat mij ook de gevraagde gunst te verlenen en als de dag van uw welbehagen is gekomen, mij uiterst genadig met de geest van vurigheid te bezoeken. 

13. Want al brand ik niet van zulk een grote begeerte als zo velen die U bijzonder zijn toegewijd, toch heb ik dank zij uw goedheid reeds het verlangen naar dat vurig ontvlamd verlangen. 

Ik bid en hoop deel te mogen uitmaken van al die vurige minnaars en gerekend te mogen worden onder hun getal. 

 


Hoofdstuk 15 

 

De gave van godsvrucht wordt door nederigheid en de verloochening van het eigen ik verkregen 

 

1. De Heer: Men moet de gave van godsvrucht met ijver zoeken, er met verlangen om bidden, geduldig en vertrouwvol verwachten; ze dankbaar aannemen, nederig bewaren, ijverig daarmee werken en dan God het einde en de wijze van zijn verheven bezoeking overlaten totdat Hij komt. 

2. Gij behoort u vooral te vernederen, als gij innerlijk weinig of geen godsvrucht voelt, maar niet te zeer ontmoedigd te zijn of u er onmatig over te bedroeven. 

3. God geeft dikwijls in een kort ogenblik wat Hij gedurende lange tijd heeft geweigerd; Hij geeft soms op het einde wat Hij in het begin van het gebed uitstelde te geven. 

4. Als de genade steeds snel zou worden gegeven en naar wens aanwezig was, zou dit voor een zwak mens moeilijk zijn te dragen. 

5. Daarom moet men de gave van godsvrucht in goed vertrouwen en met nederig geduld afwachten. Wijt het echter aan uzelf en aan uw zonden, als gij ze niet ontvangt of als zij u op geheime wijze wordt ontnomen. 

6. Soms is het een nietigheid die de genade tegenhoudt of verbergt, als men tenminste over een nietigheid spreken kan en niet eerder over een gewichtige zaak die een zo groot goed tegenhoudt. 

7. En als gij dit nietige of gewichtige beletsel zult hebben weggenomen en volmaakt overwonnen, dan zal gebeuren wat gij verlangd hebt. 

8. Want onmiddellijk nadat gij u geheel aan God zult hebben overgegeven en niet dit of dat volgens uw keus of welbehagen hebt gezocht, maar u onvoorwaardelijk aan Hem hebt gegeven, zult gij de eenheid en de vrede vinden. Want niets zal u zoveel voldoening brengen en aangenaam zijn als het welbehagen van de goddelijke wil. 

9. Wie dus zijn bedoeling eenvoudig naar boven, op God heeft gericht en zich van iedere ongeregelde liefde of tegenzin voor een of ander schepsel heeft vrijgemaakt, zal zeer geschikt zijn om de genade te ontvangen en de gave der godsvrucht waardig zijn. 

10. Want de Heer geeft daar zijn zegen waar Hij lege vaten vindt. 

11. En hoe volkomener iemand aan het lagere verzaakt en meer aan zichzelf sterft door zelfverachting, des te sneller komt de genade, des te overvloediger treedt zij binnen, des te hoger verheft zij het hart dat vrij is. 

12. Dan zal hij zien en overvloed hebben, ‘en zich verwonderen en zijn hart zal verruimd worden’ (Jes. 60 : 5) in hem; want de hand des Heren is met hem en zelf heeft hij zich volstrekt in zijn handen overgegeven tot in eeuwigheid. 

13. Zie, zo zal de mens worden gezegend (Ps.127 : 4) die God zoekt met heel zijn hart en die zijn ziel niet tevergeefs ontvangt. 

14. Hier bij het ontvangen van de heilige Eucharistie verkrijgt hij de grote gunst van de goddelijke vereniging; want hij heeft geen aandacht voor eigen godsvrucht en vertroosting, maar boven alle godsvrucht en vertroosting staat voor hem Gods eer en glorie. 

 

 

Hoofdstuk 16 

 

Wij moeten onze noden aan Christus openbaren en zijn genade afsmeken 

 

1. De gelovige: Zeer goede en beminnelijke Heer, die ik nu godvruchtig wens te ontvangen, Gij kent mijn zwakheid en de nood die ik lijd; Gij weet in hoeveel kwaad en gebreken ik neerlig; hoe dikwijls ik mij bezwaard voel, bekoord, verward en verontreinigd. 

2. U bent voor mij als medicijn, als vertroosting en verkwikking roep ik U aan. 

3. Ik spreek tot Degene die alles weet, aan wie mijn hele innerlijk bekend is; Gij alleen kunt de volmaakte vertroosting geven en mij helpen. 

4. Gij weet wat ik voor alles nodig heb, hoe arm ik ben aan deugd. 

5. Zie, ik sta voor U, arm ontdaan van alles; ik bid om uw genade, ik smeek om uw barmhartigheid. 

6. Verkwik uw arme, hongerige bedelaar, verwarm mijn koudheid met het vuur van uw liefde; verlicht mijn blindheid met de helderheid van uw tegenwoordigheid. 

7. Laat voor mij al het aardse maar bitter worden; alle zwarigheid en tegenslag mij leiden tot geduld; al het lagere en geschapene geringe achting en vergetelheid bewerken. 

8. Richt mijn hart naar U omhoog in de hemel en laat mij niet dwalend over de aarde gaan. 

9. Wees Gij van nu af aan mijn voldoening tot in alle eeuwen, want Gij alleen zijt mijn spijs en drank, mijn liefde en mijn vreugde, mijn zaligheid en heel mijn rijkdom. 

10. Wil mij toch door uw tegenwoordigheid geheel in gloed zetten, mij doen branden en in U omvormen, zodat ik één geest met U word door de genade van de innerlijke eenheid en door het vloeibaar worden als gevolg van een vurige liefde. 

11. Duld niet dat ik hongerig en dor van U wegga, maar handel met mij op een barmhartige wijze, zoals Gij dikwijls wonderbaar met uw heiligen gehandeld hebt. 

12. Is het zo verwonderlijk dat ik door U totaal in vuur raak en mijzelf verlies? Gij zijt toch een altijd brandend vuur en Gij schiet nooit te kort, Gij zijt de liefde die de harten zuivert en het verstand verlicht. 

 


Hoofdstuk 17 

 

De vurige liefde en het brandend verlangen Christus in zich te mogen opnemen 

 

1. De gelovige: Met de grootste godsvrucht en met brandende liefde, met heel de liefde van mijn hart verlang ik vurig U, Heer, te ontvangen, zoals vele heiligen en godvruchtige personen bij de communie naar U hebben verlangd. 

Zij hebben in hoge mate U behaagd door de heiligheid van hun leven en hadden ervaring van de grootste godsvrucht. 

2. Mijn God, eeuwige liefde, heel mijn bezit, eindeloos geluk, ik verlang U te ontvangen met de hevigste begeerte en de allerwaardigste eerbied die ooit iemand van de heiligen heeft gekend of kunnen beleven. 

3. En al ben ik onwaardig al die gevoelens van godsvrucht te hebben, toch bied ik U de hele liefde van mijn hart, alsof ik al die zeer prijzenswaardige ontvlamde begeerten alleen bezat. 

4. Maar ook alles wat een liefdevolle geest kan uitdenken en verlangen, dat alles bied ik U met de grootste eerbied aan en offer het U op met innige vurigheid. 

5. Ik wens niets voor mijzelf te behouden, maar mijzelf en al het mijne U vrijwillig en met heel mijn hart ten offer te brengen. 

6. Heer mijn God, mijn Schepper en Verlosser, met zulke liefde, eerbied, lof en eer, met zulk een dankbaarheid, waardigheid en liefde, met zulk een geloof, hoop en zuiverheid wens ik U nu te ontvangen. 

7. Als U voor het eerst de glorievolle Maagd Maria ontvangen heeft, toen zij de engel die haar de boodschap bracht van het geheim der menswording, nederig en vroom het antwoord gaf: ‘Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord’ (Lc. 1 : 38). 

8. En zoals uw zalige Voorloper, de grootste van de heiligen, Johannes de Doper, om uw tegenwoordigheid blij opsprong in de vreugde van de heilige Geest, terwijl hij nog in de schoot van zijn moeder was opgesloten. 

9. En later toen hij U zag wandelen onder de mensen en zich diep vernederend met eerbiedige liefde sprak: ‘De vriend van de bruidegom die daar staat en naar hem luistert is van vreugde vervuld om de stem van de bruidegom’ (Joh. 3 : 29). 

10.Zo wens ook ik van grote en heilige verlangens ontvlamd te worden en mij met heel mijn hart aan U aan te bieden. 

11. Daarom bied ik U aan en leg ik voor U neer al de jubel, de vurige liefde, de geestelijke verrukkingen met de bovennatuurlijke verlichtingen en hemelse visioenen van al de U toegewijde harten met alle deugden en met al de lofprijzingen van alle schepselen in de hemel en op aarde gebracht en nog te brengen, voor mij en al degenen die mij in het gebed zijn aanbevolen, opdat Gij door allen waardig moogt worden geprezen en in eeuwigheid verheerlijkt. 

12. Aanvaard mijn wensen, Heer mijn God, en mijn verlangens naar uw oneindige lofprijzing en ongemeten verheerlijking, die U volgens de veelheid van uw onuitsprekelijke grootheid terecht verschuldigd zijn. 

13. Dit geef ik U terug en verlang ik U terug te geven iedere dag en op alle ogenblikken van de tijd, en om met mij U te loven en dank te zeggen nodig ik alle hemelse koren en al uw gelovigen uit en smeek hen met liefdevol gebed. 

14. Mogen alle volken en stammen en talen U loven en uw heilige zoetvloeiende naam met de grootste blijdschap en vurige godsvrucht verheerlijken. 

15. En mogen allen die met eerbied en godsvrucht uw allerverhevenst Sacrament vieren en met groot geloof ontvangen, waardig bevonden worden genade en barmhartigheid bij U te vinden en mogen zij voor mij zondaar dringend smeken. 

16. En als zij dan begenadigd met de verlangde godsvrucht en de verzadigende vereniging, zeer vertroost en wonderbaar verkwikt van de heilige hemelse tafel zijn teruggekeerd, mogen zij dan mij arme indachtig willen zijn. 

 

 

Hoofdstuk 18 

 

Een mens moet niet nieuwsgierig dit Sacrament doorvorsen, maar als nederig navolger van Christus zijn verstand onderwerpen aan het heilig geloof 

 

1. De Heer: Gij moet u van een nieuwsgierig en onnuttig onderzoek van dit allerdiepst Sacrament onthouden, als gij niet in de diepte van de twijfel wilt ondergaan. 

2. Wie doorvorser is van de Majesteit, zal door haar glorie worden verpletterd (Spr. 25 : 5). 

3. God kan meer tot stand brengen dan een mens kan begrijpen. 

4. Een nederig en godvruchtig onderzoek is toelaatbaar, als men altijd bereid blijft onderricht te worden en erop gesteld is de gezonde meningen van de vaders te volgen. 

5. Gelukkig de eenvoud die de moeilijke paden van de problemen verlaat en langs de open en vaste weg van Gods geboden voortgaat. 

6. Velen hebben de godsvrucht verloren, terwijl zij al te diepe vraagstukken wilden doorgronden. 

7. Geloof wordt van u gevraagd en een ernstig leven; niet een groot verstand en ook niet de kennis van Gods diepe geheimen. 

8. Als gij iets niet inziet en niet begrijpt wat beneden u staat, hoe wilt gij dan verstaan wat boven u verheven is? 

9. Onderwerp u aan God en verneder uw verstand voor het geloof; dan zal u het licht van de wetenschap gegeven worden in de mate waarin dat voor u noodzakelijk en nuttig is. 

10. Sommigen worden zwaar bekoord omtrent het geloof en het Sacrament; dat is dan niet aan henzelf te wijten maar eerder aan de vijand. 

11. Gij moet niet bezorgd zijn, ga geen discussies aan met uw gedachten; geef ook geen antwoord op de twijfels die de duivel u ingeeft. 

12. Maar geloof Gods woord, geloof de heiligen en de profeten, en de boze vijand zal van u wegvluchten. 

13. Dikwijls strekt het tot groot voordeel, als een dienaar van God zo iets moet doorstaan. 

14. Ongelovigen en zondaars bekoort hij niet, die zijn al zijn veilig bezit; maar de vrome gelovigen stelt hij op allerlei wijzen met verwarringen op de proef. 

15. Ga dus door in eenvoudig en niet-twijfelend geloof en nader tot het Sacrament met nederige eerbied. 

16. Wat gij er niet van kunt begrijpen laat dat rustig over aan Gods almacht. 

17. God bedriegt u niet; bedrogen wordt wie te veel op zichzelf vertrouwt. 

18. God gaat om met de eenvoudigen, Hij openbaart zich aan de nederigen, Hij geeft inzicht aan de kleinen, Hij opent het verstand voor de zuivere geesten en verbergt de genade voor hen die nieuwsgierig zijn en trots. 

19. Alle menselijke verstand is zwak en kan zich vergissen; het ware geloof echter kan zich niet vergissen. 

20. Ieder verstand en de natuurlijke onderzoeking behoort het geloof te volgen, maar niet daaraan vooraf te gaan of het geweld aan te doen. 

21. Want het geloof en de liefde hebben daar in hoge mate voorrang en op mysterieuze wijzen werken zij in dit allerheiligst en hoogst verheven Sacrament. 

22. De eeuwige ‘en onmetelijke God die over oneindige macht beschikt, brengt grote en onnaspeurbare dingen tot stand in de hemel en op aarde, en een peilen van zijn wonderbare werken is niet mogelijk. 

23. Als Gods werken zo waren dat zij gemakkelijk door het menselijk verstand konden worden begrepen, zouden zij niet wonderbaar zijn en waren wij niet verplicht te zeggen dat zij onuitsprekelijk zijn. 

 

 

Met dank aan: http://www.heiligeteksten.nl

 

Prof. Dr. Benno A. Zuiddam