De Navolging van Christus
Thomas à Kempis
Boek 1: Vermaningen dienstig tot het geestelijk leven
Boek 2: Opwekkingen tot het inwendig leven
Boek 3: Over de
inwendige troost
Boek 4:Over het
Heilig Avondmaal
Boek I
Inhoud
1. Over de
navolging van Christus en de versmading van alle ijdelheden der
wereld
2. Over de
ootmoedige zelfachting
3. Over de leer
der waarheid
4. Over de
voorzichtigheid in het handelen
5. Over het
lezen der Heilige Schriftuur
6. Over de
ongeregelde begeerten
7. Over het
vluchten der ijdele hoop en der verwaandheid
8. Over het
vermijden van al te grote gemeenzaamheid
9. Over
gehoorzaamheid en onderwerping
10. Over het
vluchten van overtollige woorden
11. Over het
verwerven van de vrede, en de ijver om vooruitgang te doen
12. Hoe
voordelig de tegenspoed is
13. Over het
weerstaan aan de bekoringen
14. Over het
vermijden van lichtvaardig oordeel
15. Over de
werken uit liefde verricht
16. Over het
verdragen van elkanders gebreken
17. Over het
kloosterleven
18. Over de
voorbeelden der Heilige Vaders
19. Over de
oefening van een goed kloosterling
20. Over de
genegenheid tot eenzaamheid en stilzwijgen
21. Over de
rouwmoedigheid des harten
22. Over de
beschouwing van ‘s mensen ellende
23. Over het
overwegen van de dood
24. Over het
oordeel en de zondestraffen
25. Over de
ijverige verbetering van ons leven
Hoofdstuk 1
Over de navolging van Christus en de versmading van alle
ijdelheden der wereld
1. Wie Mij volgt, zegt de Heer, wandelt niet in de duisternis (1). Dit zijn woorden van Jezus
Christus, waardoor Hij ons aanspoort, Hem in zijn leven en deugden na te volgen, indien wij waarlijk
verlicht willen zijn, en verlost van alle blindheid des harten. Dat dus onze voornaamste zorg zij, het leven
van Jezus Christus te overwegen.
2. De leer van Christus gaat alle leringen van Heiligen te boven; en wie zijn geest bezat, zou daarin het verborgen manna vinden. Maar het gebeurt dat
velen, die het Evangelie dikwijls horen, weinig zielsverlangen ondervinden omdat zij de geest van Christus
niet bezitten. Wilt gij de woorden van Christus ten volle verstaan en er smaak in vinden, dan moet gij
geheel uw leven aan het zijne trachten gelijkvormig te maken.
3. Wat zal het u baten dat gij over de Drievuldigheid diepzinnig kunt redetwisten, indien u
de ootmoedigheid ontbreekt, en gij aldus aan de Drievuldigheid mishaagt? Voorwaar, diepzinnige woorden maken
de mens niet heilig en rechtvaardig; maar een deugdzaam leven maakt hem
aan God behaaglijk. Ik heb liever vermorzeling van het hart te gevoelen, dan er de bepaling van de kennen.
Al kent gij geheel de Schriftuur van buiten, en al kent gij de spreuken der wijsgeren, wat zou u dit alles
baten, zonder de liefde van God en zijn genade? IJdelheid der ijdelheden, en alles is ijdelheid (2), behalve
God te beminnen, en Hem alleen te dienen. Door de verachting der wereld naar het rijk der hemelen streven,
daarin bestaat de verhevenste wijsheid.
4. Het is dus ijdelheid, vergankelijke rijkdommen te zoeken, en zijn hoop daarin te stellen.
Het is ook ijdelheid, ereambten na te jagen, en tot een hoge staat zich te verheffen, Het is ijdelheid, de
lusten van het vlees in te volgen, en dit te verlangen, waarvoor men naderhand streng zal moeten gestraft
worden. Het is ijdelheid een lang leven te wensen, en weinig bezorgd te zijn om wèl te leven. Het is
ijdelheid, slechts te denken op het tegenwoordig leven, en niet te voorzien wat nog volgen moet. Het is
ijdelheid, te beminnen, wat zo haastig voorbijgaat, en niet daarheen te snellen waar een eeuwige blijdschap
woont.
5. Maak u dikwijls deze spreuk indachtig: Het oog wordt
niet verzadigd van wat het ziet, en het oor niet bevredigd van wat het hoort (3). Arbeid dan om uw hart los
te rukken van de liefde der zichtbare dingen, en u tot de onzichtbare te keren; want die hun zinnelijkheid volgen, besmetten hun geweten, en verliezen de genade van
God.
1) Joann. 8: 12
2) Eccl. 1: 2
3) Eccl. 1: 8
Hoofdstuk 2
Over de ootmoedige
zelfachting
1. Elk mens is van nature begerig naar kennis, doch waartoe dient de wetenschap zonder de
vrees Gods? Waarlijk een nederig landman, die God dient, is beter dan de trotse wijsgeer, die zichzelf
verwaarloost, en de loop der sterren nagaat. Wie wèl zichzelf kent, wordt gering in zijn eigen ogen, en
verheugt zich niet over de lof der mensen. Al wist ik alles wat in de wereld is, en ik de liefde niet bezat,
wat zou het mij baten voor God, die mij volgens mijn werken zal
oordelen?
2. Laat af van overmatige zucht naar wetenschap: want
daarin wordt grote verstrooiing en veel bedrog gevonden. Die iets weten, willen gaarne de aandacht trekken
en de naam van wijzen dragen. Daar zijn vele dingen, welker kennis aan de ziel weinig of geen voordeel
bijbrengt. En hij is zeer dwaas, die zich met iets anders bekommert, dan met wat hem ter zaligheid dienstig
is. Vele woorden verzadigen de ziel niet: maar een goed leven verfrist
de geest, en een zuiver geweten geeft een groot betrouwen op God.
3. Hoe meer gij weet en hoe beter, zo veel te strenger zult gij geoordeeld worden, tenzij gij
heiliger leeft. Wil u dus niet verheffen op enige kunst of wetenschap, maar vrees eerder om de kennis, die u
gegeven is. Dunkt het u dat gij te veel weet en tamelijk wel verstaat, wees evenwel verzekerd dat er nog
veel meer is, wat gij niet weet. Heb geen hoge dunk over uzelf (1); maar erken liever uw onwetendheid. Wat wilt gij u boven een ander stellen, aangezien er
velen gevonden worden, die geleerder zijn dan gij, en beter in de wet onderwezen? Indien gij iets met nut
wilt weten en leren, wees dan gaarne onbekend, en voor niets geacht.
4. Deze is de verhevenste en nuttigste wetenschap: zich
wèl kennen en klein achten. Van zichzelf niet houden, en van de anderen altijd een goede en een hoge dunk
hebben, dat is grote wijsheid en hoge volmaaktheid. Ware het dat gij een ander openlijk zaagt zondigen, of
enige grove misslagen begaan, toch zoudt gij u niet voor beter moeten aanzien, want gij weet niet hoe lang
gij in een goede staat kunt volharden. Wij zijn allen zwak; maar houd
niemand voor kranker dan uzelf.
1) Rom. 11: 20
Hoofdstuk
3
Over de leer der
waarheid
1. Zalig hij, die de waarheid zelf onderricht, niet door beelden en voorbijgaande woorden,
maar zoals zij waarlijk is. Ons goeddunken en onze zin bedriegen ons dikwijls en ontdekken weinig. Wat baat
een grote redetwist over geheime en duistere dingen, waarvoor men ons in het oordeel niet verwijten zal, al
hebben wij ze niet geweten? Het is grote dwaasheid dat wij nuttige en noodzakelijke dingen verwaarlozen, en
ons met zeldzame en schadelijke bezig houden. Wij hebben ogen en zien niet
(1).
2. Wat moeten wij ons bekommeren met kennis van geslachten en soorten? Hij, tot wien het
eeuwige Woord spreekt, is van vele opvattingen bevrijd. Uit dat eeuwig Woord komt alles, en alles spreekt
van het Woord: en dat is het begin (God zelf) dat tot ons spreekt (2).
Niemand begrijpt zonder Hem, noch oordeelt juist. Hij, voor wien één zaak alles is, die tot één zaak alles
terugbrengt, en daarin alles ziet, hij kan standvastig van hart zijn, en gerust in de Heer volharden. O
waarheid, die God zijt, maak mij één met U in (één) eeuwige liefde! Het verdriet mij menigmaal, veel te
lezen en te horen: in U is alles wat ik wil en verlang. Dat alle
leraars zwijgen, alle schepselen voor uw aanschijn hun stem weerhouden: spreek Gij alleen tot mij.
3. Hoe meer iemand ingetogen is, en van al het tijdelijke onthecht, des te meer en verhevener
zaken hij zonder moeite begrijpen zal, omdat hij van boven de genade van verstand ontvangt. Een zuivere
eenvoudige en standvastige ziel is temidden van drukke bezigheden niet verstrooid, omdat zij alles ter
liefde Gods doet, en altoos tracht alle eigengenot te vluchten. Wat gaat er u meer tegen en valt lastiger,
dan de onverstorven genegenheden van uw hart? Een goed en godvruchtig mens overlegt eerst inwendig de
werken, die hij uitwendig moet doen. En deze trekken hem niet tot de lusten der ongeregelde
genegenheid; maar hij wendt ze naar het voorschrift der gezonde rede.
Wie heeft een grotere strijd, dan die tracht zichzelf te overwinnen? En dit zou toch onze voornaamste
bezigheid moeten zijn, te weten: onszelf overwinnen, dagelijks zich
meer meester worden en vooruitgaan in het goed.
4. Alle volmaaktheid in dit leven gaat met enige onvolmaaktheid gepaard, en onze kundigheden
zijn niet van alle duisterheid bevrijd. De ootmoedige kennis van uzelf is een zekerder weg tot God, dan de
diepe navorsing der wetenschap. Niet dat de wetenschap of de eenvoudigste zakenkennis misprezen moet
worden: zij is, in haarzelf beschouwd, goed, en door God
verordend; maar een goed geweten en een deugdzaam leven verdienen toch
altijd meerder achting. Maar omdat er velen meer verlangen naar kennis dan om wèl te leven, daarom dolen zij
dikwijls, en brengen weinig of bijna geen vruchten voort.
5. Och, indien zij zovel ijver besteedden om hun gebreken uit te roeien en deugden te
bekomen, als om vraagstukken op te lossen, er zou zoveel kwaad en zoveel ergernis onder ‘t volk niet zijn,
noch zoveel verslapping in de kloosters. Voorwaar, op de dag van het oordeel zal men ons niet vragen wat wij
gelezen, maar wat wij gedaan hebben; noch hoe fraai wij gesproken, maar
hoe godsdienstig wij geleefd hebben. Zeg mij, waar zijn nu al die leraars en die meesters, die gij wel
gekend hebt, toen zij nog leefden, en door hun geleerdheid hooggevierd waren? Anderen bezitten nu hun
ambten, en wie weet of zij aan hen nog denken. In hun leven schenen zij iets te zijn, en nu zwijgt men over
hen.
6. O, hoe snel gaat de roem der wereld voorbij! Och, had hun leven overeengekomen met hun
wetenschap, dan zouden zij met vrucht gestudeerd en onderwezen hebben. Hoevelen gaan er in de wereld niet
verloren, omdat zij, door hun ijdele wetenschap, weinig bekommerd zijn om God te dienen! En omdat zij eerder
verkiezen groot te zijn dan ootmoedig, daarom worden zij ijdel in hun gedachten (3). Hij is waarlijk groot,
die een grote liefde heeft. Hij is waarlijk groot, die zichzelf kleinacht, en die het toppunt van eer voor
niets aanrekent. Hij is waarlijk wijs, die alle aardse dingen als vuilnis acht, om Christus te gewinnen (4).
En hij is waarlijk wel geleerd, die de wil van God volbrengt en zijn eigen wil
verlaat.
1) Jeruzalem. 5: 1
2) Joh. 8: 25
3) Rom. 1: 21
4) Philipp. 3: 8
Hoofdstuk
4
Over de voorzichtigheid in het
handelen
1. Men moet geen geloof hechten aan alle woord, noch aan ieder aandrift, maar de zaken
overwegen met voorzichtigheid en met aandacht volgens God. Helaas! Menigmaal gelooft en zegt men
gemakkelijker kwaad van een ander dan goed: zo groot is onze zwakheid.
Maar volmaakte mensen geloven niet lichtvaardig iedereen die hun iets verhaalt, want zij erkennen de
zwakheid van de mens, die tot het kwaad overhelt en in zijn woorden dikwijls
struikelt.
2. Het is grote dwaasheid niet te werk te gaan met overhaasting, en niet hardnekkig te
blijven in zijn eigen gevoelens. Het behoort mede tot de wijsheid, geen geloof te geven aan alle
mensenpraat; en niet aanstonds aan anderen mede te delen, wat men
gehoord of geloofd heeft. Vraag raad aan een wijze en godvrezende man; en laat u liever geleiden door iemand die beter is, dan uw eigen goeddunken te
volgen.
Een heilig leven maakt de mens wijs
volgens God, en in vele dingen ervaren. Hoe meer iemand in zichzelf ootmoedig en aan God onderdanig is,
zoveel te verstandiger en geruster zal hij zijn in alles.
Hoofdstuk
5
Over het lezen der Heilige
Schriftuur
1. Men moet in de H. Schriftuur de waarheid zoeken en geen welsprekendheid. De boeken van de
H. Schrift moeten gelezen worden met dezelfde geest waarin zij geschreven zijn. Wij moeten in de H.
Schriftuur eerder het nut zoeken dan de verhevenheid van taal. Wij moeten zo gaarne godvruchtige en
eenvoudige boeken lezen als verheven en diepzinnige schriften. Laat u niet gelegen aan de vermaardheid van
de schrijver; bekommer u niet of hij luttel of veel letterkennis
heeft; maar dat de liefde der zuivere waarheid u tot het lezen opwekke.
Onderzoek niet wie dit gezegd heeft, maar let er op wat er gezegd
wordt.
2. De mensen gaan voorbij, maar de waarheid Gods blijft in eeuwigheid (1). God spreekt tot ons op verschillende wijzen zonder onderscheid van personen. Onze
nieuwsgierigheid belemmert ons dikwijls bij het lezen der H. Schriftuur, wanneer wij willen verstaan en
doorgronden, waar wij eenvoudig moesten voortgaan. Wilt gij vrucht trekken uit de lezing, lees met ootmoed,
eenvoud en goede trouw: en tracht nooit naar de naam van geleerde.
Ondervraag gaarne, en luister in stilte naar de woorden der heiligen; toon geen mishagen in de spreuken der ouderlingen; want zij worden niet zonder reden aangehaald.
1) Psalm 61: 2
Hoofdstuk
6
Over de ongeregelde
begeerten
1. Telkens de mens iets begeert op een ongeregelde wijze, wordt terstond zijn inwendige rust
gestoord.
De hovaardige en de vrek hebben nooit
rust. De arme en ootmoedige van geest leeft in overvloed van vrede. De mens, die nog niet gans aan
zichzelf verstorven is, wordt licht bekoord, en overwonnen in kleine en
geringe zaken. Hij, wiens geest nog krank is, en nog enigszins een vleselijk mens is die naar het zinnelijke
overhelt, heeft grote moeite om zich van alle aardse lusten gans los te rukken. Hierom gevoelt hij dikwijls
droefheid, wanneer hij zich daaraan onttrekt; en licht is hij geraakt
als hem iemand wederstaat.
2. Bekomt hij wat hij verlangt, zo kwelt hem aanstonds de wroeging van zijn geweten:
omdat hij zijn drift ingevolgd heeft, die niets voorthelpt voor de vrede, die
hij zocht. Dus, met te wederstaan aan zijn hartstochten vindt men de ware vrede des harten, en niet met ze
in te volgen. Daar is dan geen vrede in het hart van een vleselijk mens, noch in de mens, die zich aan
uitwendige dingen overgeeft, maar wel in de ijverige en geestelijke
mens.
Hoofdstuk
7
Over het vluchten der ijdele hoop en der
verwaandheid
1. Hij is ijdel, die zijn hoop stelt op mensen of op schepselen. Schaam u niet anderen te
dienen, ter liefde van Jezus Christus, en in deze wereld voor arm aangezien te worden. Steun niet
op uzelf, maar vestig uw hoop op God. Doe wat gij kunt, en God zal uw goede
wil bijstaan. Stel geen betrouwen op uw wetenschap, noch op het vernuft van enig mens, maar liever op de
genade Gods, die de ootmoedigen helpt, en de hovaardigen vernedert.
2. Roem niet op rijkdommen, als gij er bezit, noch op vrienden, omdat zij machtig zijn
(1); maar op God, die alles geeft, en, boven alles, nog zichzelf wenst
te geven. Verhef u niet op een rijzig en welgevormd lichaam, dat door een geringe krankheid geschonden en
misvormd wordt. Schep geen zelfbehagen in uw behendigheid of verstand, uit vrees van God te behagen, aan wie
alle goed, dat gij van nature bezit, toebehoort.
3. Acht u niet beter dan een ander, om somtijds niet voor erger aangezien te worden door God,
die weet wat er in de mens is. Verhef u niet om uw goede werken, want de oordelen van God verschillen van
die der mensen; wat aan dezen behaagt, mishaagt Hem dikwijls. Indien
gij iets goeds bezit, denk dat er in de anderen nog iets beters is, opdat gij de ootmoedigheid moogt
bewaren. Het deert u niet, zo gij u onder alle anderen stelt; maar daar
is grote schade bij, zo gij u slechts boven één stelt. Eeuwige vrede huist bij de ootmoedige:
maar in het hart van de hovaardige is meestal nijd en
spijt.
1) Jer. 9:
23-24
Hoofdstuk
8
Over het vermijden van al te grote
gemeenzaamheid
1. Open uw hart niet aan iedereen (1), maar bespreek uw verlangen met iemand die wijs is en
God vreest. Wees zelden met jonge en vreemde mensen. Vlei de rijken niet, en zoek niet om onder
hooggeplaatsten te verkeren. Verkeer met ootmoedigen en met eenvoudigen, met personen, die godvruchtig en
goed van zeden zijn, en spreek liefst over stichtende dingen. Wees niet gemeenzaam met enige vrouw;
maar beveel in het algemeen alle deugdzame vrouwen God aan. Zoek geen ander
gemeenschap dan met God en met zijn Engelen, en vermijd de kennismaking der
mensen.
2. Liefde moet men jegens alle mensen hebben, maar gemeenzaamheid is niet geraadzaam.
Somtijds gebeurt het, dat een onbekende persoon, door zijn goede naam, glinstert, maar van nabij gezien
verliest hij al zijn glans. Wij menen somtijds dat wij aan anderen behagen door gedurige omgang;
veeleer beginnen wij hun te mishagen door de gebreken, die zij in ons
bespeuren.
Hoofdstuk
9
Over gehoorzaamheid en
onderwerping
1. Het is iets groots in de gehoorzaamheid aan een overste ondergeschikt te leven, en zijn
eigen meester niet te zijn. Het is veel voordeliger onderdaan te zijn dan overste. Maar velen leven in
ondergeschiktheid meer uit dwang dan uit liefde; en die hebben verdriet
en zijn geneigd tot morren. Deze zullen geen vrijheid van geest bekomen, vooraleer zij zich uit ganser harte
onderwerpen aan Gods wil. Dezen zullen geen vrijheid van geest bekomen, vooraleer zij zich uit ganser harte
onderwerpen om Gods wil. Loop her- of derwaarts: gij zult geen rust
vinden, tenzij in ootmoedige gehoorzaamheid aan het bestuur van uw overste. De inbeelding dat men beter zal
zijn in andere plaatsen heeft er velen van ‘t spoor gebracht.
2. ‘t Is waar, elkeen handelt liefst naar eigen zin, en is meer genegen voor die, welke van
zijn gedacht zijn. Maar als God onder ons woont, is het somtijds nodig dat wij ons eigen gevoelen afstaan om
de vrede.
Wie is er zo wijs dat hij alles ten volle
weten kan? Daarom, betrouw niet te veel op eigen goeddunken; maar
luister ook gaarne nar het gevoelen van anderen. Als uw gedachte goed is, en dat gij er nochtans om Gods wil
van afgaat om een andere te volgen, daar zult gij meer voordel uit
trekken.
3. Ik heb dikwijls horen zeggen, dat het veiliger is raad te vragen en aan te nemen, dan te
geven. Het kan ook voorvallen dat elk gevoelen goed zij; maar zich naar
anderen niet te willen voegen als de genegenheid of de rede het vereist, is een teken van hoogmoed en
hardnekkigheid.
Hoofdstuk
10
Over het vluchten van overtollige
woorden
1. Schuw het gewoel der mensen, zoveel gij kunt: want
het verhandelen van wereldse gebeurtenissen is schadelijk, dan zelfs wanneer het met goede mening geschiedt.
Immers wij worden zo licht door de ijdelheid aangetast en gevangen. Ik wenst al dikwijls gezwegen en niet
onder de mensen verkeerd te hebben. Maar waarom spreken wij en onderhouden wij ons zo gaarne met anderen,
ofschoon wij nochtans zelden, zonder letsel voor ons geweten, tot de
stilzwijgendheid wederkeren. Daarom spreken wij zo gaarne, wijl wij door die samenspraken van weerskanten
zoeken getroost te worden, en ons hart door verschillende gedachten bezwaard, lucht willen geven. En nog
veel liever spreken en denken wij over dingen, waaraan wij gehecht zijn en waarnaar wij sterk verlangen, of
waarin wij een tegenzin voelen.
2. Maar dikwijls, helaas! Zonder winst en baat. Want die uitwendige troost verhindert niet
weinig de inwendige en goddelijke troost. Daarom moet men waken en bidden, opdat de tijd niet zonder nut
voorbijga. Indien u het spreken geoorloofd en dienstig is, zo spreek altijd over dingen die stichten. De
verkeerde gewoonte, en de onachtzaamheid voor onze voortgang, zijn de grote oorzaak dat wij onze mond niet
genoeg bewaken.
Nochtans is een godvruchtig onderhoud
over geestelijke dingen hoogst voordelig tot onze geestelijke vooruitgang; vooral onder mensen, die met hetzelfde hart en dezelfde geest in God verenigd
zijn.
Hoofdstuk
11
Over het verwerven van de vrede, en de
ijver om vooruitgang te doen
1. Wij zouden veel vrede genieten, indien wij ons niet wilden bemoeien met woorden en daden
van anderen, en met dingen die niet aan onze zorg behoren. Hoe kan iemand lang in vrede blijven, die zich
met andermans bekommernissen inlaat, die gelegenheden zoekt, welke verstrooiing bijbrengen, en weinig of
zelden ingekeerd leeft. Zalig zijn de eenvoudigen, want zij zullen veel vrede
genieten.
2. Waarom zijn sommige Heiligen zo volmaakt geweest en zo ingetogen? Omdat zij zich beijverd
hebben zichzelf te versterven in alle aardse lusten: en daarom hebben
zij met alle innigheid des harten God kunnen aankleven, en ongehinderd met zichzelf bezig zijn. Maar wij,
wij hebben te veel werk met onze driften, en zijn te zeer bekommerd om vergankelijke dingen. Zelden ook
overwinnen wij ten volle een enkele ondeugd, en hebben geen ijver om dagelijks vooruit te gaan:
daarom blijven wij lauw en koud.
3. Waren wij aan onszelf volkomen afgestorven en inwendig niet in verwarring, dan zouden wij
ook de goddelijke dingen kunnen smaken, en iets van de hemelse beschouwing kunnen proeven. Maar het enige,
ja het allerzwaarste beletsel is, dat wij, verslaafd aan onze driften en begeerlijkheden, geen moeite doen
om de volmaakte weg der Heiligen op te gaan. En als er ons een weinig tegenspoed overkomt, laten wij te
haastig de moed zinken en keren wij ons naar menselijke troost.
4. Indien wij ons best deden, om, als dappere mannen, pal te staan in de strijd, voorzeker
zouden wij de hulp Gods van de hemel op ons zien nederdalen. Want Hij is bereid te helpen die strijden en op
zijn genade betrouwen; en Hij zelf geeft ons de gelegenheid tot
strijden, opdat wij zouden overwinnen. Indien wij de voortgang van het christelijk leven maar stellen in
uitwendige gebruiken, dan zal onze godsvrucht spoedig een einde nemen.
5. Maar laat ons de bijl aan de wortel zetten, opdat wij, verlost van de driften, een
vreedzame stemming mogen bezitten. Indien wij ieder jaar maar één gebrek uitroeien, dan zouden wij spoedig
volmaakt zijn. Maar nu integendeel bevinden wij dikwijls, dat wij beter waren en reiner in het begin van
onze bekering, dan na vele jaren geestelijk leven. Onze vurigheid en onze vorderingen moesten dagelijks
aangroeien; en nu schijnt het iets bijzonders te zijn, als iemand een
deel van zijn eerste vurigheid kan behouden. Indien wij in het begin maar een weinig geweld deden, wij
zouden daarna alles kunnen doen met gemak en met genoegen.
6. Het is zeer moeilijk gewoonten af te leggen; maar het
is nog moeilijker tegen zijn eigen wil in te gaan. Maar indien gij nu in het kleine en lichte geen
overwinning behaalt, wanneer zult gij het meer moeilijke te boven komen? Wedersta van eerst af uw neiging en
ontmaak u van de kwade gewoonte, opdat zij u niet allengskens tot groter moeilijkheid brenge. Ach! Indien
gij overdacht wat vrede gij uzelf en wat vreugde gij anderen zoudt bezorgen door u goed te gedragen, ik
geloof dat gij meer bezorgd zoudt zijn voor uw geestelijke
vooruitgang.
Hoofdstuk
12
Hoe voordelig de tegenspoed
is
1. Het is goed voor ons, dat wij somtijds wat bezwaren en tegenspoed hebben, omdat deze
dikwijls de mens tot zijn hart terugroepen, daar zij hem herinneren dat hij in ballingschap leeft, en op
niets, dat van de wereld is, zijn hoop moet stellen. Het is ook goed dat wij soms tegenspraak te verduren
hebben, en dat men van ons een slecht en ongunstig gedacht heeft, zelfs als wij wèl doen en het goed menen.
Dat dient ons dikwijls tot ootmoedigheid, en behoedt ons voor ijdele glorie. Dan immers zoeken wij beter
God, de inwendige getuige, wanneer wij daar buiten door de mensen misacht worden, en dat men van ons geen
goed denkt.
2. Daarom diende de mens aan God zodanig vast gehecht, dat hij niet nodig had veel menselijke
troost te zoeken. Als een mens van goede wil gekweld en bekoord, of met kwade gedachten geplaagd wordt,
alsdan begrijpt hij beter dat hij God nodig heeft, zonder wie hij niets goeds kan doen. Dan leert hij ook
treuren, zuchten en bidden voor de ellenden, welke hij lijdt. Dan verdriet het hem, langer te leven;
dan wenst hij dat de dood kome, opdat hij moge ontbonden worden en bij
Christus zijn (1). Alsdan ook merkt hij duidelijk dat volkomen
zekerheid en ongestoorde vrede op deze wereld niet bestaan kunnen.
1) Phil. 1:
23
Hoofdstuk
13
Over het weerstaan aan de
bekoringen
1. Zolang wij op de wereld leven, kunnen wij niet vrij zijn van kwelling en bekoring. Daarom
staat er in het boek Job geschreven: Het leven van de mens op aarde is
een bekoring (1). Daaruit volgt dat ieder zich in acht zou moeten nemen
voor zijn bekoringen, en waken in het gebed, opdat de duivel geen gelegenheid vinde om hem te bedriegen,
hij, die nooit inslaapt, maar altoos rondloopt, zoekende wie hij zal kunnen verslinden (2).
Niemand is zo volmaakt en zo heilig, of hij heeft somtijds bekoringen;
wij kunnen daar niet volkomen van bevrijd
blijven.
2. Maar de bekoringen zijn dikwijls voor de mens zeer nuttig, alhoewel zij lastig en
onaangenaam zijn, omdat hij hierdoor vernederd, gezuiverd en onderricht wordt. Alle Heiligen hebben vele
kwellingen en bekoringen ondergaan, en zijn daardoor vooruit gekomen. En die de bekoringen niet hebben
kunnen doorstaan, zijn verstoten geworden en bezweken. Daar is geen genootschap zo heilig, en geen plaats
zoafgezonderd, of daar zijn bekoringen en beproevingen.
3. Daar is gen mens geheel vrij van bekoringen, zolang hij leeft; want wij dragen in ons de aanleiding om bekoord worden; sinds wij in de begeerlijkheid geboren zijn. Als de een bekoring of kwelling ons verlaat,
dan komt er een andere in de plaats; en wij zullen altijd iets te
lijden hebben, want wij hebben het voorrecht van ons eerste geluk verloren. Velen zoeken de bekoringen te
ontvluchten, en zij vallen er nog meer in. Door de vlucht alleen kunnen wij niet overwinnen;
maar door geduld en ware ootmoedigheid worden wij sterker dan al onze
vijanden.
4. Die de uiterlijke aanleiding der bekoringen ontwijkt, en daarvan de wortel niet uitroeit,
zal weinig vorderen; zij zullen zelfs spoediger tot hem wederkeren, en
hij zal ze meer gevoelen. Allengskens, door geduld en lankmoedigheid, zult gij ze (met Gods hulp) beter
overwinnen, dan door uw ongeduldig en hardnekkig tegenstreven. Neem dikwijls raad in de bekoringen, en
behandel niet met hardheid iemand die bekoord wordt; maar stort hem
bemoediging in, gelijk gij voor uzelf zoudt wensen.
5. De oorsprong van alle kwade bekoringen is ongestadig van het hart, en gering betrouwen op
God.
Want, gelijk een schip zonder roer door
gebaren heen en weer geslingerd, zo wordt een krachteloos mens, die zijn voornemens lat varen, op
verschillende wijzen bekoord. Het vuur beproeft het ijzer, en de bekoring de rechtvaardige mens (3). Wij
weten dikwijls hoever onze kracht reikt; maar de bekoring leert wat wij
zijn. Men moet nochtans waakzaam zijn, vooral in het opkomen der bekoring: omdat alsdan de vijand gemakkelijker overwonnen wordt, indien men hem in de deur der ziel
geenszins laat binnentreden, maar hem terstond, zohaast hij klopt, buiten afweert. Vandaar deze
spreuk: Bied weerstand in ‘t begin: t laat komt het geneesmiddel, als de ziekte door ‘t lang verloop de overhand heeft genomen
(4). Want eerst is het maar een gedachte die in de geest komt;
daarna een sterke inbeelding, hierop volgt welbehagen, ongeregelde beweging,
en dan de toestemming. En alzo treedt de boze vijand van lieverlede geheel binnen, als men hem in ‘t begin
niet wederstaat. En hoe langer iemand getalmd heeft te wederstaan, des te zwakker wordt hij dagelijks, en
des te sterker de vijand tegen hem.
6. Sommigen lijden zwaarder bekoringen in het begin van hun roeping; anderen op het einde. Enigen integendeel worden bijna geheel hun leven gekweld. Enigen
worden ook maar licht bekoord, volgens de schikking van Gods wijsheid en rechtvaardigheid, die de
gesteltenis en de verdiensten der mensen weet, en alles tot zaligheid van zijn uitverkorenen
voorbeschikt.
7. Daarom moeten wij niet wanhopen, als wij bekoord worden, maar God des te vuriger bidden,
opdat Hij zich gewaardige ons te helpen in al onze kwellingen: en Hij
zal zeker, volgens de woorden van de Apostel Paulus, ons in de bekoring zulke hulp verlenen, dat wij ze
zullen kunnen overwinnen (5). Laten wij dan onze zielen onder de hand Gods verootmoedigen bij alle bekoring
en kwelling: want de ootmoedigen van geest zal Hij redden en verheffen
(6).
8. In bekoringen en lijden ziet de mens hoeveel vooruitgang hij gedaan heeft; ook is de
verdienste groter, en de deugd komt beter tevoorschijn. Het is niets groots wanneer iemand godvruchtig en
ijverig is, als hij geen zwarigheid voelt; maar wanneer hij in de tijd
van tegenspoed zich geduldig houdt, dat geeft hoop op grote vorderingen. Enigen worden van grote bekoringen
bewaard en worden dikwijls overwonnen in kleine, die dagelijks voorkomen, opdat zij daardoor verootmoedigd
zouden worden, en nooit op zichzelf in grote zaken zouden betrouwen, daar zij in kleine zo zwak
zijn.
1) Job 7:
1
2) 1 Petr. 5:
8
3) Eccl. 31:
31
4)
Ovidius
5) I Kor. 10:
13
6) Psalm 33:
19
Hoofdstuk
14
Over het vermijden van lichtvaardig
oordeel
1. Keer uw ogen op uzelf, en wacht u de daden van anderen te oordelen. Wie een ander
oordeelt, geeft zich nutteloze moeite, dwaalt dikwijls, en zondigt licht; maar wie zichzelf beoordeelt en onderzoekt, arbeidt altoos met vrucht. Gelijk ons een zaak
ter harte gaat, zo oordelen wij er doorgaans over, want het recht oordeel verliezen wij licht door onze
eigenliefde. Indien God altijd het zuiver doelwit was van ons verlangen, zouden wij niet zo licht gestoord
worden om de weerstand van ons gevoel.
2. Maar daar schuilt dikwijls iets van binnen, of daar komt iets van buiten bij, dat krachtig
aantrekt.
Vele mensen zoeken heimelijk zichzelf in
wat zij verrichten, zonder dat zij het weten. Zij schijnen in een volmaakte vrede bevestigd te zijn, zolang
alles geschiedt naar hun wil en wens; maar het valt anders uit dan zij
begeren, aanstonds worden zij ontroerd en droefgeestig. Door het verschil van meningen en gevoelens ontstaan
er niet zelden onenigheden tussen vrienden, tussen medeburgers en zelfs tussen kloosterlingen en godgewijde
personen.
3. Een oude gewoonte legt men moeilijk af; en verder dan
zijn eigen inzicht, laat niemand zich gaarne brengen. Indien gij op uw eigen rede of vernuft meer steunt dan
op de deugd van onderwerping, ons door Christus aangewezen, dan zult gij zelden en laat een verlicht mens
worden; want God wil dat wij Hem volkomen onderworpen zijn, en dat wij
ons boven alle redenering verheffen door een vurige liefde.
Hoofdstuk
15
Over de werken uit liefde
verricht
1. Om niets ter wereld, noch uit liefde voor iemand mag men iets kwaads doen, maar mag men,
om iemand in de nood dienst te bewijzen, soms wel een goed werk uitstellen of ook door een beter vervangen.
Want met zo te handelen wordt het goede werk niet teniet gedaan, maar in een beter veranderd. Zonder de
liefde is een uitwendig werk van geen nut (1); maar wat uit liefde
gedaan wordt, hoe klein en hoe gering het in zichzelf zij, dat wordt geheel en al vruchtbaar. Want God let
meer op de goede stemming waarmede men iets doet, dan op de hoeveelheid van het werk
zelf.
2. Hij doet veel, die veel liefde heeft. Hij doet veel, die een zaak wèl doet. Hij doet wèl,
die meer het gemeen voordeel betracht dan zijn eigen voordeel. Somtijds wat men voor liefde aanziet, is
eerder zinnelijkheid: want het gebeurt zelden dat natuurlijke neiging,
eigen wil, hoop op beloning of gemakzucht niet enige invloed hebben.
3. Wie de ware en volmaakte liefde bezit, zoekt nooit zichzelf in gelijk wat;
maar hij begeert alleen dat in alles de wil van God geschiede. Hij benijdt ook
niemand, omdat hij nooit enig persoonlijk voordeel wenst, en zijn vreugd in zichzelf niet stelt, maar in God
alleen boven alle goederen zijn zaligheid zoekt. Hij eigent nooit aan het schepsel enig goed toe, maar
brengt alles tot God terug, van wie hij alles als uit de bron voortvloeit, en in wiens genieting, als in hun
einddoel, alle Heiligen rusten. O! Wie maar een vonkje van die ware liefde bezat, die zou voorwaar gevoelen
hoe alle aardse dingen vol van ijdelheid zijn.
1) 1 Kor. 13:
3
Hoofdstuk
16
Over het verdragen van elkanders
gebreken
1. De gebreken, die de mens in zichzelf of in anderen niet in staat is te verbeteren, moet
hij geduldig verdragen, totdat God het anders schikke. Denk, dat het misschien zó beter is tot beproeving
van uw geduld zonder hetwelk onze verdiensten niet hoog te schatten zijn. Gij moet nochtans God bidden dat
Hij u helpe om zulke bezwaren te overwinnen, of om ze in gelatenheid te
dragen.
2. Indien iemand eens of tweemaal vermaand zijnde, niet wil toegeven, treed daarom met hem in
geen twist; maar laat alles aan God over, op dat zijn wil geschiede, en
Hij verheerlijkt worde in al zijn dienaren, want Hij kan zeer wel het kwaad in goed verkeren. Leer geduldig
zijn in het verdragen van andermans gebreken en allerlei fouten, want gij hebt er ook vele, die van de
anderen verdragen moeten worden. Indien gij uzelf niet kunt maken gelijk gij zoudt willen zijn, hoe zult gij
dan een ander kunnen hebben naar uw welbehagen? Wij hebben gaarne dat anderen volmaakt zijn, en onze eigen
gebreken verbeteren wij niet.
3. Wij willen dat anderen streng berispt worden, en hebben niet gaarne dat men ons
terechtwijst. Het mishaagt ons dat men anderen te veel vrijheid geeft, en wij kunnen niet verdragen dat men
ons iets weigert. Wij willen dat de anderen door wetten ingetoomd worden, en wijzelf willen in niets
strenger beoordeeld worden. Waaruit klaarlijk blijkt, hoe zelden wij voor de evenmens dezelfde maat
gebruiken als voor onszelf. Indien alle mensen volmaakt waren, wat zouden wij dan om Gods wil van anderen te
lijden hebben?
4. Maar nu heeft het de Heer zo geschikt, opdat wij elkanders last zouden leren dragen
(1): want niemand is vrij van gebreken, niemand zonder last, niemand
voor zichzelf genoeg, of komt toe met zijn eigen wijsheid: maar wij
moeten elkander verdragen, elkander troosten, helpen, onderrichten en vermanen. Hoeveel deugd ieder mens
bezit, dat blijkt best bij gelegenheid van tegenspoed. Want de gelegenheden maken de mens niet zwak;
maar zij tonen van welk gehalte hij is.
1) Gal. 6:
2
Hoofdstuk
17
Over het
kloosterleven
1. Gij moet in vele dingen uw wil leren breken, indien gij met anderen vrede en eendracht
wilt bewaren. Het is geen kleinigheid in kloosters of in een vereniging te leven, en daarin zonder klachten
te verkeren, en tot de dood toe getrouw te volharden. Gelukkig hij, die daar wèl geleefd heeft, en zalig
gestorven is. Wilt gij naar behoren vast staan en vooruitgang maken, houd u op aarde voor een banneling en
een vreemdeling. Indien gij een godgewijd leven leiden wilt, moet gij om Christus als dwaas worden
(1).
2. Habijt en kruin baten niet veel: maar
zedenverbetering en volkomen versterving van alle driften maken de ware kloosterling. Wie iets anders zoekt
dan God alleen, en zijn zielezaligheid, zal niets vinden dan kwellingen en smart. Ook zal hij niet lang in
vrede blijven, die niet tracht om de minste te zijn en aan allen
onderworpen.
3. Om te dienen zijt gij gekomen, niet om te heersen: weet dat gij geroepen zijt om te lijden en te arbeiden, en niet om ledig te gaan praten.
Hier dan worden de mensen beproefd gelijk het goud in de vuuroven (2). Hier kan niemand volharden, tenzij
hij uit ganser harte zich om God verootmoedigen wil.
1) I Paralip. 29:
15
2) Wijsh. 3:
6
Hoofdstuk
18
Over de voorbeelden der heilige
Vaders
1. Overdenk de treffende voorbeelden der heilige Vaders, waarin de ware volmaaktheid en
kloostergeest heeft uitgeschenen, en gij zult zien, hoe onbeduidend het is, ja bijna niets, wat wij
doen.
Ach! Wat is ons leven vergeleken bij het
hunne? De heiligen en de vrienden van Christus hebben de Heer gediend in honger en dorst, in koude en
naaktheid, in arbeid en vermoeienis (1), in waken en vasten, in gebeden en heilige overwegingen, in vele
vervolging en versmaadheid.
2. O
hoevele en hoe zware kwellingen hebben niet geleden de Apostelen, de Martelaren, de Belijders, de Maagden,
en alle anderen die de voetstappen van Christus navolgen wilden! Want zij hebben hun zielen in deze wereld
gehaat, om haar voor het eeuwig leven te behouden (2). O wat streng en verstorven leven hebben de heilige
Vaders in de woestijn geleid! Wat lange en zware bekoringen hebben zij doorstaan! Hoe dikwijls zijn zij door
de vijand gekweld geworden! Hoe menigvuldige en vurige gebeden hebben zij aan God opgedragen! Wat harde
onthoudingen hebben zij verduurd! Wat grote ijver en vurigheid voor de geestelijke vooruitgang hebben zij
gehad! Wat geweldige oorlog hebben zij gevoerd tegen de beteugeling der ondeugden! Wat zuivere en oprechte
mening tot God hebben zij gehouden!
Gedurende de dag arbeidden zij, en des
nachts brachten zij lange tijd door met bidden, alhoewel zij bij het werken het inwendig gebed nimmer
achterlieten.
3. Al hun tijd besteedden zij nuttig: de uren, welke zij
met God overbrachten, schenen hun te kort; ja door de grote zoetheid,
welke zij in het beschouwend gebed vonden, werd somtijds de behoefte van de verkwikking van het lichaam
vergeten. Zij verlieten alle rijkdommen, alle waardigheden en eretitels, alle vrienden en magen:
zij begeerden niets van de wereld, zij namen nauwelijks het onontbeerlijke om
te leven, en tegen dank dienden zij het lichaam, zelfs uit noodzaak. Aldus waren zij arm aan aardse
goederen, maar zeer rijk in genade en in deugden. Uitwendig leden zij gebrek, maar inwendig werden zij
verzadigd met goddelijke troost en genade.
4. Zij waren vreemd aan de wereld, maar met God verenigd en zijn vertrouwelijkste vrienden.
Zichzelf achtten zij als nietsbeduidend, en door de wereld werden zij versmaad; maar in de ogen van God waren zij uitverkoren en hoog in waarde. Zij leefden in oprechte
ootmoed, in eenvoudige onderdanigheid, in liefde en geduld: en daarom
deden zij dagelijks grote vooruitgang in ‘t geestelijke, en verwierven grote genaden bij
God.
5. Ach! Hoe groot is de vurigheid van alle kloosterlingen bij het begin van hun heilige
instelling geweest! O, hoe vurig was hun gebed! Hoe groot hun wedijver in de deugd! Hoe streng de tucht!
Welke eerbied en gehoorzaamheid scheen in allen uit, onder de leiding van hun stichter! De voorbeelden die
zij hebben nagelaten, getuigen nu nog, dat zij zeer heilige en volmaakte mannen zijn geweest, die door een
vrome strijd de wereld onder de voet gebracht hebben. Nu wordt iemand groot geacht, als hij geen overtreder
van de regel is, en verduldig draagt wat hij vrijwillig op zich heeft
genomen.
6. O
traagheid en onachtzaamheid van onze staat, dat wij zo licht afwijken van de eerste ijver! En dat uit louter
traagheid en kleinmoedigheid het leven ons begint te verdrieten. Mocht de ijver der deugden in u niet geheel
inslapen, gij die al te dikwijls zo menigvuldige voorbeelden van godgewijden gezien
hebt!
1) 2 Kor. 11:
27
2) Joann. 12:
25
Hoofdstuk
19
Over de oefening van een goed
kloosterling
1. Het leven van een oprechte kloosterling moet versierd zijn met alle deugden, opdat zijn
binnenste zodanig zij, als hij aan de mensen uitwendig voorkomt. En met reden moet hij van binnen veel
volmaakter zijn dan van buiten gezien wordt; wijl God onze harten
gadeslaat, God, die wij boven alles en overal moeten eren en vrezen, en voor wiens ogen wij zuiver als
Engelen moeten wandelen. Wij behoren ons voornemen iedere dag te vernieuwen, en ons tot meerder ijver op te
wekken, even alsof wij heden eerst bekeerd waren; en wij moeten
dagelijks bidden: Help mij, Heer, mijn God! In mijn goed voornemen, en
in uw heilige dienst: en geef mij dat ik heden oprecht moge
beginnen; want al wat ik tot hiertoe gedaan heb, is zoveel als
niets.
2. Gelijk ons voornemen is, zo is ook onze vooruitgang: en hij die grote vorderingen wil maken, moet zeer naarstig zijn. Want indien hij, die
sterke voornemens maakt dikwijls te kort schiet, wat zal hij dan doen die zeer zelden of minder beslist iets
voorneemt? Wij verlaten ons voornemen nochtans op verschillende wijzen, en een licht verzuim in onze
oefening kan moeilijk zonder enige schade voorbijgaan. Het goed voornemen der rechtvaardigen steunt meer op
de genade Gods, dan op hun eigen macht en voorzichtigheid; ook op Hem
alleen stellen zij hun betrouwen in al wat zij ondernemen. Want de mens wilt, maar God beschikt:
en de weg van de mens ligt in zijn macht niet
(1).
3. Indien men soms een gewone oefening nalaat om reden van godsvrucht, of ten voordele van
een medebroeder, die kan men darna licht inhalen. Maar wanneer men die achterlaat uit tegenzin of uit
onachtzaamheid, dan is er schuld en nadeel bij. Laten we ons uiterste best doen, dan zullen wij nog licht in
vele opzichten te kort komen. Wij moeten altijd echter iets bepaalds voornemen, en bijzonder tegenover dit,
wat ons het meest in de weg staat. Onze uitwendige en inwendige werken moeten wij gedeeltelijk onderzoeken
en schikken, want beide zijn zeer voordelig tot onze voortgang.
4. Indien gij in geen gedurige ingekeerdheid kunt leven, doe het evenwel somwijlen, ten
minste eenmaal daags, te weten: des morgens of des avonds. Maak des
morgens een goed voornemen; onderzoek des avonds uw gedrag,
overdenkende hoe gij u die dag gedragen hebt in woorden, in werken en in gedachten: want misschien hebt gij daarin meermalen God en de naaste beledigd. Omgord u, als een man,
tegen de listen van de duivel; bedwing de gulzigheid, en gij zult elke
neiging van het vlees gemakkelijker beteugelen. Wees nooit geheel werkeloos; maar lees of schrijf, of bid, of overweeg of houd u bezig met gelijk wat van algemeen nut.
Lichamelijke oefeningen moeten echter omzichtig geschieden, en niet door allen in gelijke
mate.
5. Oefeningen, die niet in ‘t gebruik zijn, moeten niet in het openbaar gepleegd
worden: bijzondere werken geschieden veiliger in ‘t verborgen. Wacht u
nochtans van lusteloos te zijn voor de gemeenschappelijke oefeningen, en ieverig voor de bijzondere:
maar blijft er u nog tijd over nadat ge al de opgelegde plichten volkomen
volbracht hebt, zo geef u aan uzelf over en handel volgens uw godsvrucht. Alle mensen kunnen niet dezelfde
oefening hebben: maar de ene komt dit, de andere dat beter te stade.
Zelfs zijn sommige oefeningen aangenamer volgens de wisseling der tijden: enige vallen meer in de smaak op feestdagen, andere op werkdagen. Sommige van ons zijn
nodig ten tijde van bekoring, verkiezen wij zulke gedachten, en andere wederom als wij ons blij gevoelen in
de Heer.
6. Omstreeks de bijzonderste feestdagen moet men zijn godvruchtige oefeningen vernieuwen, en
de voorspraak der Heiligen vuriger afsmeken. Van de ene feestdag tot de andere moeten wij voornemen zó te
leven, als wij dan van deze wereld zouden scheiden, en tot het eeuwig feest geraken. Daarom moeten wij ons
op de heilige tijden zorgvuldig voorbereiden en stichtender zijn in onze handel, en geheel onze regel
nauwkeuriger onderhouden, als zouden wij het loon van onze arbeid welhaast van God
ontvangen.
7. En indien dit loon nog wordt uitgesteld, denken wij dat wij minder wel voorbereid, en die
grote glorie nog niet waardig zijn, welke in ons geopenbaard zal worden op de bestemde tijd (2):
en laten wij ons beijveren om ons beter tot onze sterfdag te bereiden. Zalig
is de knecht, zegt de heilige Evangelist Lucas, die de Heer, bij zijn komst, wakende zal vinden:
voorwaar, ik zeg het u, over al zijn goederen zal Hij hem aanstellen
(3).
1) Jer. 10:
23
2) Rom. 8:
18
3) Cap. 12:
43,44
Hoofdstuk
20
Over de genegenheid tot eenzaamheid en
stilzwijgen
1. Zoek de bekwame tijd om met uzelf onledig te zijn; en
overweeg dikwijls de weldaden van God. Laat alle nieuwsgierigheid varen. Lees zulke geschriften, die u eer
het hart roeren, dan tijdverdrijf bezorgen. Indien gij uzelf onttrekt aan overtollige samenspraken, en ledig
rondlopen, alsook aan nieuwsjes en ijdele geruchten, zo zult gij tijd genoeg vinden om u op godvruchtige
overwegingen toe te leggen. De grootste heiligen hebben het verkeer met mensen geschuwd waar zij ‘t konden,
en verkozen in het verborgen met God te leven.
2. Een heidens wijsgeer (1) heeft gezegd: "Zo dikwijls
ik onder de mensen verkeerd heb, ben ik minder mens wedergekeerd." Dit ondervinden wij dikwijls, wanneer wij
lang samen praten. Het is gemakkelijker volstrekt te zwijgen, dan geen woord te veel te zeggen. Het is
gemakkelijker in huis verborgen te blijven, dan zich buitenshuis genoegzaam te kunnen behoeden. Wie dan tot
een inwendig en geestelijk leven wil komen, moet met Jezus het gewoel ontwijken (2). Niemand komt zonder
gevaar in het openbaar dan die gaarne verborgen blijft. Niemand spreekt veilig dan die gaarne stilzwijgt.
Niemand is veilig overste, dan die gaarne een onderdaan is. Niemand kan veilig gebieden, dan die geleerd
heeft wèl te gehoorzamen.
3. Niemand mag gerust zich verblijden, zo hij niet de getuigenis van een goed geweten in zich
draagt. Nochtans is de gerustheid van de Heiligen altijd vol geweest van de vrees Gods. En wijl zij door
veel genaden en deugden uitmuntten, waren zij daarom niet minder behoedzaam en ootmoedig van hart. Maar de
gerustheid der boze mensen komt voort uit hoogmoed en verwaandheid, en ten laatste loopt zij uit op
zelfbedrog. Reken nooit op veiligheid in dit leven, al schijnt gij een goede kloosterling of een godvruchtig
kluizenaar.
4. Wie voor de besten werden geacht bij de mensen, hebben dikwijls het grootste gevaar
gelopen, om hun vermetel zelfbetrouwen. Daarom is het voor velen voordeliger, dat zij niet geheel vrij van
bekoringen blijven, maar dat zij dikwijls aangerand worden, opdat zij niet al te gerust zouden zijn, en zich
misschien door hovaardigheid zouden verheffen, en ook niet te licht naar uitwendige troost zouden omzien.
Ach! Wie nooit vergankelijke vreugde zocht of zich nooit met de wereld bekommerde, welk rein geweten zou hij
gedurig bezitten! Ach! Wie alle ijdele zorg verbande, alleen ‘t zalige en goddelijke ter hart nam, en op God
al zijn hoop vestigde, wat grote rust en vrede zou hij genieten!
5. Niemand is hemelse troost waardig zo hij zich niet tevoren naarstig in de heilige
boetvaardigheid geoefend heeft. Wilt gij tot in uw hart vermorzeld worden, ga in uw kamer, en sluit al het
gewoel der wereld buiten, gelijk er geschreven staat: Weest vermorzeld
tot op uw legersteden (3). In uw cel zult gij vinden, wat gij daarbuiten dikwijls verliezen zult. De cel,
gestadig bewoond, wordt zoet: maar slecht bewaard, wordt zij
verdrietig. Indien gij in het begin van uw kloosterlijk leven haar trouw bewoond en bewaard hebt, zal zij u
daarna een lieve vriendin en een zoete vertroosting zijn.
6. In stilte en rust doet een godvruchtige ziel vooruitgang, en leert zij de verholenheden
der H. Schriftuur. Daar vindt zij de bron der tranen, waarin zij alle nachten zich kan wassen en zuiveren
(4); om met haar Schepper des te vertrouwelijker te worden, hoe meer
zij van alle gerucht der wereld verwijderd blijft. Tot hem dan, die zich van zijn vrienden en magen scheidt,
zal God met zijn Engelen zoveel te nader komen. Het is beter verborgen te leven, en voor zijn ziel te
zorgen, dan zichzelf te verwaarlozen, en mirakels te doen. Het is zeer loffelijk voor een geestelijke
persoon, zelden uit te gaan, en liefst niet in het oog te vallen, of anderen te bezoeken.
7. Waarom wilt gij zien, wat gij niet hebben moogt? De wereld met haar begeerlijkheden
vergaat (5). De zinnelijke lusten lokken ons soms uit om te gaan wandelen; maar als de tijd voorbij is, wat brengt gij anders thuis dan bezwaar van geweten en
verstrooidheid des harten? Een vrolijk uitgaan baart dikwijls een droeve wederkomst, en een blijde avond
maakt een droeve morgenstond. Zo is elk vleselijk genoegen, het komt strelend in; maar ten laatste kwetst en doodt het. Wat kunt gij elders zien, dat gij hier niet ziet?
Zie daar de hemel en de aarde, en al de hoofdstoffen, daaruit is alles
gemaakt.
8. Wat kunt gij elders zien, wat lang onder de zon kan standhouden? Gij meent misschien, met
veel te zien en te horen, verzadigd te worden; maar gij zult daartoe
niet geraken. Al zaagt ge samen voor uw ogen, wat zou het nog wezen dan een ijdel gezicht? Hef uw ogen op
tot God in de hemel, en bid Hem om vergiffenis voor uw zonden en onachtzaamheden. Laat de ijdele dingen voor
de ijdele mensen: maar gij, bekommer u met wat God u voorgeschreven
heeft. Sluit de deur achter u toe, en roep Jezus, uw beminde bij u. Blijf in uw cel bij Hem, want nergens
zult gij zo grote vrede vinden. Waart gij niet uitgegaan, en hadt gij niets van de wereld gehoord, gij zoudt
beter in zoete vrede zijn gebleven; maar omdat gij somwijlen vermaak
schept in wat nieuws te horen, moet gij daarin de stoornis des harten
verdragen.
1) Seneca Eq.
VIII
2) Joann.
5: 13
3) Psalm 4:
5
4) Psalm 6:
7
5) I Joann. 2:
17
Hoofdstuk
21
Over de rouwmoedigheid des
harten
1. Indien gij enige vooruitgang wilt doen, bewaar u in de vrees Gods, en wees niet al te
vrij; maar houd uw zinnen in bedwang, en geef u niet over aan
lichtvaardige vrolijkheid. Stem u tot ingetogenheid des harten, en gij zult de ware godsvrucht vinden.
Ingetogenheid des harten brengt veel goed voort, dat bij uitgelatenheid dra verloren gaat. Het is zonderling
dat een mens hier in dit leven volkomen verblijd kan zijn, wanneer hij zijn ballingschap en de menigvuldige
gevaren van zijn ziel overdenkt.
2. Omdat wij zo lichtzinnig van hart zijn, en onze gebreken veronachtzamen, daarom blijven
wij gevoelloos voor de ellenden van onze ziel. Maar wij lachen dikwijls onbezonnen, als wij redelijkerwijze
behoorden te wenen. Er is geen oprechte vrijheid des harten of ware vreugd tenzij in de vrees Gods met een
goed geweten gepaard. Gelukkig hij, die alle verstrooiing afweren kan en in zichzelf keren kan tot de
innigheid van een heilige ingetogenheid. Gelukkig hij, die alles afwerpt wat zijn geweten kan besmeuren of
bezwaren. Strijd kloekmoedig; een gewoonte wordt door een andere
overwonnen. Indien gij de mensen laat begaan dan zullen zij u wel met vrede
laten.
3. Trek u de zaken van anderen niet aan, en bemoei u niet met de zorgen van uw oversten.
Richt altijd de ogen eerst op uzelf, en vermaan uw eigen, eerder dan uw vrienden. Al geniet gij de gunst der
mensen niet, wil u daarom niet bedroeven; maar bedroef u daarin, dat
gij u niet zo wèl en voorzichtig gedraagt gelijk het een dienaar Gods en een vroom kloosterling betaamt. Het
is dikwijls zaliger dat een mens niet veel vertroostingen heeft in dit leven, bijzonder naar het vlees. Maar
het is onze schuld, dat wij goddelijke vertroostingen missen, of die maar zelden smaken:
omdat wij de rouwmoedigheid des harten niet zoeken, en de ijdele en
uitwendige vertroostingen niet verwerpen.
4. Erken dat gij de goddelijke vertroostingen onwaardig zijt, en veeleer verdiend hebt grote
kwellingen te lijden. Wanneer de mens gans van harte vermorzeld is, dan valt de hele wereld hem zwaar en
bitter. Een goed mens vindt altijd reden om droef te zijn en te wenen. Want hetzij hij zichzelf of de naaste
beschouwt, hij weet dat hier niemand zonder kwellingen leeft: En hoe
nauwkeurig hij zich gadeslaat, hoe meer hij zich bedroeft. Billijke reden van droefheid en inwendige
vermorzeling, dat zijn onze zonden en gebreken, waarin wij zó gedompeld liggen, dat wij zelden het hemelse
in beschouwing kunnen nemen.
5. Indien gij meer dacht op uw dood dan op een lang leven, zoudt gij zonder twijfel uzelf met
meer ijver verbeteren. Indien gij ook de toekomstige pijnen van hel en vagevuur ernstig overdacht, ik geloof
dat gij gaarne alle arbeid en lijden verdragen zoudt en geen streng leven schromen. Maar omdat die waarheden
niet tot het hart doordringen en dat wij nog zoeken wat ons streelt, daarom blijven wij koud en
traag.
6. Het komt dikwijls uit gemis aan geesteskracht dat ons ellendig lichaam zo licht klaagt.
Bid dan ootmoedig de Heer, dat Hij u de geest van droefheid des harten geve, en zeg met de Profeet:
Spijzig mij, o Heer, met het brood van weedom, en geef mij drank gemengd met
vele tranen (1).
1) Psalm 79:
6
Hoofdstuk
22
Over de beschouwing van ‘s mensen
ellende
1. In wat plaats gij zijt of niet, waar gij u keert of niet, gij zijt altijd ongelukkig,
tenzij gij u tot God bekeert. Waarom ontstelt gij u, als het niet naar uw wil en verlangen gaat? Wie is er
toch. Die alles naar zijn wens heeft? Noch ik, noch gij, noch enig mens op aarde. Niemand is er op de wereld
vrij van kwelling of zwarigheid, al ware hij koning of paus. Wie gaat het allerbest? Voorwaar hem die iets
voor God lijden kan.
2. Vele kranke en zieke mensen zeggen dikwijls: Zie,
welk heerlijk leven heeft die man, doe rijk, hoe groot, hoe machtig, hoe verheven is hij? Maar sla eens het
oog op de hemelse goederen, en gij zult inzien dat al die tijdelijke goederen nietig, onzeker en eerder
overlast zijn, want men kan ze nooit zonder vrees of zorg bezitten. Het geluk van de mens bestaat niet in
veel tijdelijke goederen te bezitten; de middelmaat is genoeg voor hem.
Het is voorwaar een ellende, op aarde te leven. Hoe geestelijker de mens tracht te leven, hoe bitterder hem
dit leven wordt; omdat hij dan de menselijke bedorvenheid meerder
gevoelt en klaarder inziet. Want eten, drinken, waken, slapen, arbeiden, rusten en onderworpen te zijn aan
verdere behoeften der natuur, dat is voorwaar een grote ellende en kwelling voor de godvruchtige mens, die
zo gaarne ontslagen en vrij van alle zonden zou zijn.
3. Want de inwendige mens wordt in deze wereld zeer bezwaard door de lichamelijke
noodwendigheden. Daarom bad de profeet David vurig, om daarvan vrij te mogen wezen, zeggende:
Ontruk mij, Heer, aan mijn noden (1). Maar wee hen, die hun ellende niet
kennen: en driemaal wee hen, die dit ellendig en vergankelijk leven
beminnen. Want sommigen zijn daaraan zo verkleefd -al is het dat zij nauwelijks met arbeiden of bedelen hun
nooddruft vinden,- dat zij zich voor het rijk Gods geenszins zouden bekommeren, indien zij hier voor eeuwig
konden leven.
4. O, dwazen en heidenen van hart die zo diep in het aardse verzonken liggen, dat zij geen
smaak vinden, dan in wat de zinnen of het lichaam aangaat! Maar die ongelukkigen zullen op het einde tot hun
spijt gevoelen hoe slecht en nietig het was, wat zij bemind hebben. De Heiligen Gods en al de innige
vrienden van Jezus Christus hebben integendeel veracht wat aan het vlees behaagt, of wat hier schoon en
uitstekend is: met al hun hoop en verlangen hijgden zij naar de eeuwige
goederen. Geheel hun begeerte zweefde omhoog naar het altijddurende en onzichtbare, opdat zij door ‘t
zichtbare niet nederwaarts getrokken zouden worden. Wil, o broeder, in uw geestelijke vooruitgang niet
wanhopen: gij hebt nog tijd en
stond.
5. Waarom wilt gij uw voornemen tot morgen uitstellen? Sta op, begin op deze stond en
zeg: Nu is het tijd om te werken en te strijden, het is nu de bekwame
tijd om mijn leven te beteren. Als het met u niet wèl gaat, als gij gekweld wordt, dan is het tijd om
verdiensten te verzamelen. Gij moet eerst door het vuur en het water gaan,eer dat gij komt tot de
verkwikking (2). Tenzij gij uzelf geweld aandoet, zult gij uw gebreken niet overwinnen. Zolang wij dit broos
lichaam omdragen, kunnen wij zonder zonde niet zijn of zonder verdriet of droefheid leven. Wij zouden gaarne
vrij zijn van alle ellende; maar omdat wij door de zonde de onschuld
verloren hebben, gemissen wij ook het waar geluk. Daarom moeten wij geduld hebben en Gods barmhartigheid
afwachten, totdat de boosheid voorbij ga (3), en onze sterfelijkheid door het leven verslonden worde
(4).
6. Ach, hoe groot is de menselijke zwakheid! Zij is altijd tot het kwade genegen. Heden
belijdt gij uw zonden en morgen bedrijft gij weder het pas beledene. Nu maakt gij het voornemen behoedzaam
te zijn, en een uur later handelt gij alsof gij niets bepaald hadt. Met reden dus moeten wij ons
verootmoedigen en geen hoge dunk van onszelf koesteren, aangezien wij zo krank en zo onstandvastig zijn. Wij
kunnen op één ogenblik door onachtzaamheid verliezen, wat wij door Gods genade en met grote arbeid bekomen
hebben.
7. Wat zal er ten laatste van ons geworden, daar wij zo vroeg reeds beginnen te verslappen?
Wee ons, indien wij zo de rust willen zoeken, alsof wij in veiligheid waren, daar tot nu toe geen teken van
ware heiligheid in onze handel te merken is. Ja, het ware wel nodig dat wij nog eens, als goede
beginnelingen, in goede werken opgeleid werden, om te beproeven of er soms nog enige hoop ware om een
toekomende beterschap en grotere vorderingen in de deugd.
1) Psalm 24:
27
2) Psalm 65:
12
3) Psalm 61:
2
4) 2 Kor. 5:
4
Hoofdstuk
23
Over het overwegen van de
dood
1. Welhaast zal het hier met u gedaan zijn; zie maar
eens hoe uw zaken staan: heden leeft de mens en morgen is hij
verdwenen. En is hij uit het oog verdwenen, dan is hij weldra ook uit het hart. O botheid en dwaasheid van
het menselijk hart, dat alleen aan het tegenwoordige denkt en het toekomstige niet beter voorziet! Gij moest
in al uw werken en gedachten zó gedragen, alsof gij heden sterven moest. Indien gij een goed geweten hadt,
zoudt gij de dood weinig vrezen. Het ware beter de zonden te schuwen, dan de dood te vluchten. Indien gij
heden niet bereid zijt, hoe zult gij het dan morgen zijn? De dag van morgen is onzeker;
en wat weet gij of het voor u morgen zal
worden?
2. Wat baat het lang te leven, als wij ons zo weinig beteren? Ach! Een lang leven voert niet
altijd tot beterschap, maar dikwijls vermeerdert het de schuld! Ach! Hadden wij op deze wereld maar één dag
wèl geleefd! Velen berekenen de jaren van hun bekering: maar de vrucht
van beterschap is dikwijls zo klein. Indien het sterven schrikbarend is, denk dat het misschien nog
gevaarlijker is langer te leven. Indien gij ooit een mens hebt zien sterven denk dat gij ook dezelfde weg
zult gaan.
3. Breekt de morgen aan, denk dat gij tot de avond niet zult leven. En is de avond gevallen,
wil u de dag van morgen niet verzekerd houden. Wees dan immer bereid, en leef zó, dat de dood u nooit onvoorbereid vinde. Vele mensen sterven plotseling en onvoorziens.
Want de Zoon des mensen zal komen, op het uur dat wij er het minst aan zullen denken (1). Als dat uur
gekomen zal zijn, dan zult gij over al uw voorgaande leven geheel anders oordelen; en gij zult ten uiterste droef zijn, omdat gij zo traag en zo onachtzaam zijt
geweest.
4. En hoe gelukkig is hij en hoe verstandig, die nu zodanig tracht te zijn in het leven, als
hij wenst bevonden te worden bij de dood. Volkomen verachting der wereld, vurige begeerte naar vooruitgang
in de deugd, liefde der regeltucht, strengheid in het boete doen, vlijtigheid in het gehoorzamen,
verloochening van zichzelf, en geduld om alle tegenspoed te dragen ter liefde van Christus, zullen een groot
vertrouwen geven op een zalig sterven. Gij kunt vele goede werken doen, terwijl gij gezond zijt;
maar wat gij, ziek zijnde, zult kunnen doen, weet ik niet. Weinigen beteren
zich met ziek te zijn: gelijk er ook weinigen heiliger worden door
gedurige bedevaarten.
5. Betrouw niet op vrienden en verwanten, en stel uw zaligheid niet uit tot de
toekomst: want de mensen zullen u eerder vergeten dan gij meent. Het is
geraadzamer er bijtijds in te voorzien, en enige goede werken vooraf te zenden, dan op de hulp van een ander
te bouwen. Indien gij nu voor uzelf niet zorgt, wie zal namaals voor u bekommerd zijn? De tijd is nu zeer
kostbaar: Nu zijn het de dagen van zaligheid, nu is het de bekwame tijd
(2). Maar helaas! Hoe jammer, dat gij die tijd niet beter waarneemt, waarin gij een eeuwig leven verdienen
kunt. De tijd zal komen, dat gij naar één dag, ja naar één uur verlangen zult om u te beteren, en ik weet
niet, of gij die verkrijgen zult.
6. Welaan dan, allerliefste, denk toch
uit welk gevaar gij uzelf kunt redden, hoe grote vrees gij kunt vermijden, met nu altijd op uw hoede en
bezorgd te zijn voor de dood. Tracht nu zó te leven dat gij in het uur van uw dood u eerder moogt verblijden
dan bevreesd te zijn. Leer nu de wereld afsterven, om dan te gaan leven met Christus. Leer nu alles
versmaden, opdat gij dan ongehinderd tot Christus moogt oprijzen. Kastijd nu uw lichaam met boetvaardigheid,
opdat gij dan een vast vertrouwen moogt hebben.
7. Ach, dwaze mens, waarom denkt gij lang te leven, daar gij niet één dag zeker hebt?
Hoevelen zijn bedrogen geweest en onvoorziens uit dit leven weggerukt? Hoe dikwijls hebt gij horen
vertellen: deze viel onder het zwaard, gene is verdronken, deze van een
hoogte stortend, heeft de hals gebroken; die is bij het eten gestorven,
gene bij het spelen? De ene is omgekomen door het vuur, een andere door het staal, een derde door de pest,
een vierde door rovershanden, en zo is aller einde de dood, en’s mensen leven gaat voorbij als een schaduw
(3).
8. Wie zal u na de dood gedenken? En wie zal hier voor u bidden? O allerliefste, doe nu alles
wat gij kunt, want gij weet niet wanneer gij sterven zult en gij weet ook niet wat er voor u en na de dood
volgen zal. Terwijl gij nog tijd hebt, verzamel u onsterfelijke rijkdommen. Houd u alleen met uw zaligheid
bezig; zorg alleen voor wat God aangaat. Maak nu goede vrienden, met de
Heiligen Gods te vereren, en hun werken na te volgen; opdat, als gij
uit dit leven zult scheiden, zij u ontvangen in de eeuwige woonsteden
(4).
9. Houd u als een pelgrim en een vreemdeling op aarde (5), die zich de dingen van deze wereld
niet aantrekt. Houd uw hart vrij en altijd tot God opgeheven, want gij hebt hier geen blijvende stad (6).
Stuur uw gebeden en dagelijkse zuchten der tranen naar de hemel, opdat uw ziel, na de dood, gelukkig tot de
Heer moge overgaan. Amen.
1) Luk. 12:
40
2) 2 Kor. 6:
2
3) Job 14:
2
4) Luk. 16:
9
5) 1 Petr. 1:
11
6) Hebr. 13:
14
Hoofdstuk
24
Over het oordeel en de
zondestraffen
1. Let in alle dingen op het einde, en hoe gij voor die strenge rechter zult staan, voor wie
niets verborgen is, die met geen giften wordt omgekocht, en die geen uitvluchten aanneemt, maar alles
oordelen zal naar de rechtvaardigheid. O ellendige en dwaze zondaar! Wat zult gij God antwoorden, die al uw
zonden kent; gij die somtijds de aanblik vreest van een vergramde mens?
Waarom neemt gij geen voorzorg tegen de dag van het oordeel, alwaar niemand door een ander beschermd of
vrijgepleit zal kunnen worden, maar iedereen last genoeg zal hebben aan zichzelf. Nu is uw arbeid
vruchtbaar, uw wenen aangenaam, uw zuchten verhoord, uw droefheid verzoenend en
zuiverend.
2. Hij heeft in dit leven een groot en zalig vagevuur, de verduldige mens, die, het onrecht
lijdende, bedroefder is voor de boosheid van een ander, dan over eigen leed; die gaarne bidt voor zijn tegenstrevers, en hun uit ter harte vergeeft het kwaad hem
aangedaan; die zelf gewillig is om aan anderen vergiffenis te
vragen; die meer tot medelijden genegen is dan tot gramschap;
die zichzelf dikwijls geweld aandoet, en het vlees aan de geest volkomen
tracht te onderwerpen. Het is beter zich nu van zijn zonden te zuiveren en zijn gebreken uit te roeien, dan
ze te bewaren om in het toekomende leven uitgeboet te worden. Voorwaar,
wij bedriegen onszelf door de ongeregelde liefde, die wij ons lichaam
toedragen.
3. Wat zal het eeuwig vuur anders verslinden dan uw zonden? Hoe meer gij nu uzelf ontziet en
uw vlees involgt, des te meer zult gij hiernamaals boeten en zoveel te meer brandstof vergadert gij. Waar de
mens meest in gezondigd heeft, daar zal hij ook zwaarder in gepijnigd worden. Daar zullen de luiaards met
gloeiende prikkels voortgestuwd, en de gulzigaards met geweldige honger en dorst gepijnigd worden. Daar
zullen de onkuisaards en de genotbejagers met ziedend pek en stinkende solfer overgoten worden:
en de nijdigaards zullen als dulle honden huilen van de
pijn.
4. Ieder zonde zal haar eigen pijn hebben. Daar zullen de hovaardigen met schaamte overdekt,
en de gierigaards met een allerbitterste armoede benauwd worden. Daar zal één uur lijden zwaarder vallen,
dan hier honderd jaren in de allerstrengste boetvaardigheid. Hier staakt men somtijds het zwoegen, en geniet
men troost van vrienden; dáár integendeel is geen rust, geen troost
voor de verdoemden. Wees nu bekommerd en heb leedwezen over uw zonden, opdat gij in de dag van het oordeel
zonder angst moogt zijn met de gelukzaligen. Want dan zullen de rechtvaardigen met grote vrijmoedigheid zich
verheffen over hen, die hen hier ten onrechte benauwd en verdrukt hebben (1). Dan zal hij recht staan om te
oordelen, die zich hier ootmoedig onderwerpt aan de oordelen der mensen. Dan zal de arme en ootmoedige een
grootvertrouwen hebben, en de hovaardige zal van alle kanten met vrees bevangen
zijn.
5. Dan zal blijken, dat hij hier zeer wijs is geweest, die om Christus heeft leren dwaas en
veracht te zijn. Dan zal het lijden, dat men geduldig zal hebben verdragen, verheugen, en alle boosheid zal
de mond sluiten (2). Dan zullen alle godvrezenden zich verblijden, en de goddeloze zal in droefheid
gedompeld zijn. Dan zal het getuchtigde lichaam zich meer verheugen dan indien het in de weelde ware
gekoesterd geweest. Dan zal het grove kleed schitteren, en het fijne kleed zal duister worden. Dan zal een
arm hutteke meer geprezen worden dan een van goud glinsterend paleis. Dan zal het standvastig geduld meer
helpen dan de macht van geheel de wereld. Dan zal de eenvoudige gehoorzaamheid meer geprezen worden dan alle
aardse arglistigheid.
6. Dan zal een zuiver en goed geweten meer blijdschap geven dan hoge geleerdheid. Dan zal de
versmading der rijkdommen zwaarder wegen dan al de schatten der aarde. Dan zult gij meer troost smaken om
een godvruchtig gebed, dan om een kostelijke maaltijd. Dan zult gij blijder zijn over een welbewaard
stilzwijgen, dan over lange gesprekken. Dan zullen de heilige werken van meerder waarde zijn, dan schone
woorden. Dan zal een streng leven en harde boete meer behagen dan alle wereldse vermaken. Leer nu in ‘t
kleine lijden, opdat gij dan van het zwaardere bevrijd moogt zijn. Beproef eerst hier wat gij namaal zult
kunnen lijden. Kunt gij nu zo weinig verdragen, hoe zult gij dan de eeuwige pijnen kunnen uitstaan? Indien
een matig lijden u hier zo ongeduldig maakt, wat zal de hel dan doen? Zie, gij kunt geen twee vreugden
genieten: hier in de wereld uw vermaakt nemen, en daarna met Christus
heersen.
7. Indien gij tot op de huidige dag toe in alle eer en weelde geleefd hadt, wat zou dit alles
u baten, indien gij nu op staande voet moest sterven? Alles is dus ijdelheid, behalve God beminnen en Hem
alleen dienen. Want die God uit ganser harte bemint, vreest noch dood, noch pijn, noch oordeel, noch
hel; wijl de volmaakte liefde veiliger toegang geeft tot God. Maar het
is geen wonder, dat hij, die nog vermaak schept in de zonde, de dood en het oordeel vreest. Het is echter
goed, indien de liefde Gods u nog van de zonden niet wederhoudt, dat de
vrees der hel u beteugele. Doch, die de vrees Gods weinig acht, kan niet lang in het goed volharden, maar
hij zal welhaast in de strikken van de duivel vallen.
1) Wijsh. 5:
1
2) P. CVI:
42
Hoofdstuk
25
Over de ijverige verbetering van ons
leven
1. Waak en wees naarstig in de dienst van God, en denk dikwijls: waarom zijt gij hier gekomen en hebt gij de wereld verlaten? Is het niet om voor God te
leven en een geestelijk mens te worden? Wees dus vurig om vooruitgang te doen, want gij zult haast het loon
van uw arbeid ontvangen: en dan zal er noch vrees, noch droefheid in uw
uiterste meer zijn. Gij zult nu een weinig arbeiden, en daarvoor zult gij een grote rust, ja een eeuwige
vreugde genieten (1). Indien gij getrouw en naarstig in het goed blijft, zal God ongetwijfeld getrouw en
overvloedig zijn in u te lonen. Gij moet altijd hopen en vast betrouwen, dat gij de zegepalm zult
bekomen; maar gij moogt u niet voor verzekerd houden, ten einde niet
lauw en uitgelaten te worden.
2. Zeker persoon, die dikwijls tussen vrees en hoop dobberde, was eens, door weemoed
overwonnen, naar de kerk gegaan. Daar knielde hij voor een altaar om te bidden, en herhaalde bij zichzelf
deze woorden: Ach, zo ik wist dat ik zou volharden tot het einde toe!
En terstond hoorde hij inwendig dit antwoord van God: Ware het dat gij
dit wist, wat zoudt gij willen doen? Doe nu wat gij dan zoudt doen, en gij zult ten volle gerust zijn. En
terstond getroost en gesterkt, gaf hij zich geheel over aan de wil van God, en de angstige twijfel hield op.
Hij was daarna niet meer nieuwsgierig om te onderzoeken wat hem zou overkomen; maar hij legde zich meer toe om de wil van God te kennen en wat het volmaaktste was in
zijn ogen (2), om alle goed werk wel te beginnen en te voltrekken.
3. Hoop in de Heer en doe het goed, zegt de Profeet, en gij zult de aarde in vrede bewonen en
gevoed worden met haar rijkdommen (3). Iets wat vele mensen wederhoudt om vooruitgang te doen, en zich
volijverig te beteren, is de vrees voor de inspanning of de moeite van de strijd. Inderdaad, zij gaan het
meest vooruit in de deugd, die kloekmoediger trachten te overwinnen wat hun het tegenstrijdigste valt en het
zwaarste. Want daarin maakt de mens grote vorderingen en verdient meerdere genade bij God, waarin hij
zichzelf meer overwint en zijn geest versterft.
4. Maar alle mensen hebben niet evenveel te overwinnen en te versterven. Niettemin zal
iemand, die oprecht ijverig is, meer toenemen in deugden, al hadde hij meer driften, dan een ander die meer
geregeld leeft maar niet zo vurig is voor de deugd. Twee dingen helpen bijzonder voor gedurige beterschap,
te weten: zich met geweld onttrekken aan iets waartoe de natuur
verkeerd genegen is; en vlijtig die deugd betrachten, die wij
allermeest nodig hebben. Zorg ook die dingen bijzonder te vermijden en te overwinnen, die u in anderen meest
mishagen.
5. Behartig vooral de vooruitgang; wanneer gij goede
voorbeelden ziet of hoort, wees daartoe opgewekt om die na te volgen. Maar indien gij iets berispelijks
opmerkt, wacht u dat gij hetzelfde bedrijft, of hebt gij het ooit gedaan, tracht u terstond daarin te
verbeteren. Gelijk uw oog op anderen in acht neemt, zo nemen ook anderen acht op u. O hoe vertroostend en
hoe zoet is het ijverige en godvruchtige broeders te zien, vurige getrouwe onderhouders van hun regel. Maar
hoe droevig en pijnlijk valt het, zulken te zien, die ongeregeld leven, en die de taak niet uitvoeren
waartoe zij geroepen zijn? O hoe nadelig is het de plichten van zijn roep te veronachtzamen, en zich bezig
te houden met het niet opgelegde.
6. Herinner u de hemelse levenstaak en stel u het beeld van de Gekruisigde Jezus voor. Gij
moogt met reden beschaamd worden, bij de aanblik van Jezus’ leven, wijl gij tot nog toe zo weinig gedaan
hebt om aan hem gelijkvormig te worden, ofschoon gij voorlang in de weg des Heren getreden zijt. Een
kloosterling, die zich ernstig en godvruchtig oefent op het allerheiligst leven en lijden des Heren, zal
daar overvloedig in vinden alles wat hem nuttig en noodzakelijk is, en hij behoeft buiten Jezus niets beter
te zoeken. O, indien de gekruisigde Jezus in ons hart kwam, hoe spoedig zouden wij gans volleerd
zijn!
7. Een ijverig kloosterling neemt wèl aan al wat hem bevolen wordt, en draagt het gewillig.
Maar een lauw en zorgeloos kloosterling heeft lijden op lijden, en voelt van alle kanten benauwdheid;
want de inwendige troost ontbreekt hem, en de uitwendige te zoeken wordt hem
verhinderd. Een kloosterling die buiten zijn regel leeft, is in gevaar van diep te vallen. Wie de vrijheid
en gemakken zoekt, zal altijd in het nauw zijn: Want het een of het
ander zal hem mishagen.
8. Hoe doen zoveel andere kloosterlingen, die zeer nauw gebonden zijn door de kloostertucht?
Zij gaan zelden uit, zij leven afgescheiden, zij worden armoedig gevoed en grof gekleed;
zij arbeidden veel, spreken weinig, waken laat, staan vroeg op, bidden
lang, lezen veel, en onderhouden in alles nauwkeurig de regel. Zie de Karthuizers, de Cisterciënsers, en
meer andere monniken, zo mannen als vrouwen, hoe zij alle nachten opstaan om God lof te zingen. Het zou
daarom voor u schandelijk zijn, indien gij in een zo heilige tijd, wanneer zulk een schaar van
kloosterlingen God beginnen te loven, moest luieren.
9. O, hadden wij toch niets anders te doen, dan God onze Heer met hart en mond te loven! O,
moesten wij toch nooit eten, drinken of slapen; maar mochten wij God
onophoudelijk danken, en ons alleen met geestelijke oefeningen bezig houden, dan zouden wij veel gelukkiger
wezen dan wij nu zijn, nu wij genoodzaakt zijn het lichaam in al zijn behoeften te dienen. Och, bestonden
die noodzakelijkheden niet, maar alleen de geestelijke zielsverkwikkingen, die wij, helaas! nu maar zelden
smaken.
10. Als een mens zover gekomen is, dat hij bij geen schepsel zijn troost zoekt, dan begint hij
God eerst volkomen te smaken, en dan zal hij ook wel tevreden zijn met alles wat er gebeuren zal. Dan zal
hij zich met iets groots niet verblijden, noch met iets kleins zich bedroeven, maar hij beveelt zichzelf
gans en vol betrouwen aan God, die hem alles in alles is, voor wie niets verloren gaat of sterft, maar voor
wie alles leeft en zonder uitstel gehoorzaamt.
11. Denk altijd op uw einde en dat de verloren tijd niet zal wederkeren. Zonder zorg en
naarstigheid zult gij nooit deugden bekomen. Wanneer gij begint te verflauwen, dan zal ook de kwelling
beginnen; maar volhardt gij in de vurigheid, zo zult gij grote vrede
vinden, en zal de arbeid u minder zwaar vallen door de genade Gods en de liefde tot de deugd. Een vurig en
naarstig mens is tot alles bereid. Het is zwaarder moeite aan de zonden en de driften te wederstaan, dan in
het zweet van het aanschijn te werken. Wie kleine gebreken niet vermijdt, zal langzamerhand in grotere
vallen (4). Gij zult ‘s avonds altijd blijdschap gevoelen, als gij de dag wèl hebt doorgebracht. Waak over
uzelf, wek uzelf op, vermaan uzelf, en hoe het ook met anderen sta, verzuim nooit uzelf. Hoe meer geweld gij
uzelf aandoet, des te grotere vooruitgang zult gij doen in de deugd.
1) Eccl. 51: 31 2) Rom. 12: 2 3) Psalm 36: 3 4) Eccl. 19
Boek
II
Inhoud
1. Over het
inwendig gesprek met God
2. Over
nederige onderwerping
3. Over de
vreedzame mens
4. Over de
reinheid des harten en de eenvoudige mening
5. Over het
letten op zichzelf
6. Over de
vreugde van een goed geweten
7. Over de
liefde tot Jezus boven alles
8. Over de
gemeenzame vriendschap met Jezus
9. Over het
derven van alle troost
10. Over de
dankbaarheid voor Gods genade
11. Over het
klein getal der minnaars van Jezus’ kruis
12. Over de
koninklijke weg van het heilig kruis
Hoofdstuk
1
Over het inwendig gesprek met
God
1. Het rijk Gods in binnen u (1), zegt de Heer. Bekeer u uit geheel uw hart tot God, en laat
deze ellendige wereld varen, en uw ziel zal rust vinden. Leer het uitwendige versmaden, en u op het
inwendige begeven; en gij zult het rijk Gods in u zien komen. Want het
rijk Gods is vrede en blijdschap in de Heilige geest (2), en dat wordt aan goddelozen niet gegeven. Christus
zal tot u komen, en u zijn troost openbaren, indien gij Hem een waardige woonstede in uw binnenste bereidt.
Al zijn glorie en schoonheid is inwendig (3), en in het binnenste heeft Hij zijn behagen. Een inwendige mens
bezoekt Hij dikwijls; Hij spreekt hem liefelijk aan, Hij troost hem
minnelijk, Hij geeft hem overvloedige vrede, en Hij houdt een gemeenzaamheid die alle verbazing
wekt.
2. Moed dan, getrouwe ziel, bereid uw
hart voor die Bruidegom, opdat Hij zich gewaardige tot u te komen en in u te wonen. Want Hij spreekt
aldus: Indien iemand Mij liefheeft, hij zal mijn woorden onderhouden,
en Wij zullen tot hem naderen, en bij hem ons verblijf vestigen (4). Maak dan in uw hart plaats voor
Christus, en sluit alle andere dingen buiten. Als gij Christus bezit, dan zult gij rijk zijn;
Hij alleen zal u genoeg wezen. Hij zal u van alles voorzien, en getrouw uw
belangen behartigen zodat gij niet nodig hebt op mensen uw hoop te stellen. Want de mensen veranderen licht,
en feilen eensklaps: maar Christus blijft in eeuwigheid (5), en Hij
helpt ons standvastig tot het einde toe.
3. Daar is niet veel staat te maken op een broos en sterfelijk mens, al moge hij u veel goed
doen en uw vriend zijn. Ook moogt gij u niet zeer bedroeven als hij somtijds u wederstreeft en tegenspreekt.
Die heden met u zijn, kunnen morgen tegen u opstaan, en omgekeerd, want zij draaien gelijk de wind. Stel
gans uw betrouwen op God, en dat Hij alleen uw vrees en uw liefde zij. Hij zal voor u optreden, en zal alles
ten beste schikken. Gij hebt hier geen blijvende woonstede (6): waar
gij zijt, zijt gij een pelgrim en een vreemdeling, en gij zult geen rust smaken, tenzij gij innig met
Christus verenigd zijt.
4. Wat wilt gij hier rondzoeken, aangezien het hier de plaats van uw rust niet is? In de
hemel moet uw woning zijn, en als in ‘t voorbijgaan, moet gij al het aardse beschouwen. Alles gaat voorbij,
en gij daarmede desgelijks. Zie toe dat gij u daaraan niet hecht; om
niet gevangen te zijn en verloren te gaan. Uw gedachten zullen bij de Allerhoogste zijn (7),
en uw gebed moet zonder ophouden tot Jezus Christus opklimmen. Indien het
hemelse te verheven is voor uw gedachten, berust dan in het lijden van Christus, en woont gaarne in zijn
heilige wonden. Want zo gij met liefde uw toevlucht neemt tot de wonden en dierbare wondtekenen van Jezus,
zo zult gij een grote versterking in het lijden gevoelen; gij zult u
weinig bekommeren om de verachting der mensen en al hun lasterwoorden licht
verdragen.
5. Christus ook werd op de wereld door de mensen versmaad, en in zijn grootste nood hebben
zijn vrienden en bekenden Hem in de schande gelaten. Christus heeft willen lijden en misacht worden en gij
durft over iets te klagen! Christus heeft vijanden en kwaadsprekers gehad, en gij wilt allen tot vrienden en
weldoeners hebben? Waarvoor zal uw geduld dan gekroond worden, indien u geen tegenspoed overkomt? Indien gij
geen tegenkanting wilt lijden, hoe zult gij dan de vriend van Christus
zijn?
Lijd met Christus en om Christus, indien
gij met Christus wilt heersen.
6. Indien gij eens volkomen in Jezus’ binnenste waart doorgedrongen, en een weinig van zijn
brandende liefde gesmaakt hadt, dan zoudt gij u om eigen gemak of ongemak weinig bekreunen, maar gij zoudt u
eerder verblijden als gij versmaad wordt, want de liefde van Jezus leert de mens zichzelf versmaden. Hij,
die Jezus en de waarheid bemint, die oprecht het inwendige leven beoefent en vrij is van alle ongeregelde
neigingen, mag zich met vrijheid des harten tot God keren, in de geest zich verheffen boven zichzelf, en in
genieting rusten.
7. Hij, die alles acht zoals het werkelijk is, en niet zoals het door de mensen geacht wordt,
is waarlijk wijs, en meer onderricht door God dan door de mensen. Wie in zijn binnenste weet te leven, en
van de uitwendige dingen weinig werk maakt, die zoekt naar geen plaats of wacht naar geen bepaalde tijden om
zijn godsvrucht te oefenen. Een inwendig mens keert spoedig tot zichzelf terug; omdat hij zich nooit geheel uitstort naar buiten. De uitwendige arbeid of bezigheid, die
soms nodig is, hindert hem niet; maar gelijk de dingen voorvallen,
schikt hij zich daarnaar. Wie van binnen wel gesteld is en geregeld, bekommert zich niet om zonderlinge of
ergerlijke daden van mensen. De mens wordt zoveel belemmerd en verstrooid, als hij zich de uitwendige dingen
aantrekt.
8. Indien gij van binnen wel en gans gezuiverd waart, zou alles u ten goede strekken, en u
tot voordeel dienen. Daarom mishagen en storen u dikwijls vele dingen, omdat gij aan uzelf niet wel
afgestorven zijt, en niet geheel onthecht aan het aardse. Niets besmet en belemmert zozeer het hart van de
mens, als ongeregelde liefde tot de schepselen. Indien gij de uitwendige troost niet zoekt, zo zult gij het
hemelse kunnen beschouwen en dikwijls de inwendige blijdschap
gevoelen.
1) Luc. 17: 21 2) Rom. 14: 17 3) Ps. 44: 14 4) Joann. 14: 23 5) Joann. 12: 34 6) Hebr. 13: 14 7) Wijsh. 5:
16
Hoofdstuk
2
Over nederige
onderwerping
1. Acht niet veel wie voor u of tegen u is; maar maak
met zorg dat God met u zij in alles wat gij doet. Bewaar een goed geweten, en God zal u wel verdedigen. Want
die God helpen wil, die kan niemands boosaardigheid hinderen. Indien gij kunt lijden en zwijgen, zo zult gij
zonder twijfel de hulp van God gewaar worden. Hij kent de tijd en de wijze om u te verlossen;
daarom moet gij u op Hem verlaten. Het is Gods werk hulp te bieden, en van
alle beschaamdheid te bevrijden. Het is dikwijls zeer dienstig, om onze ootmoed te vermeerderen, dat andere
mensen onze gebreken kennen en berispen.
2. Als de mens zich verootmoedigt om zijn gebreken, dan stelt hij anderen gemakkelijk
tevreden, en hij verzoent zich licht met wie op hem vergramd waren. God bewaart en verlost altijd de
ootmoedige; Hij bemint en vertroost de ootmoedige;
Hij neige zich tot de ootmoedige; aan
de ootmoedige geeft Hij grote genade, en na zijn verdrukking verheft Hij hem tot de glorie. Aan de
ootmoedige openbaart Hij zijn geheimen, en trekt en lokt hem minzaam. Een ootmoedig mens bewaart de
vrede, als hem enige beschaming wordt aangedaan, want hij steunt op God, en niet op de
wereld.
Hoofdstuk
3
Over de vreedzame
mens
1. Stel uzelf eerst in vrede, en dan zult gij anderen ook tot vrede kunnen stichten. Een
vredelievend mens doet meer goed dan een groot geleerde. Een driftig mens maakt van het goed kwaad en
gelooft licht aan het kwaad. Een goed, vreedzaam mens keert alles ten goede. Die wel tevreden is, heeft van
niemand kwaad vermoeden, maar die slecht tevreden en ontroerd is, wordt door veel kwade vermoedens
gekweld; hij is niet gerust, en hij verontrust anderen. Hij zegt
dikwijls wat hij niet moest zeggen, en laat achterwege wat hij zou moeten doen. Hij let op wat de anderen
verplicht zijn te doen, en hij verzuimt zijn eigen plicht. Heb dan eerst ijver voor uzelf, en dan zult gij
met reden ook uw naaste tot ijver kunnen aansporen.
2. Gij weet uw eigen daden wel te verschonen, en de verontschuldigingen van anderen wilt gij
niet aannemen. Het ware rechtvaardiger uzelf te beschuldigen, en uw broeder te verschonen. Wilt gij dat men
uw gebreken verdrage, verdraag die van anderen. Zie hoe ver gij nog van de ware liefde en ootmoed verwijderd
zijt, waardoor men zich nooit vergramt of nooit verontwaardigd is dan tegen zichzelf. Het is geen grote
deugd, met goede en zachtmoedige mensen vreedzaam te leven, dit behaagt natuurlijk aan alle mensen, want
iedereen is gaarne in vrede en bemint ook het meest die met hem overeenkomen. Maar in vrede kunnen leven met
stuurse, boosaardige en ongeregelde mensen, of met die, welke ons dwarsbomen, dit is een grote gave en een
grootmoedig en hoogst loffelijk bedrijf.
3. Daar zijn er, die met zichzelf, en ook met anderen in vrede zijn. En daar zijn er, die
zelf geen vrede hebben, en die anderen in vrede niet laten; zij zijn
voor de anderen lastig, maar nog veel lastiger voor zichzelf. En daar zijn er, die zichzelf in vrede
behouden, en ook anderen trachten tot vrede terug te brengen. Nochtans geheel onze vrede, in dit ellendig
leven, bestaat in meer ootmoedige lijdzaamheid dan in ‘t niet gevoelen van tegenheden. Wie best weet te
lijden, zal de meeste vrede hebben; hij is overwinnaar van zichzelf,
hij is meester van de wereld, vriend van Jezus Christus en erfgenaam van de
hemel.
Hoofdstuk
4
Over de reinheid van het hart en de
eenvoudige mening
1. Door twee vleugelen wordt de mens boven het aardse geheven, te weten:
door de eenvoud en door de zuiverheid. Eenvoud moet in de mening zijn, en
zuiverheid in het hart. De eenvoud zoekt God, de zuiverheid vindt Hem en smaakt Hem. Geen goed werk zal u
zwaar vallen, indien gij inwendig vrij zijt van ongeregelde neiging. Indien gij niets anders dan Gods
welbehagen en het voordeel van de naaste beoogt en zoekt, zo zult gij de inwendige vrijheid genieten.
Indien uw hart oprecht was, dan zou elk schepsel tot een spiegel van het leven dienen, en tot een boek
van heilige lering. Daar is geen schepsel, hoe klein en gering ook, of het vertoont in zich de goedheid
Gods.
2. Indien gij van binnen goed en zuiver waart, dan zoudt gij alle dingen zonder beletsel
zien, en wel begrijpen. Een zuiver hart doordingt de hemel en de hel. Zo iemand van binnen gesteld is, zo
oordeelt hij over het uitwendige. Is er ergens blijdschap in de wereld, zo geniet ze een mens die zuiver van
hart is. En is er ergens benauwdheid of zwarigheid, zo gevoelt een kwaad geweten ze allermeest. Gelijk het
ijzer, in het vuur geworpen, de roest verliest, en wit gloeiend wordt, zo legt een mens, die zich tot God
bekeert, alle traagheid af, en verandert in een nieuwe mens.
3. Als een mens begint te verflauwen, dan vreest hij een weinig inspanning, en hij ontvangt
gaarne uitwendige troost. Maar als hij zich volkomen begint te overwinnen, en vroom in de weg des Heren te
wandelen, dan acht hij licht, wat hem tevoren zwaar scheen.
Hoofdstuk
5
Over het letten op
zichzelf
1. Wij mogen onszelf niet teveel betrouwen, want dikwijls ontbreekt ons genade en verstand.
Een zwak lichtje maar schemert in ons, en dat verliezen wij gauw door onachtzaamheid. Wij merken het
dikwijls niet, dat wij geestelijkerwijze zo blind zijn. Wij doen dikwijls kwaad, en nog erger, wij willen
ons verontschuldigen. Wij worden somtijds door onze driften gedreven, en wij menen dat het ijver is. Wij
berispen kleine gebreken in anderen, en onze grovere misdrijven zien wij over ‘t hoofd. Wij gevoelen en
wegen heel vlug wat wij van anderen te lijden hebben; maar wat anderen
van ons uitstaan, merken wij niet. Wie goed en zuiver zijn eigen leven oordeelde, zou ondervinden, dat hij
geen reden heeft om een ander streng te oordelen.
2. Een inwendig mens stelt de zorg van zichzelf voor alle andere zorgen;
en die op zichzelf naarstig let, zal licht over anderen zwijgen. Nooit zult
gij tot innige godsvrucht geraken, tenzij gij over de anderen stilzwijgt, en bijzonder op uzelf let.
Indien gij God en uzelf alleen voor ogen hebt, zo zal ‘t u weinig ontstellen, wat gij uitwendig ziet.
Waar zijt gij, als gij bij uzelf niet zijt? En als gij alles doorlopen en uzelf verwaarloosd hebt, wat
hebt gij dan gewonnen? Indien gij de vrede en de ware ingetogenheid moet hebben, zo moet gij alle dingen
ter zijde stellen, en alleen u met uzelf bekommeren.
3. Gij zult derhalve grote vorderingen maken, indien gij u van alle tijdelijke zorg ontheven
houdt. Gij zult sterk achteruitgaan, indien gij iets tijdelijks op prijs stelt. Houd niets voor groot, voor
verheven, voor aangenaam, dan God alleen, of wat God aangaat. Acht al de troost, die u van enig schepsel
moge overkomen, als iets ijdels. Een Godbeminnende ziel versmaadt al wat beneden God is. God alleen, die
eeuwig en oneindig is, en die alles vervult, is de troost der zielen en de ware blijdschap des
harten.
Hoofdstuk
6
Over de vreugde van een goed
geweten
1. De roem van de goed mens is het getuigenis van een goed geweten. Heb een goed geweten, en
gij zult immer blijde zijn. Een goed geweten kan zeer veel verdragen en is welgemoed in ‘t midden van
tegenspoed; maar een kwaad geweten is altoos in vrees en in onrust. Gij
zult zacht rusten, indien uw hart u niets te verwijten heeft. Wil u niet verblijden tenzij gij wel gedaan
hebt. Boze mensen genieten nooit ware vreugde noch gevoelen de inwendige vrede; want er is geen vrede voor de goddelozen, zegt de Heer. (1). Al zeggen zij
somtijds: Zie, wij zijn gerust, geen kwaad zal ons overkomen;
en wie zou ons durven hinderen? (2).
Geloof hun niet: want de gramschap Gods zal onverwachts oprijzen, en
dan zullen hun werken worden te niet gebracht, en hun plannen ten ronde gaan
(3).
2. Juichen bij het lijden, valt niet zwaar aan wie God bemint: want zich alzo verheugen, is zich verblijden in het kruis des Heren (4). De roem is kort,
welke door de mensen gegeven en ontvangen wordt. De roem van de wereld is altijd gepaard met droefheid. Maar
de roem der braven is in hun geweten, en niet in de mond der mensen. De blijdschap der rechtvaardigen is uit
God en in God, en hun vreugde vloeit voort uit de waarheid. Wie de ware en eeuwige vreugde ontvangt, acht de
tijdelijke niet. En die de tijdelijke roem najaagt, of niet uit ter harte versmaad, wees verzekerd dat hij
de eeuwige niet genoeg bemint. Hij geniet een grote rust des harten, die zich aan lof of blaam niet gelegen
laat.
3. Hij die een zuiver geweten heeft, zal zeer licht tevreden zijn. Gij zijt niet heiliger als
gij geprezen wordt, noch slechter, als gij veracht wordt. Wat gij zijt, dat zijt gij; en gij kunt door het zeggen van anderen niet groter worden, dan gij zijt naar Gods
getuigenis. Indien gij bemerkt wat gij bij uzelf van binnen zijt, dan zult gij er u niet om bekreunen wat de
mensen van u zeggen. De mens ziet op het uiterlijk, maar God ziet tot in het hart (5). De mens aanziet de
werken, maar God onderzoekt de mening. Altijd wèl doen, en weinig van zichzelf houden, dat is het kenmerk
van een ootmoedige ziel. Geen troost van enig schepsel zoeken, is het teken van grote zuiverheid en van
zielsvertrouwen.
4. Wie van buiten nergens een gunstig getuigenis voor zich zoekt, toont dat hij zichzelf
geheel aan God heeft overgegeven. Want, gelijk Paulus zegt, niet hij,
die zichzelf prijst, is lofwaardig, maar die door God geprezen wordt (6). Met God inwendig verkeren, en aan
niets uitwendigs gehecht zijn, is de gesteltenis van een geestelijke
mens.
(1) Is. 68: 22 en 67: 22
(2) Jeruzalem. 5: 12 (3) Ps. 145:
4 (4)Gal. 6: 14 (5)
1 Kon. 16: 7 (6) 2 Kor. 10:
18
Hoofdstuk
7
Over de liefde tot Jezus boven
alles
1. Zalig die begrijpt wat het is Jezus te beminnen, en zichzelf te versmaden om Jezus. Men
moet om die Beminde alles verlaten wat men bemint; want Jezus alleen
wil boven alles bemind worden. De liefde van de schepsels is bedrieglijk en onbestendig:
de liefde van Jezus is getrouw en onvergankelijk. Die aan ‘t schepsel
gehecht is, zal met het broos schepsel vallen: die Jezus aanhangt,
zal onwrikbaar staan voor altijd. Bemin Hem en houd Hem te vriend, die u niet zal verlaten als allen u
afvallen, en die niet zal dulden dat gij in het einde verloren gaat. Hetzij gij het wilt of niet, gij
moet eens van alles scheiden.
2. In leven en dood houd u aan Jezus vast; en beveel u
alleen aan de getrouwheid van Hem, die alleen u helpen kan, als alles u zal verlaten. Uw Beminde is van die
aard, dat Hij met niemand anders uw liefde delen wil: maar Hij wil uw
hart alleen hebben, en daar wil Hij zetelen als koning op zijn eigen troon. Indien gij u wist te ontmaken
van alle schepselen, zo zou Jezus gaarne met u wonen. Gij zult het haast altemaal verloren moeite vinden wat
gij buiten Jezus op mensen laat steunen. Betrouw of steun op geen ander zwaaiend riet, want alle vlees is
als gras, en al zijn glorie zal gelijk de grasbloem te niet gaan (1).
3. Gij zult u haast bedrogen vinden, indien gij alleen let op de uitwendige schijn der
mensen. Indien gij in hen troost en voordeel zoekt, zult gij veelal niets vinden dan schade. Indien gij in
alles Jezus zoekt, zo zult gij zeker Jezus vinden. Maar indien gij uzelf zoekt, dan zult gij ook uzelf
vinden, doch tot uw ondergang. Want een mens, als hij Jezus niet zoekt, is aan zichzelf schadelijker dan
geheel de wereld en al zijn vijanden.
(1) Is. 40:
6
Hoofdstuk
8
Over de gemeenzame vriendschap met
Jezus
1. Als Jezus bij ons aanwezig is, dan gaat alles wel, en niets schijnt er lastig;
maar wanneer Jezus bij ons niet is, dan valt alles hard. Als Jezus binnen ons
niet spreekt, zo is andere troost niets waard; maar als Jezus een enkel
woord binnen ons spreekt, o dan gevoelt men grote troost. Rees Maria-Magdalena niet aanstonds op van de
plaats waar zij weende, als haar zuster Martha haar zeide: De Meester
is daar, en Hij roept u? (1) O zalig uur wanneer Jezus ons roept uit de tranen tot de blijdschap van de
geest! Hoe dor en gevoelloos zijt gij zonder Jezus! Hoe dwaas en hoe ijdel, wanneer gij iets zoekt buiten
Jezus! Is dit geen groter verlies, dan indien gij de gehele wereld
verloort?
2. Wat kan de wereld u baten zonder Jezus? Zonder Jezus te blijven is een nare hel;
en met Jezus te zijn, is een zoet paradijs. Als Jezus met u is kan geen vijand
u deren. Wie Jezus vindt, vindt een goede schat, ja een goed boven alle goed. En wie Jezus verliest,
verliest veel en zeer veel, ja meer dan geheel de wereld. Hij is arm, die zonder Jezus leeft, en overvloedig
rijk, die wèl staat met Jezus.
3. Het is een grote kunde met Jezus wèl weten te verkeren; en het is een grote voorzichtigheid, Jezus te bewaren. Wees ootmoedig en vreedzaam, en
Jezus zal met u zijn. Wees godvruchtig en stil, en Jezus zal met u blijven. Gij kunt Jezus licht
verwijderen, en zijn genade verliezen, als gij u naar ‘t uitwendige wilt keren. En als gij Hem verjaagt en
verloren hebt, tot wie zult gij dan uw toevlucht nemen en wie zult gij dan tot vriend kiezen? Zonder vriend
kunt gij niet gelukkig leven; en indien Jezus voor u niet de beste
vriend is, zo zult gij uzelf te verdrietig en verlaten vinden. Gij handelt dan zeer dwaas, indien gij in
iemand anders uw betrouwen stelt of uw blijdschap. Het zou beter zijn, de gehele wereld tegen u te hebben,
dan in ongenade met Jezus te zijn. Dat dan, onder allen die u dierbaar zijn, Jezus alleen uw bijzondere
vriend en welbeminde zij.
4. Bemin alle mensen om Jezus, maar Jezus om Hemzelf. Jezus Christus alleen moet met voorkeur
bemind worden, want Hij alleen is een goede en getrouwe vriend onder alle vrienden. Om Hem, en in Hem moet
gij vrienden en vijanden liefhebben, en gij moet hem voor hen allen bidden, opdat allen Hem mogen kennen en
beminnen. Begeer nooit boven anderen geprezen of bemind te worden; want
dat komt God alleen toe, die zijns gelijke niet heeft. Begeer ook niet, dat iemand in zijn hart met u
bekommerd zij, en wees gijzelf niet met iemands liefde ingenomen; maar
(wens) dat Jezus in u en in alle mensen goed leve.
5. Wees zuiver en vrij van hart, zonder gehechtheid aan enig schepsel. Gij moet van alles
ontbloot zijn, en een zuiver hart tot God opdragen, indien gij wilt rusten en smaken hoe zoet de Heer is
(2). En voorwaar gij zult daartoe niet geraken, tenzij zijn genade u voorkome en u meetrekke, zodat gij, van
alles ontmaakt en afgescheiden met Hem alleen verenigd zijt. Want als de genade Gods tot de mens komt, wordt
hij tot alles in staat gesteld, en wanneer zij zich van hem verwijdert, dan wordt hij arm en krank, en als
geheel overgelaten aan geselslagen. Doch zelfs in deze staat moet hij niet kleinmoedig zijn of
wanhopen; maar hij moet met gelatenheid zich schikken naar de wil van
God en alles wat hem overkomt verdragen ter ere van Jezus Christus; want op de winter volgt de zomer, na de nacht komt de dag terug, en na het onweer
zonneschijn.
1) Joh. 11: 28 2) Ps. 33: 9
Hoofdstuk
9
Over het derven van alle
troost
1. Het is niet zwaar de menselijke troost te verachten, zolang de goddelijke troost ons
bijblijft. Maar het is groot ja zeer groot, zowel de goddelijke als de menselijke troost te kunnen derven,
en ter ere Gods gaarne de ballingschap des harten te willen verduren, en zichzelf in niets te zoeken of zijn
eigen verdiensten niet te achten. Is het iets bijzonders dat gij vrolijk en godsdienstig zijt, als de genade
in u komt? Die stond is begeerbaar voor allen. Hij reist zeer makkelijk, die de genade Gods voortdraagt. En
het is ook geen wonder, dat hij geen last gevoelt, die door de Almogende gedragen wordt, en geleid door de
opperste Leidsman.
2. Wij hebben gaarne iets tot troost; en de mens ontdoet
zich bezwaarlijk van zichzelf. De heilige martelaar Laurentius heeft de wereld overwonnen, alsmede de
gehechtheid aan zijn opperpriester, omdat hij alles, wat in de wereld vermakelijk scheen, versmaad
heeft; ja zelfs verdroeg hij gelaten, dat Gods opperpriester Sixtus,
die hij zo beminde, van hem weggenomen werd. Hij heeft dan de liefde van de mens overwonnen door de liefde
van de Schepper; en hij heeft de wil van God verkozen boven de
menselijke troost. Leer dan ook een teerbeminde, een boezemvriend verlaten, om de liefde Gods. Bedroef u
niet, wanneer gij door een vriend verlaten wordt, wel wetende dat wij ten laatste allen toch eens moeten
scheiden.
3. De mens moet veel en lang in zijn binnenste strijden, eer hij zich geheel kan overwinnen,
en al zijn genegenheid tot God keren. Zolang de mens op zichzelf steunt, zo is hij licht tot menselijke
troost geneigd. Maar de ware vriend van Christus, en de ijverige betrachter der deugd, acht geen
vertroostingen en zoekt geen zinnelijke zoetigheden, maar veeleer zware oefeningen, en zware arbeid te
lijden voor Christus.
4. Als u dus geestelijke vertroosting door God gegeven wordt, neem die met dankbaarheid
aan; maar bedenk, dat het Gods geschenk is, en niet uw verdienste. Wil
er u niet om verheffen, of u er over verblijden, noch te veel laten voorstaan: maar verootmoedig u te meer over de gift, en wees omzichtiger, en behoedzamer in al uw
werken; want dat uur zal voorbijgaan, en de bekoring zal volgen. Als u
de vertroosting onttrokken wordt, wees daarom niet wanhopig; maar wacht
met ootmoed en geduld het hemels bezoek af; want Hij is machtig om u
nog groter vertroosting te hergeven. Dit is geen nieuws of niets vreemds voor hen, die in de weg des Heren
ervaren zijn; de grootste Heiligen en de Profeten van het Oud Verbond
hebben dikwijls deze afwisseling ondervonden.
5. Daarom sprak een van hen, als hij de troost van de genade gevoelde: "In mijn overvloed heb ik gezegd: ik zal in
eeuwigheid niet wankelen."(1) Maar wat hij in zich ondervond, als hem de genade onttrokken werd, laat hij
volgen in deze woorden: "Gij hebt uw aanschijn van mij afgekeerd, en ik
ben ontroerd geworden"(2). Hij is nochtans niet wanhopig te midden van deze ontsteltenis, maar hij bidt God
des te vuriger, en zegt: "O Heer, tot U zal ik roepen, en ik zal mijn
God smeken" (3). En ten laatste oogst hij de vrucht van zijn gebed, en getuigt dat hij verhoord werd, als
hij zegt: "De Heer heeft geluisterd, en heeft medelijden met mij
gehad; de Heer is mijn Helper geworden"(4). Maar waarin? "Gij hebt,
zegt hij, mijn wenen in blijdschap veranderd, en mij met vreugde omringd" (5). Indien het met grote Heiligen
aldus gegaan is, zo moeten wij, die krank en arm zijn, niet kleinmoedig worden, al is het dat wij nu eens
vurig, en dan weder koud worden; want de geest Gods komt en gaat weg
volgens het welbehagen van zijn wil. Daarom zegt de heilige man Job: "Gij bezoekt de mens van de dageraad af, en eensklaps beproeft Gij hem"
(6).
6. Waar mag ik dan mijn hoop in stellen, of waar mag ik mij dan op verlaten, tenzij alleen op
de grote barmhartigheid Gods, en op de verwachting van de hemelse genade. Want er mogen al goede mensen zijn
en godvruchtige medebroeders, en getrouwe vrienden, heilige boeken, schone verhandelingen of zoete gezangen,
dat alles kan maar weinig helpen en bevallen, wanneer mij de genade verlaten heeft, en ik aan mijn eigen
armoede ben overgelaten. Dus is er geen beter middel dan verduldig te zijn, en mijzelf aan de wil van God
over te geven.
7. Nooit heb ik iemand gevonden, zo godvruchtig en zo ijverig of somtijds ondervond hij
onttrekking van genade, en gevoelde vermindering van vurigheid. Nooit is er een Heilige zo hoog opgetogen en
verlicht geweest, of hij is vroeg of laat met kwelling beproefd geworden. Want hij is onwaardig hoog in
beschouwing opgetogen te worden, die te voren om God niet is beproefd geweest door enig lijden en
zwarigheid. Ook is de bekoring meestal een voorteken dat de troost volgen zal. Want de hemelse vertroosting
wordt beloofd aan die door de bekoring beproefd zijn. "Wie overwint, zegt de Heer, zal Ik te eten geven van de boom des levens"
(7).
8. En de goddelijke troost wordt gegeven, opdat de mens sterker worde om alle zwarigheden te
verdragen. En dan volgt weder de bekoring, opdat hij zich niet verheffe over het goed. De duivel slaapt
niet, en ons vlees is ook niet verstorven: daarom houd niet op u tot de
strijd te bereiden; want ter rechter en ter linkerzijde hebt gij vele
vijanden, die nimmer rusten.
(1)
Ps. 29: 7 (2) Ps. 29: 8 (3) Ps. 29: 9 (4) Ps. 29: 11 (5) Ps. 29: 12 (6) Job 7: 18 (7) Apoc. 2:
7
Hoofdstuk
10
Over de dankbaarheid van Gods
genade
1. Waartoe zoekt gij rust, daar gij geboren zijt om te arbeiden? (1). Bereid u meer tot
lijden dan tot verblijden, meer om uw kruis te dragen, dan om vreugde te genieten. Wie van de wereldse
mensen zelfs zou niet gaarne vertroostingen en geestelijke blijdschap aannemen, indien hij ze altoos kon
bekomen? Want de geestelijke vertroostingen gaan alle wereldse genoegens en lichamelijke lusten verre te
boven. Al de genoegens dezer wereld zijn of ijdel of schandelijk: de
geestelijke genietingen zijn alleen eerbaar en vermakelijk, als voortkomende uit de deugd, en door God
ingestort in de zuivere harten. Maar niemand kan de goddelijke vertroostingen altijd naar eigen behagen
genieten, want de tijd der bekoring houdt nooit lang op.
2. Doch een valse vrijheid van geweten en een groot zelfbetrouwen beletten zeer de hemelse
bezoeken.
God doet wèldaad, met de genade der
vertroosting de schenken; maar de mens handelt kwalijk, als hij Hem
niet alles wedergeeft door de dankzegging. En, daarom vloeien de gaven der genaden in ons niet wijl wij
jegens God ondankbaar zijn en wij niet alles wedersturen tot de Bronwel. Want hij verdient altijd nieuwe
genaden, die naar de eis dankbaar is; maar God ontneemt de hovaardige,
wat hij gewoonlijk aan de ootmoedige geeft.
3. Ik wil de vertroosting niet, die mij de vermorzeling des harten beneemt, en ik begeer geen
beschouwing, die tot hovaardigheid voert. Want niet al het hoge is heilig, en niet al het zoete goed:
alle wensen zijn niet rein en niet al het liefelijke aangenaam aan God. Ik
ontvang gaarne zulke genade, waardoor ik altijd ootmoediger, godvrezender en bereidwilliger word om mijzelf
te verloochenen. Die onderwezen is door de genade, en dikwijls gekastijd door de onttrekking van die genade,
zal zichzelf niets goeds durven toeschrijven; maar zal zich eerder
naakt en arm belijden. Geef God wat God toekomt (2), en schrijf aan uzelf toe wat het uwe is:
bedank God voor zijn genaden, en belijd dat gij aan uzelf alleen de zonden en
billijke straf voor de zonde te wijten hebt.
4. Stel u altijd op de laatste plaats (3), en de eerste zal u gegeven worden;
want het verhevenste kan zonder het nederigste niet bestaan. De grootste
heiligen bij onze Heer staan allerlaagst bij zichzelf; hoe meerder zij
verheven worden, hoe nederiger zij van hart zijn. Daar zij vervuld zijn met de waarheid en hemelse glorie,
zo zoeken zij geen ijdele glorie. Daar zij in God wel gevestigd zijn, kunnen zij geenszins hovaardig zijn.
Wijl zij aal goed aan God toeschrijven, zo begeren zij niet geprezen te worden van elkander, maar zij zoeken
alleen de glorie, die van God komt (4). En zij begeren en wensen, dat God in hen en in alle heiligen boven
al geprezen worde, en altoos streven zij naar dit.
5. Wees God dan dankbaar voor de minste weldaad, en gij zult waardig worden grotere gaven te
ontvangen. Houd de allerminste genade voor zeer groot, en het meer onaanzienlijke voor een bijzondere
weldaad. Als men de waardigheid van de Gever inziet, zo zal geen gave slecht of klein wezen;
want het kan niet klein wezen, wat door de Allerhoogste gegeven wordt. Ja, al
is het dat Hij ons straffen en plagen overzendt, wij moeten die in dank aannemen; want al wat Hij ons laat overkomen, is dienstig voor onze zaligheid. Wie dan de genade
Gods zoekt te behouden, moet dankbaar zijn voor geschonken genade, verduldig als hem die onttrokken wordt,
bidden, opdat zij wederkome, voorzichtig en ootmoedig zijn, om ze niet te
verliezen.
(1) Job 5: 7 (2) Luk. 14 (3) Luk. 14 (4) Joh. 5: 44
Hoofdstuk
11
Over het klein getal der minnaars van
Jezus’ kruis
1. Velen zijn er die naar het hemels rijk van Jezus verlangen, maar weinigen die zijn kruis
willen dragen. Hij heeft er velen, die zijn vertroosting, maar weinigen die zijn lijden zoeken. Hij vindt er
velen met Hem aan tafel en weinigen, die met Hem willen vasten. Zij willen zich allen met Hem
verblijden; maar weinigen willen voor Hem iets lijden. Velen volgen
Jezus tot het breken van het brood; maar weinigen tot het drinken van
de lijdenskelk. Velen vereren zijn mirakelen, maar weinigen volgen Hem in de smaad van zijn kruis. Velen
hebben Jezus lief, zolang hun geen tegenspoeden overkomen. Velen danken en zegenen Hem, zolang zij enige
vertroosting van Hem ontvangen. Maar als Jezus zich verbergt, en hen een tijdje verlaat, dan vallen zij in
klachten of in grote neerslachtigheid.
2. Maar die Jezus beminnen om Jezus zelf en niet om hun eigen troost, zegenen Hem in alle
lijden en zwarigheid zowel als in de allerzoetste vertroostingen. En al wilde Hij hun nooit troost verlenen,
nog zouden zij Hem altijd willen loven en danken.
3. Ach, hoe krachtig is niet de reine liefde van Jezus, wanneer zij niet gemengd is met
eigenliefde of eigenbelang! Mogen zij, die altijd vertroostingen zoeken, dan niet met recht loonknechten
genoemd worden? Tonen zij niet, die altijd eigenbaat en voordelen in het oog houden, dat zij eerder minnaars
zijn van zichzelf dan van Jezus Christus. Waar zal men iemand vinden, die God om niet wil
dienen?
4. Zelden wordt er iemand zó verstorven gevonden dat hij van alles ontbloot is. Want waar
zult gij iemand vinden, die oprecht arm van geest is, onthecht van alle schepsel? Verre en tot de uiterste
grenzen is deze schat te zoeken (1). Want al gaf iemand al zijn vermogen, dat betekent nog niets. En al deed
hij grote boetvaardigheid, dat is nog onbeduidend. Al is hij ervaren in alle wetenschap, daar is hij niet
veel mede gevorderd. En al bezat hij een grote deugd, en een zeer vurige godsvrucht, nog ontbrak hem
veel: één zaak, die hem hoogst nodig is. En wat is dat? Het is dat hij
alles verlaten hebbende, zichzelf verzake, en niets overhoude van de eigenliefde. En na alles te hebben
gedaan wat hij wist te moeten doen, hij dan nog denke niets gedaan te
hebben.
5. Dat hij weinig achte wat voor groot aangezien zou kunnen worden; maar dat hij oprecht erkenne, dat hij een onnutte knecht is, gelijk de Waarheid zelf
zegt: "Wanneer gij alles gedaan hebt, wat u bevolen is, zo zegt:
wij zijn onnutte knechten (2). Dan zal hij in geestelijke zin arm en naakt
kunnen zijn, en met de profeet mogen zeggen: "Ik ben alleen, en ik ben
arm" (3). Nochtans is er niemand rijker, niemand machtiger, niemand
vrijer dan hij, die zichzelf en alles weet te verzaken, en zich op de laagste plaats kan
stellen.
(1) Prov. 31: 10 (2) Luk. 17: 10 (3) Ps. 24:
16
Hoofdstuk 12
Over de koninklijke weg van het heilig
Kruis
1. Velen schijnt dit een hard woord: Verloochen uzelf,
neem uw kruis op, en volg Jezus (1). Maar het zal veel harder om te horen zijn dit laatste woord:
"Gaat van mij, vervloekten, in het eeuwig vuur"(2). Want die nu gaarne het
woord omtrent het kruis horen en opvolgen, zullen alsdan niet moeten vrezen voor het vonnis der eeuwige
verwerping. Dat kruisteken zal in de lucht verschijnen, wanneer de Heer zal komen om te oordelen. Dan zullen
alle dienaren van het kruis, die zich hier in hun leven aan de gekruisigde hebben gelijkvormig gemaakt, met
groot vertrouwen de rechter treden.
2. Waarom dan vreest gij nu het kruis op te nemen, waarmee men tot het eeuwig rijk komt? In
het kruis ligt zaligheid, in het kruis het leven, in het kruis bescherming tegen de vijanden, in het kruis
een vloed van bovenaardse zoetheid, in het kruis de sterkte van het hart, in het kruis vreugde van geest, in
het kruis het toppunt der deugd, en de volmaakte heiligheid. Daar is geen behoud voor onze ziel, of geen
hoop op het eeuwig leven, dan in het kruis.
Neem dan het kruis op, en volg Jezus, en
gij zult het eeuwig leven ingaan. Hij is voorop gegaan, dragende zijn kruis, en Hij is voor u aan het kruis
gestorven, opdat gij ook uw kruis zoudt dragen, en volgaarne sterven aan het kruis. Want indien gij met Hem
sterft, zo zult gij ook met Hem leven; en indien gij zijn deelgenoot
zijt in de smarten, zult gij het ook zijn in de glorie" (3).
3. Zie, alles bestaat dan in het kruis, en in te verstervenis het al gelegen;
en daar is geen andere weg tot het leven en tot de ware inwendige vrede, dan
de weg van het H. Kruis en van de dagelijkse versterving.
Ga heen waar gij wilt, zoek wat gij wilt,
en gij zult omhoog geen verhevener weg, of beneden geen veiliger weg vinden dan de weg van het H. Kruis.
Beschik en regel alles volgens uw wil en goeddunken, en gij zult bevinden dat gij altoos iets moest lijden,
hetzij met zin of tegenzin: en zo zult gij altijd een kruis vinden.
Want, of gij zult een pijn gevoelen in uw lichaam, of enig geestelijke kwelling in uw ziel
verduren.
4. Somtijds zult gij van God verlaten zijn, dan weder door de naaste gekweld worden, en wat
meer is, dikwijls zult gij uzelf tot last dienen. En nochtans zult gij door geen enkel red- of troostmiddel
verlost of verlicht kunnen worden, maar gij moet het verdragen zolang het God zal believen. Want God wil,
dat gij leert bekoringen verdragen zonder vertroosting; en dat gij u
gans aan Hem onderwerpt, en ootmoediger wordt door het lijden. Niemand beseft Christus’ lijden zo hartelijk,
als hij die ook iets geleden heeft. Het kruis is dan altoos bereid, en het wacht u overal. En waar gij ook
lopen moogt, gij kunt het niet ontvluchten; want waar gij ook komt,
draagt gij uzelf altijd mede, en gij zult uzelf altijd vinden. Hef u opwaarts, buig u nederwaarts, keer u
buitenwaarts of binnenwaarts, en overal zult gij uw kruis vinden. En gij moet overal het geduld oefenen,
indien gij de inwendige vrede bezitten wilt, en de eeuwige kroon
verdienen.
5. Indien gij het kruis gewillig draagt, het zal u ook dragen en het zal u brengen naar het
gewenste einddoel, waar het lijden zal ophouden, maar dat zal niet hier zijn. Indien gij uw kruis ongewillig
draagt, zo makt gij u een last, en gij belaadt u nog zwaarder; en
evenwel moet gij het toch dragen. Indien gij een kruis afwerpt, zult gij er buiten twijfel een ander vinden,
en misschien nog zwaarder.
6. Meent gij te ontgaan wat nooit één sterveling heeft kunnen vermijden? Welke Heilige is er
in deze wereld vrij geweest van kruis en lijden? Onze Heer en onze God, Jezus Christus zelf, is nooit een
enkel uur zonder lijdenssmart geweest, zolang Hij geleefd heeft. Gelijk Hij zelf zegt:
"Het stond vast dat Christus moest lijden, en van de dood verrijzen, en
alzo tot zijn heerlijkheid ingaan" (4). En gij, hoe zoekt gij dus
een andere weg dan deze koninklijke weg, de weg van het H. Kruis.
7. Geheel het leven van Jezus Christus is een gedurig kruis en lijden geweest;
en voor u zoekt gij rust en blijdschap! Gij dwaalt, zo gij iets anders zoekt
dan gekweld te worden en te lijden; want gans dit sterfelijk leven is
vol ellende en overal bezet met kruisen. En hoe meer iemand, in het geestelijk leven gevorderd is, des te
zwaarder kruisen hij dikwijls vindt; omdat door zijn liefde de druk van
zijn verbanning aangroeit.
8. Nochtans is iemand, door zoveel lijden beproefd, niet van opbeuren en troost verstoken,
omdat hij beseft dat hem met het dragen van zijn kruis vele vruchten toekomen. Want daar hij zichzelf
gewillig onder het kruis buigt zo wordt alle last van kwelling, veranderd in vertrouwen op goddelijke
troost. En hoe meer zijn vlees door het lijden afgemat wordt, des te meer wordt zijn geest versterkt door de
inwendige genade. Ja, somtijds wordt hij zodanig versterkt door de liefde voor lijden en tegenspoed, uit
zucht naar overeenstemming met de gekruisigde Christus, dat hij zonder pijn of kwellingen niet zou willen
zijn: want hij gelooft dat hij God zoveel te aangenamer is, hoe meer
hij voor Hem kan lijden. Dit is geen werk van mensenkracht, maar van Gods genade, die op de boze mens zoveel
uitwerkt dat hij uit geestelijke vurigheid dat aanneemt en bemint, waar hij van natuur altijd een afkeer en
schrik van heeft.
9. Het is zeker geen mensenwerk, het kruis te dragen, het kruis te beminnen, het lichaam te
kastijden en te brengen onder bedwang, de eer te vlieden, gaarne versmaadheden te verdragen, zichzelf te
minachten en wensen door anderen misacht te worden, alle tegenspoed en schade te lijden, en geen de minste
voorspoed in de wereld te begeren. Dus indien gij uzelf beziet, kunt gij door eigen krachten niets van die
aard uitvoeren. Maar indien gij op de Heer vertrouwt,, zo zal u uit de hemel sterkte gegeven worden, en de
wereld en het vlees zullen u onderworpen zijn. Zelfs zult gij de helse vijand niet vrezen, als gij gewapend
zijt met een vast geloof, en getekend met het kruis van Christus.
10. Bereid u dan, als goed en trouw dienaar van Christus, om het kruis van uw Heer, die uit
liefde voor u gestorven is, moedig te dragen. Bereid u om veel tegenspoed en ongemakken in dit ellendig
leven te lijden: want zó zal uw lot zijn waar gij ook verblijven
moogt; en zó zult gij ‘t in werkelijkheid bevinden, in welke plaats gij
u ook verbergt. Het moet zo zijn: en er is geen hulpmiddel voor zovele
kwellingen, dan dat gij u daarin getroost. Drink met blijdschap de kelk des Heren, indien gij Zijn vriend
wilt zijn, en met Hem deel hebben in zijn rijk. Beveel de vertroostingen aan God; laat Hem daarmede doen gelijk het Hem belieft. Maar gij, zet er u toe om kwellingen te
lijden, en houd ze voor grote vertroostingen; want de pijnen en het
lijden van deze tijd zijn niet te vergelijken bij de toekomende glorie (5), al zoudt gij ze alle kunnen
lijden.
11. Als gij zover gekomen zult zijn, dat u het lijden om Christus’ wil zoet en smakelijk is,
reken dan dat het u welgaat, want gij hebt een paradijs gevonden op aarde. Zolang het leven u zwaar valt, en
gij het zoekt te ontgaan, zolang zult gij het kwaad hebben, en beduchtheid voor leed zal u overal
volgen.
12. Indien gij u toelegt op wat gij zijn moet, namelijk om te lijden en te sterven, zo zal het
met u welhaast beter gaan, en gij zult rust vinden. Al waart gij met Petrus opgetogen tot de derde hemel,
nog zijt gij niet beveiligd voor alles wat tegenstaat: Ik zal hem
tonen, zegt Jezus, hoeveel hij om mijn naam moet lijden (6). Daar blijft u niets over dan te lijden, indien
gij Jezus wilt beminnen en voor altoos dienen.
13. Och, of gij waardig waart voor de naam van Jezus iets te lijden! Wat grote heerlijkheid
zou u te wachten zijn, wat vreugde voor alle Heiligen Gods en hoeveel stichting ook voor uw naaste! Want
alle mensen prijzen de lijdzaamheid, alhoewel er weinigen zijn, die iets willen lijden. Met recht zoudt gij
gaarne iets voor Christus moeten lijden, aangezien er zovelen zijn, die wat ergers lijden
voor de wereld.
14. Houd voor zeker, dat uw leven een gedurig afsterven moet zijn; en dat hoe meer de mens zichzelf afsterft, hoe meer hij voor God begint te leven. Niemand
is bekwaam het hemelse te begrijpen, tenzij hij zich ootmoedig onderwerpe om leed te verdragen voor
Christus. Daar is niets aangenamer aan God, en niets is voor u heilzamer in deze wereld, dan blijmoedig te
lijden voor Jezus Christus. En indien gij te kiezen hadt, zoudt gij eerder moeten wensen tegenspoed te
lijden voor Christus, dan met vele vertroostingen te worden verkwikt: want zo zoudt gij aan Christus en aan alle Heiligen meer gelijkvormig zijn. Want onze
verdiensten en onze vooruitgang in onze roeping bestaan niet in vele zoetigheden en vertroostingen:
maar eerder in grote zwarigheden en harde kwellingen te
verdragen.
15. Ware er iets beter, iets voordeliger geweest voor de zaligheid van de mens dan het lijden,
Christus zou het zeker door woorden en werken getoond hebben. Maar nu vermaant Hij openlijk zijn Leerlingen
en al die Hem volgen willen, om het kruis te dragen, en zegt: Indien
iemand na Mij wil komen, hij verloochene zichzelf, neme zijn kruis op en volge Mij"(7). Na alles dus
doorlezen en onderzocht te hebben, laten wij tot deze slotsom komen: Dat wij door vele kwellingen heen in het rijk Gods moeten binnengaan
(8).
(1) Luk. 9: 23 (2) Matt. 25: 41 (3) Rom. 6 (4) Luc. 24: 46 (5) Rom. 8: 18 (6) Hand. 9: 16 (7) Luc. 9: 23 (8) Hand. 14: 24
Boek III
Inhoud
1. Over het
inwendig gesprek van Christus met de gelovige ziel
2. De waarheid
spreekt in ons zonder gedruis van woorden
3. Gods woord
moet met ootmoed aanhoord worden, maar velen tellen het niet
4. Men moet
voor God wandelen in waarheid en ootmoed
5. Over de
wonderbare invloed der liefde Gods
6. Hoe de
oprechte liefde getoetst wordt
7. Men moet de
genade verbergen onder de hoede der nederigheid
8. Over de
minachting van zichzelf voor Gods ogen
9. Alles moet
tot God, als tot het laatste einde teruggebracht worden
10. Het is zoet
met de versmading der wereld God te dienen
11. Men moet de
begeerte van zijn hart onderzoeken en regelen
12. Over het
beoefenen van geduld en het worstelen tegen de driften
13. Over de
gehoorzaamheid van een nederig onderdaan
14. Hoe wij de
verborgen oordelen van God moeten beschouwen, om ons over het goede te
verheffen
15. Hoe men
zich moet houden en spreken, als in ons enige troost ontstaat
16. Oprechte
troost moet men alleen in God zoeken
17. Men moet
alle zorg in God stellen
18. De
tijdelijke ellenden, moeten wij naar het voorbeeld van Jezus, gelijkmoedig
dragen
19. Hoe men
beledigingen moet verdragen, en wie zich waarlijk geduldig
toont
20. Over de
erkenning van zijn eigen zwakheid en over de ellende van dit
leven
21. Boven alle
goederen en gaven moet men in God alleen rust zoeken
22. Over het
gedenken van Gods weldaden
23. Over de
vier vereisten voor grote zielenvrede
24. Dat men het
nieuwsgierig onderzoeken omtrent een anders leven moet
vermijden
25. Over de
duurzame vrede des harten, en waarin de ware voortgang bestaat
26. Over de
grote waarde van een vrij gemoed, dat men eer bekomt door het smeekgebed dan met het
lezen
27. Dat
eigenliefde allermeest van het hoogste goed verwijdert
28. Goede raad
tegen kwaadsprekers
29. Hoe men in
tegenspoed God moet aanroepen en zegenen
30. Dat wij
Gods hulp moeten afsmeken en op de terugkeer van zijn genade
vertrouwen
31. Men moet
elk schepsel versmaden om de Schepper te kunnen vinden
32. Over de
zelfverloochening en de verzaking van alle begeerlijkheid
33. Over de
onstandvastigheid des harten, en de plicht ons einddoel in God te
stellen
34. Wie God
bemint, vindt bij alles en boven alles in Hem zijn genoegen
35. In dit
leven is men niet beveiligd tegen bekoringen
36. Men moet de
ijdele oordelen der mensen niet vrezen
37. Men moet
zichzelf volledig en zuiver aan God overgeven, om de vrijheid des harten te
bekomen
38. Over de
goede regeling van het inwendig gedrag en de toevlucht tot God in de
gevaren
39. Dat men in
zijn zaken niet al te bezorgd moet zijn
40. De mens
heeft niets goeds uit zichzelf en mag zich nergens over
beroemen
41. Over het
verachten van alle tijdelijke eer
42. Dat wij de
vrede niet van mensen moeten laten afhangen
43. Tegen de
ijdele wetenschap der wereld
44. Men moet
zich de uitwendige dingen niet te veel aantrekken
45. Dat men
iedereen niet moet geloven, en hoe licht men in woorden
struikelt
46. Dat men
zijn vertrouwen op God moet stellen, als pijlen van boze tongen ons
treffen
47. Voor het
eeuwig leven moet men alle bezwaren verdragen
48. Over de dag
der eeuwigheid en de ellenden van dit
leven
49. Over het
verlangen naar het eeuwig leven, en hoe grote goederen beloofd zijn aan de
strijders
50. Hoe de
troosteloze mens zich in Gods handen moet overgeven
51. Men moet
zich op nederige werken toeleggen, als men tot meer verheven onbekwaam
is
52. De mens
achte zich geen troost, maar eer straf waardig
53. Dat Gods
genade niet samengaat met aardsgezindheid
54. Over de
tegenstrijdige aandoeningen der natuur en der genade
55. Over de
verdorvenheid der natuur en de kracht der goddelijke genade
56. Dat men
zichzelf verloochenen moet, en Christus navolgen door het
kruis
57. Dat wij
niet neerslachtig mogen worden als ons enig bezwaar overvalt
58. Dat men te
verheven en Gods verborgen oordelen niet moet willen doorvorsen
59. Dat men al
zijn hoop en betrouwen op God alleen moet vestigen
Hoofdstuk
1
Over het inwendig gesprek van Christus
met de gelovige ziel
1. De ziel. - Ik zal aanhoren wat God de Heer in mij spreekt
(1).
Zalig de ziel, die in zich de Heer hoort
spreken, en uit zijn mond een troostwoord ontvangt. Zalig de oren, die trillingen van goddelijke inspraak
horen (2), en geen acht geven op influisteringen der wereld. Zalig voorwaar de oren, die niet naar de stem
luisteren die van buiten spreekt, maar naar de waarheid, die van binnen onderwijst. Zalig de ogen, die,
gesloten voor het uitwendige, alleen gevestigd zijn op het inwendige. Zalig zij, die het inwendige
doordringen, en die zich door dagelijkse oefeningen meer en meer trachten voor te bereiden om de hemelse
verborgenheden te kennen. Zalig zij, die hun vermaak stellen om met God onledig te zijn en zich los te
rukken van alle hindernis der wereld. Bemerk wel deze dingen, mijn ziel, en sluit de deuren van uw
zinnelijkheid, opdat gij moogt horen wat de Heer uw God in u spreekt.
2. Christus. - Ziehier wat uw beminde zegt: Ik ben uw
heil, uw vrede en uw leven. Houd u bij mij, en gij zult rust vinden. Laat al het vergankelijke varen, en
zoek het eeuwigdurende. Wat zijn alle tijdelijke dingen anders dan bedrog? En wat baten al de schepselen,
als gij van de Heer verlaten wordt? Laat dan alles varen, en maak u aangenaam en getrouw aan uw Schepper,
opdat gij het waar geluk moogt bereiken.
Ps. 84: 9 Job 4: 2
Hoofdstuk
2
De waarheid spreekt in
ons zonder gedruis van woorden.
1. De ziel. - Spreek Heer, want uw dienaar luistert
(1).
Ik ben uw dienaar; geef mij verstand opdat ik uw geboden moge kennen(2). Neig mijn hart naar de woorden van
uw mond: dat uw spraak als morgendauw vloeie. (2) De kinderen van
Israël zeiden eertijds tot Mozes: Spreek gij tot ons, en wij zullen
luisteren; maar dat de Heer tot ons niet spreke, opdat wij niet sterven
(3).
O Heer, zó bid ik niet:
maar liever smeek ik ootmoedig met de profeet Samuel: Spreek, Heer! Want uw dienaar luistert (4). Niet Mozes spreke tot mij, of iemand van de
profeten, maar spreek Gij liever, Heer! Die de ingever en de verlichter van al de Profeten zijt;
want Gij alleen kunt zonder hen mij volkomen leren; maar zij vermogen zonder U niets.
2. Zij kunnen wel woorden laten klinken, maar de geest geven zij niet. Zij spreken zeer
schoon; maar als Gij zwijgt, kunnen zij het hart niet ontvlammen. Zij
leren ons de letter; maar Gij ontsluiert de zin. Zij stellen de
geheimen voor; maar Gij licht de zegel op, die ze voor ‘t verstand
verborgen hield. Zij verkondigen uw geboden, maar Gij helpt om ze te volbrengen. Zij wijzen de weg, maar Gij
geeft sterkte om die te bewandelen. Zij werken alleen van buiten, maar Gij onderwijst en verlicht de harten.
Zij besproeien van buiten, maar Gij geeft de vruchtbaarheid.
Zij roepen met woorden, maar Gij geeft
aan ‘t gehoor de gave om te verstaan. Dat Mozes dan niet tot mij spreke; maar Gij, mijn God, die de eeuwige Waarheid zijt, spreek Gij, opdat ik niet sterve, en
niet zonder vrucht blijve luisteren, als ik alleen door uitwendige raad vermaand en van binnen niet ontvlamd
word! Opdat het mij geen vonnis berokkene, uw woord gehoord en niet volbracht, gekend en niet bemind,
geloofd en niet onderhouden te hebben. Spreek dan, Heer, want uw dienaar luistert: Gij hebt immers de woorden van het eeuwig leven (5). Spreek tot mij om enige troost aan
mijn ziel te geven, en tot verbetering van geheel mijn leven; alsook
tot uw lof, uw eer en uw eeuwige glorie.
(1) 1 Kon. 3: 9 (2) Ps. 118: 125 (3) Ex. 20: 9 (4) 1 Kon. 3: 9 (5) Joh. 6:
69
Hoofdstuk
3
Gods woord moet met ootmoed aanhoord
worden, maar velen tellen het niet.
1. Christus. - Zoon, luister naar mijn
woorden, die zeer zoet en die al de wetenschap van wijzen en denkers dezer wereld te boven gaan. Mijn
woorden zijn geest en leven (1), en zijn niet te schatten naar het menselijk verstand. Men mag ze niet tot
ijdel behagen misbruiken: maar men moet ze in stilte aanhoren, en met
alle ootmoed en vurige begeerte ontvangen.
2. De ziel. - En ik heb gezegd:
Gelukkig de mens, o Heer! Die Gijzelf onderricht en in uw wet onderwijst,
zodat hij in kwade dagen bij U leniging vindt (2), en dat hij niet zonder troost zij op
aarde.
3. Christus. - Ik heb van het begin de
Profeten onderwezen, en tot heden toe houd ik niet op tot alle mensen te spreken. Maar velen zijn doof voor
mijn stem, en ongevoelig. Het grootste getal hoort liever de wereld dan God: zij volgen liever de lust van het vlees dan het welbehagen van God. De wereld belooft
tijdelijke en nietige dingen, en zij wordt met grote vlijt gediend; ik
beloof eeuwige en allergrootste goederen, en de harten der mensen zijn ongevoelig. Wie dient en gehoorzaamt
mij in alles met zo grote zorg, als waarmede men de wereld en haar meesters dient? Schaam u Sion, zegt de
zee (3). En vraagt gij waarom, hoor de reden: Zie, om een klein gewin
doet men verre reizen, en voor het eeuwig leven wordt er door velen niet één voet gezet. Het slechtste gewin
wordt ijverig nagejaagd; men twist schandelijk om een weinig
geld; men aarzelt niet dag en nacht te zwoegen voor een beuzeling en
voor een geringe belofte.
4. En nochtans, o schande, voor een
onveranderlijk goed, voor een onwaardeerbaar loon, voor de allerhoogste eer en oneindige glorie, is men te
lui om zich een weinig te vermoeien. Schaam u dan, gij, trage en klaagzieke knecht; de minnaars der wereld zijn veel vlijtiger voor hun verderf, dan gij om het eeuwig leven
te bekomen. Zij verblijden zich meer om een waan dan gij om de
waarheid.
En nochtans worden zij dikwijls in hun
hoop teleurgesteld; mijn belofte daarentegen bedriegt niemand, en laat
niemand, die op Mij vertrouwt, ijdel weggaan. Wat Ik beloofd heb, zal Ik geven; wat Ik gezegd heb, zal Ik doen, zo men slechts tot het einde toe in mijn liefde getrouw
blijve. Ik ben de loner van al de goede mensen en een sterke beproever van de
rechtvaardigen.
5. Schrijf mijn woorden in uw hart, en overdenk ze zorgvuldig; want in de tijd der bekoring zult gij ze groot nodig hebben. Wat gij niet verstaat, als
gij het leest, zult gij begrijpen op de dag der bezoeking. Ik bezoek gewoonlijk mijn uitverkorenen op
tweeërlei wijzen: door beproeving en vertroosting. En Ik lees hun alle
dag twee lessen voor; in de eerste berisp Ik hen over hun
gebreken; in de andere vermaan Ik hen tot vooruitgang in de deugd. Die
mijn woorden hoort en ze versmaadt, zal een rechter vinden in de jongste dag
(4).
Gebed Om de genade van godsvrucht te
bekomen.
6. O
mijn Heer en mijn God! Gij zijt al mijn goed; en wie ben ik, om tot U
te durven spreken? Ik ben uw allerarmste dienaar, een verworpen aardworm, veel armer en verachtelijker dan
ik zelf weet of durf zeggen. Gedenk evenwel mij, o Heer! Daar ik niets ben, en niets vermag. Gij alleen zijt
goed, rechtvaardig en heilig; Gij kunt alles, verleent alles, vervult
alles: de zondaar alleen laat Gij ijdel staan. Wees toch uw
barmhartigheden indachtig, en vervul mijn hart met uw genade, Gij die niet wilt dat uw werken doelloos
blijven.
7. Hoe kan ik in dit ellendig leven mijn lot verdragen, indien uw genade en uw barmhartigheid
mij niet versterken? Wil uw aanschijn van mij niet afkeren; wil uw
bezoek niet uitstellen: wil uw vertroosting niet onttrekken, opdat mijn
ziel voor U niet worden als een landstreek zonder water (5). Heer, leer mij uw wil volbrengen (6);
leer mij waardig en ootmoedig voor U wandelen; want Gij zijt mijn wijsheid; Gij kent mij oprecht en
Gij hebt mij gekend eer ik in de wereld geboren werd en zelfs eer de wereld
ontstond.
(1) Joan. 6: 64 (2) Ps. 93: 12,13 (3) Is. 23: 4
(4) Joan. 12: 48 (5 en 6) Ps. 117:
6
Hoofdstuk
4
Men moet voor God wandelen in waarheid en
ootmoed.
1. Christus. - Zoon! Wandel voor mij in waarheid, en zoek mij altijd in de eenvoud des
harten. Die voor Mij in waarheid wandelt, zal bevrijd worden van kwade aanrandingen en de waarheid zal hem
verlossen van verleiding en laster der bozen. Indien de waarheid u vrijmaakt, dan zult gij waarlijk vrij
zijn (1), en gij zult de ijdele woorden der mensen niet achten.
2. De ziel. - Het is, Heer, gelijk Gij zegt: ik bid U,
dat het mij zo geschiede. Dat uw waarheid mij lere, mij beware, en mij tot aan een zalig levenseinde
behoude. Dat zij mij verlosse van alle kwade lusten en ongeregelde liefde, en ik zal met u omgaan in volle
vrijheid des harten.
3. Christus. - Ik zal u onderwijzen, zegt de Waarheid, al wat recht is en aan Mij behaaglijk.
Denk aan uw zonden met groot leedwezen en droefheid, en laat u nooit voorstaan dat gij iets zijt om uw goede
werken. Want gij zijt voorwaar een zondaar, onderhevig aan vele gebreken, en daarin verward. Van uzelf helt
gij altijd over tot het niet, gij valt licht en wordt overwonnen, het kleinste ontstelt u en beneemt u de
moed. Gij hebt niets waarop gij kunt roemen, maar vele redenen om uzelf gering te achten:
want gij zijt veel kranker dan gij kunt
begrijpen.
4. Laat u dan niet voorstaan dat er iets groots zij in alles wat gij doet. Dat niets verheven
zij in uw ogen, niets kostbaar, niets bewonderens- of achtingswaardig, niets uitstekend, niets loffelijk of
beminnenswaardig, dan alleen wat eeuwig is. Dat de eeuwige waarheid u boven alles behage, en dat uw
allergrootste nietswaardigheid u steeds mishage. Vrees niets zozeer, veracht en verafschuw niets zozeer als
uw zonden en ondeugden; deze moeten u meer droefheid veroorzaken dan
tijdelijke schade. Sommigen wandelen in geen oprechtheid voor mijn aanschijn; maar door nieuwsgierigheid en vermetelheid gedreven, willen zij mijn verborgenheden kennen
en de diepten van God doorschouwen, terwijl zij zichzelf en hun zaligheid verwaarlozen. Dezen vallen
dikwijls in zware bekoringen en zonden, wijl Ik hun wedersta om hun hovaardigheid en
nieuwsgierigheid.
5. Vrees de oordelen Gods, schroom voor de gramschap van de Almogende. Wil de werken van de
Allerhoogste niet beoordelen; maar onderzoek uw zonden, en zie in
hoeveel gij misdaan hebt en hoeveel goeds gij verwaarloosd hebt. Sommigen stellen al hun godsvrucht in
boeken; anderen in afbeeldingen, anderen in uitwendige tekens en
gebaren. Sommigen hebben Mij veel in de mond, maar in hun hart is er weinig van. Anderen zijn er die,
verlicht in hun verstand en zuiver van hart, niet haken dan naar het eeuwige: die tegen dank van het aardse horen spreken, en die de noodwendigheden van het lichaam met
tegenzin voldoen; deze gevoelen dat de Geest der waarheid in hen
spreekt. Want hij leert hun het aardse versmaden, en het hemelse beminnen, de wereld verachten, en naar de
hemel dag en nacht verlangen.
(1) Joh. 8: 32,36
Hoofdstuk
5
Over de wonderbare invloed van de liefde
Gods.
1. Ik zegen U, hemelse Vader, Vader van mijn Heer Jezus Christus, omdat Gij U gewaardigd hebt
mij, arm schepsel, te gedenken. O vader van barmhartigheden, en God van alle troost (1), ik dank U, omdat
Gij mij, die alle troost onwaardig ben, somtijds toch gewaardigt te vertroosten. Ik geloof en verheerlijk U
te allen tijde, met uw enige Zoon en de H. Geest, de Trooster, in alle eeuwen der eeuwen. Ach, mijn Heer en
God, mijn heilige Minnaar! Als Gij in mijn hart zult komen, zal geheel mijn binnenste juichen. Want Gij zijt
mijn glorie en de vreugde van mijn hart. Gij zijt mijn hoop en mijn toevlucht in de dag van mijn verdrukking
(2).
2. Maar omdat ik nog zwak ben in de liefde en onvolmaakt in de deugd, daarom heb ik nodig
door U gesterkt en getroost te worden; wil mij dikwijls bezoeken en
onderwijs mij in uw heilige leringen. Verlos mij van de kwade driften, en genees mijn hart van alle
ongeregelde liefde; opdat ik genezen en behoorlijk gezuiverd, bekwaam
worde om U te beminnen, kloek om voor U te lijden, standvastig om te
volharden.
3. De liefde is iets groots, ja een onschatbaar goed, welke alles licht maakt wat zwaar is,
en draagt algelijk al het ongelijke. Want zij draagt alle last zonder moeite, en maakt al wat bitter is,
zoet en smakelijk. De liefde van Jezus is edelmoedig; zij beweegt de
mens tot grote daden, zij wekt hem op om altoos meer volmaaktheid te betrachten. De liefde wil altijd
opwaarts klimmen, en door niets wederhouden worden. De liefde wil niet vrij zijn, en vreemd aan alle
wereldse genegenheden, opdat haar inwendige blik niet belemmerd worde; opdat zij in geen tijdelijk voordeel verwarre, of onder nadeel bezwijke. Er is niets
zoeter dan de liefde, niets is sterker, niets is verhevener, niets uitgebreider, niets vermakelijker, niets
volkomener, niets beter in hemel en op aarde; want de liefde is uit God
geboren, en kan nergens rusten dan in God alleen boven al het
geschapene.
4. Die de liefde bezit, vliegt, loopt en is blijde; hij
is vrij en wordt niet weerhouden. Hij geeft alles voor alles, en bezit alles in alles, want hij berust boven
alles in de Allerhoogste, uit wie alle goed vloeit en voortkomt. Hij ziet niet naar de gaven, maar verheft
zich, boven alle gaven, tot de Gever zelf. De liefde houdt dikwijls geen maat, maar gelijk ziedend water
loopt zij over bovenmate. De liefde voelt geen last, acht geen arbeid, wil meer doen dan zij kan, klaagt
niet van haar machteloosheid, want zij meent dat zij alles kan en vermag. Zij is dan bekwaam tot alles, en
brengt veel ten uitvoer en tot stand, waar een ander, die niet bemint te kort schiet en
bezwijkt.
5. De liefde waakt en in de slaap is zij niet slaperig. Afgemat, wordt zij niet moede;
bedreigd, wordt zij niet ontsteld; maar
als een heldere vlam, als een brandende fakkel breekt zij opwaarts uit, en dringt vrijelijk door. Die
bemint, kent de stem der liefde. Als een luid geroep in Gods oren is de brandende begeerte van een
beminnende ziel, die zegt: Mij God, mijn liefde! Gij geheel aan mij, en
ik geheel aan U !
6. Breid mij uit in de liefde, opdat ik in het binnenste van mijn hart lere smaken hoe zoet
het is te beminnen, in liefde te smelten, en er in te baden. Dat de liefde mij vasthoude en vervoere door de
vurigheid van haar verrukkingen! Moge ik het lied der liefde zingen; U,
mijn Beminde, naar den hoge volgen, en dat mijn ziel bezwijme onder het verkondigen van uw lof. Moge ik U
beminnen meer dan mijzelf, en mijzelf niet dan om U, en in U allen die U oprecht liefhebben, gelijk de wet
der liefde, die uit U voortkomt, het gebiedt.
7. De liefde is snel, oprecht, toegenegen, vrolijk en aangedaan; kloekmoedig, verduldig, getrouw, voorzichtig, verdraagzaam, standvastig en ze zoekt
zichzelf niet (3). Want zohaast iemand zichzelf zoekt, houdt hij op te beminnen. De liefde is oplettend,
ootmoedig, rechtzinnig; niet maf, niet lichtvaardig, niet bekommerd met
ijdele dingen; zij is matig, kuis, gestadig, bedaard, altijd waakzaam
op alle zinnen. De liefde is onderworpen en gehoorzaam aan de oversten; in eigen ogen slecht en verachtelijk; zij is
godvruchtig en dankbaar tot God, op Hem hopende en steeds vertrouwende, zelfs dan, wanneer zij in God geen
smaak gevoelt, want men leeft niet zonder smart in de liefde.
8. Wie niet bereid is om alles te lijden en zich geheel aan de wil van zijn Beminde over te
geven, is niet waardig een minnaar genoemd te worden. Een ware minnaar moet al het zware en bittere voor
zijn Beminde gaarne verdragen; en om geen voorkomende tegenkanting van
Hem afwijken.
(1) 2 Cor. 1: 3 (2) Ps. 58: 17 (3) 1 Cor. 13:
4,5
Hoofdstuk
6
Hoe de oprechte liefde getoetst
wordt.
CHRISTUS. - Zoon! gij zijt nog niet sterk
en voorzichtig in ‘t beminnen.
DE ZIEL. - Waarom,
Heer?
CHRISTUS. - Omdat gij om een kleine
tegenkanting afziet van het ondernomene en al te zeer de vertroostingen zoekt. Wie sterk is in de liefde,
staat pal in de bekoringen, en hij geeft geen gehoor aan de listige
ingevingen van de vijand. Zowel in voorspoed als in tegenspoed is zijn hart altoos aan
Mij.
2. Een voorzichtig minnaar neemt niet zozeer de gift van de vriend in aandacht als de liefde
van de Gever. Hij let meer op de stemming dan op de waarde; want hij
acht de Welbeminde hoger dan al zijn giften. Een edelmoedig minnaar berust niet in gaven maar in Mij boven
alle gaven. Doch daarom is niet alles verloren, zo gij soms voor Mij en mijn Heiligen zoveel liefde en
tederheid niet gevoelt, als gij zoudt wensen. Die zoete en tedere liefde, die gij somtijds in u gevoelt, is
een uitwerksel der in u werkende genade en als een voorsmaak van het hemels vaderland, doch waarop niet al
te veel te steunen is, want zij gaat en komt. Maar strijden tegen de invallende bekoringen, en de ingevingen
van de duivel versmaden, dit is een teken van ware deugd en grote
verdienste.
3. Wil dan niet ontsteld zijn om vreemde verbeeldingen die in u mochten ontstaan, over welke
stof ook. Behoud altijd een vast voornemen en een rechte mening tot God. Het is geen begoocheling zo gij
somtijds plotseling in verrukking wordt opgetogen, en terstond tot de gewone ongerijmdheden van uw hart
terugkeert. Want deze lijdt gij meer tegen uw dank dan gij ze zoekt; en
zolang ze u mishagen en gij er tegen strijdt, strekken zij u tot verdienste en geenszins tot
verderf.
4. Weet dat de oude vijand uit al zijn macht uw begeerte tot het goede zoekt te beletten, en
u te beroven van alle godvruchtige oefening: te weten, van de dienst
der Heiligen, het godvruchtig overdenken van uw zonden, de bewaking van uw hart, en het vast voornemen om in
de deugd vooruit te gaan. Hij geeft u ook veel kwade gedachten in, om u verdriet en afkeer aan te doen, en u
af te trekken van het gebed en de geestelijke lezing. Een ootmoedige biecht kan hij niet dulden en zo hij
kon, zou hij u wederhouden van te communie te gaan.
Maar geef hem geen geloof, en stoor u
niet aan hem, al spant hij dikwijls strikken om u te bedriegen. Werp de kwade en onzuivere ingevingen op hem
terug, en zeg: Weg van hier, onreine geest! Schaam u, ellendige:
wat moet gij onzuiver zijn, die mij zulke dingen inblaast. Weg van mij, boze
verleider! Niets van mij zal u ten deel vallen; maar Jezus zal met mij
zijn, als een kloek krijgsman, en gij zult beschaamd staan. Liever wil ik sterven, en alle pijn ondergaan,
dan enige toestemming te geven aan uw boos ingeven. Zwijg en verstom (1), ik wil naar u niet meer luisteren,
hoezeer gij mij moogt kwellen. De Heer is mijn licht en mijn zaligheid, wie zou ik vrezen? (2) Al stonden
gehele legers tegen mij op, mijn hart zou niet vrezen (3). De Heer is mijn Helper en mijn Verlosser
(4).
5. Strijd dan als een kloek soldaat; en indien gij soms
uit krankheid valt, verzamel opnieuw uw krachten, vertrouwend dat gij grotere genaden van mij zult
bekomen; en wacht u bovenal voor hovaardigheid en ijdel zelfbehagen.
Want hierdoor worden velen bedrogen, en vallen soms in schier ongeneeslijke verblindheid. Dat dan de val der
hovaardigen, die zich dwaas veel laten voorstaan, u diene tot waarschuwing en gedurige
ootmoed.
(1) Marc. 4 (2,3) Ps. 26: 1 (4) Ps. 18:
15
Hoofdstuk
7
Men moet de genade verbergen onder de
hoede der nederigheid.
Christus. - Zoon! Het is beter en
veiliger voor u, de genade der godsvrucht verborgen te houden, u daarover niet te verheffen, er weinig van
te spreken, en niet groter te maken; maar liever uzelf te minachten, en
te vrezen die genade onwaardig zijn. Gij moogt niet te veel gehecht zijn aan een gevoel, want het kan zeer
licht veranderen. Maar onder de genade, denk hoe ellendig en arm gij gewoonlijk zijt zonder de genade. Ook
is de voortgang in het geestelijk leven daarin niet alleen gelegen, dat gij de vertroosting van de genade
hebt: maar ook dat gij haar gemis verstorven, ootmoedig en geduldig
verdraagt; zodat gij dan niet verflauwt in de oefening van het gebed,
en uw andere gebruikelijke werken niet achterlaat. Maar dat gij naar bedunken en best vermogen gaarne doet
wat gij kunt, en uzelf niet geheel verwaarloost om dorheid of
gewetensangst.
2. Want er zijn er velen, die ten tijde der beproeving aanstonds ongeduldig en moedeloos
worden. Nochtans des mensen weg is niet altijd in zijn macht (1); maar
het behoort God toe, te geven en te troosten wanneer het Hem belieft, en zoveel het Hem belieft, volgens
zijn behagen, en anders niet. Sommigen hebben zich onvoorzichtig in het verderf gebracht met de genade der
godsvrucht, omdat zij meer wilden doen dan zij konden, niet in acht nemende hun krachten, maar eerder daarin
de aandrift van hun hart volgende, dan het oordeel van het verstand.
En omdat zij op grotere dingen uitwaren
dan God aangenaam was, daarom hebben zij spoedig de genade verloren. Zie, zij zijn arm en verlaten geworden,
zij die in de hemel hun woonplaats wilden bouwen (2); omdat zij,
vernederd en verarmd, zouden leren niet met hun eigen vleugels te vliegen, maar onder mijn vleugels te gaan
schuilen (3). Zij die nog nieuwelingen zijn en onervaren in de weg des Heren, kunnen licht bedrogen worden
en vallen, zo zij zich niet laten besturen door de raad van
verstandigen.
3. Maar indien zij liever hun eigen goeddunken, dan de raad van ervaren mannen volgen, zo zal
voor hen de afloop zeer ellendig zijn, indien zij gehecht blijven aan hun eigenzinnigheid. Die in hun ogen
wijs zijn (4), laten zich zelden ootmoedig door anderen besturen. Het is beter weinig kennis en een klein
verstand te hebben met ootmoed, dan zware schatten van geleerdheid te bezitten met ijdele glorie. Het is
beter voor u weinig te hebben dan veel, waarover gij u zoudt verhovaardigen. Hij doet niet wijs die zich
geheel aan de blijdschap overgeeft, en zijn voorgaande armoede vergeet en de zalige vrees Gods, welke de
ontvangen genade vreest te verliezen. Ook deze is niet oprecht wijs, die ten tijde van tegenspoed of van een
zwarigheid, al te zeer mistroostig is, die te weinig vertrouwen op Mij stelt en te klein gevoelen van mijn
hulp heeft.
4. Die ten tijde van vrede al te gerust wil zijn, wordt licht ten tijde van oorlog
vreesachtig en lafhartig bevonden. Indien gij altijd ootmoedig en gering in eigenschatting wist te blijven,
en uw geest wijs en matig te besturen, gij zoudt niet zo spoedig in gevaar of zonde vallen. Het is een goede
raad, als gij de geest van vurigheid gevoelt, te denken hoe het met u zal gaan wanneer dit goddelijk licht
zal verdwijnen. En als zulks geschiedt, denk dan dat hetzelfde licht kan wederkomen, daar Ik het voor een
tijd tot uw waarschuwing en tot mijn eer u heb onttrokken.
5. Zulke beproeving is dikwijls voordeliger, dan indien gij altijd voorspoed hadt volgens uw
begeerte. Want de verdiensten laten zich niet hieraan afmeten of iemand met veel verlichtingen of
vertroostingen heeft; of hij goed geleerd is in de H. Schriftuur of tot
een hoge staat verheven. Maar wel of hij in ware ootmoed gegrond en met de goddelijke liefde vervuld
is; of hij altijd en in alles de eer Gods alleen betracht;
of hij zichzelf gering acht en oprecht versmaadt, en zich meer verheugt dor de
mensen verstoten en veracht te worden, dan geacht, geprezen of geëerd.
(1) Jeruzalem. 10: 23
(2) Abd. 4 (3) Ps. 90: 4
(4) Rom. 11: 25
Hoofdstuk
8
Over de minachting van zichzelf voor Gods
ogen
1. De ziel. - Ik zal tot mijn Heer spreken, alhoewel ik stof en as ben (1a). Want indien ik
mij iets meer acht, zo staat Gij tegenover mij en mijn ongerechtigheden geven getuigenis van de waarheid, en
ik kan ze niet wederleggen. Maar indien ik mij verneder en vernietig; indien ik alle eigendunk verwijder, en mij acht als stof en as, gelijk ik ben;
zo zal uw genade met mij wezen, en uw licht in mijn hart schijnen:
alsdan zal de geringste zelfachting voor altijd verslonden worden in de
afgrond van mijn nietigheid. Daar toont Gij mij aan mijzelf wat ik ben, wat ik was, en waartoe ik gekomen
ben: want ik ben een niet, en ik wist het niet (2). Wanneer ik aan
mijzelf overgelaten word bevind ik, dat ik niets dan krankheid ben; maar als Gij mij aanziet, word ik terstond sterk en vervuld met nieuwe blijdschap. Het is,
ja, een groot wonder, dat ik zo schielijk opgeheven, en zo welwillend door U omhelsd word, ik die door eigen
gewicht altijd nederwaarts word gedreven.
2. Dat doet uw liefde, die mij onverdiend
overkomt en in zovele noodzakelijkheden te hulp komt; mij voor zo grote
gevaren bewaart, en mij (ik beken het) van ontelbare smarten verlost. Want met mij ongeregeld te beminnen,
heb ik mijzelf verloren; maar met U alleen te zoeken en oprecht te
beminnen, heb ik mij en U gevonden en uit liefde tot U ben ik nog dieper in mijn nietigheid gezonken. O,
allerzoetste Heer! Gij doet voor mij veel meer dan ik verdien, en veel meer dan ik zou durven hopen of
vragen.
3. Wees gezegend, o mijn God! Want al ben ik alle goed onwaardig, houdt uw edelmoedige en
oneindige goedheid nochtans niet op wèl te doen, zelfs aan ondankbaren, die ver van U verwijderd zijn.
Bekeer ons tot U, opdat wij mogen dankbaar, ootmoedig en ijverig wezen: want Gij alleen zijt onze zaligheid, onze kracht en onze
sterkte.
(1) Gen. 18: 27 (2) Ps. 72: 22
Hoofdstuk
9
Alles moet tot God, als tot het laatste
einde teruggebracht worden
1. Christus. - Zoon! ik moet uw hoogste en laatste doelwit zijn, indien gij waarlijk gelukkig
wilt zijn. Door deze mening zal uw liefde gezuiverd worden, die nu dikwijls tot zichzelf en tot de schepsels
neigt. Want zo gij in iets uzelf zoekt, zo bezwijkt gij aanstonds, en gij wordt dor van geest. Stuur dan
alles bijzonder tot Mij, want Ik ben het, die het al gegeven heb. Aanzie alle dingen als vloeiende uit het
opperste goed; en dan zult gij weten dat alles tot Mij moet wederkeren,
als tot zijn oorsprong.
2. Uit Mij putten alle mensen, als uit een levende bron, groot en klein, arm en rijk, het
levende water. En die Mij gewillig en vlijtig dienen, zullen gunst op gunst ontvangen. Maar wie zijn roem
buiten Mij, of zijn behagen in enig persoonlijk goed wil zoeken, die zal geen oprechte of standvastige
blijdschap genieten, en niet met verruimd hart leven, maar altijd veel hinder en benauwdheid vinden. Daarom
moogt gij uzelf of iemand anders geen goed toeschrijven; maar geef
alles aan God, zonder wie de mens niets heeft. Ik heb u dit alles gegeven: Ik wil ook alles terug hebben; en Ik eis zeer streng
dankbaarheid voor mijn gaven.
3. Dit is een waarheid, die alle ijdele roem verdrijft. En indien de hemelse genade en de
ware liefde in uw hart komt, zo zal daar geen ruimte meer zijn voor de nijd, benepenheid of de eigenliefde.
Want Gods liefde overwint alles, en breidt al de krachten der ziel uit. Wilt gij dan wijselijk doen,
verblijd u alleen in Mij, hoop alleen in Mij, want niemand is goed dan God alleen (1), die bovenal geloofd
en in alles verheerlijkt moet worden.
(1) Luc. 18: 19
Hoofdstuk
10
Het is zoet met de versmading der wereld
God te dienen
1. Ik zal nogmaals spreken, o Heer, en niet zwijgen; ik
zal spreken tot mijn God, mijn Heer en mijn Koning, die in de hoge woont. O Heer, hoe groot is de overvloed
der zoetheid die Gij verborgen houdt voor die U vrezen! (1) Maar wat zijt Gij voor hen die U beminnen, en
die uit ganser hart U dienen? Voorwaar de zoetheid van uw beschouwing, die Gij geeft aan uw minnaars, is
onuitsprekelijk. Hierin hebt Gij mij vooral uw goedertieren liefde getoond, dat, als ik niets was, Gij mij
geschapen hebt; en dat Gij mij weder op de rechte weg hebt teruggebracht, als ik ver van U was afgedwaald,
om U te beminnen.
2. O
bron der eeuwige liefde! Wat zal ik van U zeggen? Hoe zou ik U kunnen vergeten, die u gewaardigd hebt aan
mij te denken, ook nadat ik bedorven en verloren was? Uw barmhartigheid jegens uw dienaar heeft alle
verwachting overtroffen, en Gij hebt uw genade en uw liefde, boven al zijn verdienste, hem betoond. Wat zal
ik voor u die genade wedergeven? Want het is alle mensen niet vergund, dat zij, na van alles afstand gedaan
te hebben, de wereld zouden verlaten, om het kloosterleven te aanvaarden. Is het een grote zaak dat ik U
dien, Gij die door alle schepselen gediend moet worden? Het mag mij niets groots schijnen dat ik U
dien; maar dit schijnt mij eerder groot en wonderbaar, dat Gij een zo
arm en onwaardig schepsel in uw dienst wilt aannemen, en onder het getal van uw geliefde dienaren
rekenen.
3. Zie, alles wat ik heb, en waar ik U mede dient, behoort U toe. Doch, integendeel, Gij
dient eerder mij dan ik U. Zie, hemel en aarde, die Gij tot onze dienst geschapen hebt (2), zijn gereed, en
doen dagelijks wat Gij hun beveelt. Maar dit is nog weinig, want Gij hebt de Engelen ten dienste van de mens
bestemd (3). Doch, wat alles te boven gaat, is dat Gijzelf u gewaardigd hebt U zelf aan hem te
geven.
4. Wat zal ik U wedergeven voor zovele weldaden? Ach! kon ik U dienen al de dagen van mijn
leven! Ware ik tenminste in staat om U maar één dag waardig te dienen! Voorwaar Gij zijt alle dienst, alle
eer en alle lof waardig. Gij zijt waarlijk mijn Heer, en ik ben uw arme knecht, die verplicht ben U uit al
mijn kracht te dienen, en nimmer in uw lof te verflauwen. Aldus wil en wens ik het, wil zelf aanvullen wat
mij daartoe ontbreekt.
5. Het is, ja, een grote eer, een grote roem U te dienen en alles om U te versmaden. Want die
zich gewillig aan uw heilige dienst onderwerpen, zullen grote genade ontvangen. Die uit liefde tot U alle
zinnelijk vermaak hebben verlaten, zullen de zoetste troost van de Heilige Geest smaken. En die om uw naam
de enge weg inslaan, en alle wereldse zorg ter zijde stellen, zullen in grote vrijheid van geest
wandelen.
6. O, hoe zoet en vermakelijk is het God te dienen, waardoor de mens vrij en heilig wordt! O
zalige onderwerping aan het kloosterleven, waardoor de mens gelijk wordt aan de Engelen, aangenaam aan God,
vreselijk aan de duivelen, en achtingswaardig aan alle christenen! O minnelijke en benijdenswaardige dienst,
waardoor men het hoogste goed en de blijdschap die eeuwig zal duren,
bekomt!
(1) Ps. 30: 20 (2) Deut. 4: 12 (3) Hebr. 1:
14
Hoofdstuk
11
Men moet de begeerte van zijn hart
onderzoeken en regelen
1. CHRISTUS. - Zoon! gij moet nog veel aanleren, dat gij nog niet genoeg geleerd
hebt.
DE ZIEL. - Heer, welke zijn die dingen
?
CHRISTUS. - Dat gij al uw begeerten naar
mijn behagen moet schikken; dat gij uzelf niet moogt zoeken, maar
altijd en in alles mijn wil tracht te volgen. Sommige begeerten ontvlammen u dikwijls, en drijven u geweldig
voort: maar zie toe of gij wel voor mijn eer wordt aangedreven, en niet
eerder om uw eigen voordeel. Indien ik er de oorzaak van ben, zo zult gij wèl tevreden zijn, hoe ik het ook
schikke; maar indien er iets van eigenbaat onder schuilt, zal dat u veel hinderen en
bezwaren.
2. Wacht u dan van te zeer op een begeerte te steunen, die gij hebt opgevat zonder Mij raad
te vragen, die gij hebt opgevat zonder Mij raad te vragen; opdat het u daarna niet berouwe en mishage, wat u
tevoren beviel, en dat u het best scheen. Want niet alle begeerte die goed schijnt, moet aanstonds ingevolgd
worden: evenmin als alle tegenstrijdige gedachte dadelijk verworpen
moet worden. Het is soms zeer goed dat men de beste begeerte bedwinge, opdat, met de bekommernis, de geest
niet verstrooid worde, en aan anderen geen ergernis geve door onbescheidenheid van gedrag, of ook niet
neerslachtig of ontstemd worde wanneer iemand onze begeerte
wederstaat.
3. Somtijds evenwel moet men geweld gebruiken en de zinnelijkheid kloekmoedig wederstaan,
zonder acht te nemen op hetgeen het vlees begeert of niet begeert; maar dat men liever er voor zorg drage
dat het vlees, ook tegen zijn wil, aan de geest onderworpen zij.
En zolang moet het gekastijd en gedwongen
worden, tot het voor alles bereid is en leert zich met weinig tevreden te houden, het allergeringste te
beminnen, en nooit over iets te klagen.
Hoofdstuk
12
Over het beoefenen van geduld en het
worstelen tegen de driften
1. DE ZIEL. - O Heer en God! Ik zie hoezeer het geduld mij nodig is (1):
want in dit leven komen vele zwarigheden voor. En hoe ik het ook schik om
vrede te hebben, mijn leven kan zonder strijd en lijden niet zijn.
2. CHRISTUS. - Dit is waar, mijn zoon, doch ik wil niet dat gij zulke vrede zoekt, die vrij
van bekoringen is en geen tegenkanting gevoelt: Maar dat gij ook dan de
ware vrede denkt gevonden te hebben, wanneer gij door vele bekoringen geoefend, en door moeilijkheden
beproefd wordt. Zo gij zegt dat gij niet veel kunt uitstaan, hoe zult gij dan de brand van het vagevuur
kunnen doorstaan? Van twee kwalen moet gij altoos de minste kiezen. Om dan hiernamaals de eeuwige pijnen te
ontgaan, moet gij het tegenwoordig lijden om God met geduld trachten te verdragen. Meent gij dat de wereldse
mensen niets of weinig te lijden hebben? Gij zult ze niet vinden, al zocht gij onder de meest
vertroetelden.
3. Maar zij hebben, zegt gij, vele genoegens, zij volgen hun eigen wil, en daarom voelen zij
hun kwellingen niet veel.
4. Het zij zo, en dat zij hebben wat hun hart begeert; maar hoe lang zal dit duren? Zie,
gelijk de rook zullen die op de wereld rijk en weelderig zijn, vergaan (2), en daar zal geen herinnering
blijven aan hun vroegere vreugde. Maar zelfs gedurende hun leven genieten zij dit niet zonder bitterheid,
verdriet en vrees. Want juist waar zij eerst genoegen in smaken, daarvan ontvangen zij dikwijls pijn en
straf. En dat met recht: het is billijk dat de bitterheid en schande de
vermaken vergezellen, die men in de ongeregeldheid zoekt. O hoe kort, hoe bedrieglijk, hoe strafwaardig, hoe
eerloos die vermaken!
En nochtans zo verblind, zo bedwelmd zijn
haar minnaars, dat zij dit niet zien: maar als redeloze dieren lopen
zij in de dood van hun ziel, om een kort genot in dit sterfelijk leven. Gij dan, mijn zoon, volg uw driften
niet in, en zie af van uw eigen wil (3). Neem uw vermaak in de Heer, en Hij zal u geven wat uw hart begeert
(4).
5. Indien gij oprechte vreugd wilt smaken, en alle overvloedige troost van mij ontvangen,
veracht alle wereldse dingen, verwerp alle lage vermaken, en Ik zal u zegenen, en met mijn onuitputbare
vertroostingen u gelden. En hoe meer gij u aan alle troost der schepselen zult onttrekken, hoe zoetere en
krachtigere vertroostingen gij in Mij zult vinden. Maar in het eerst zult gij daartoe niet komen zonder
enige droefheid, arbeid en strijd. De ingewortelde gewoonte zal u tegenstand bieden: maar gij zult ze door een beter gewoonte overwinnen. Het vlees zal klagen en morren; maar
het zal door de vurigheid van de geest bedwongen worden. De oude slang (5) zal u prikkelen en kwellen; maar
gij zult haar verdrijven door het gebed, en door nuttige arbeid zult gij haar de ingang van uw hart
sluiten.
(1) Hebr. 10: 36 (2) Ps. 36: 20 (3) Eccl. 18: 30
(4) Ps. 36: 3 (5) Openb. 12:
9
Hoofdstuk
13
Over de gehoorzaamheid van een nederig
onderdaan
1. CHRISTUS. - Mijn zoon! wie zich zoekt
te onttrekken aan de gehoorzaamheid, onttrekt zich aan mijn genade: en
wie iets voor zich alleen wil bezitten, verliest wat hij met anderen gemeen heeft. Zo iemand zich niet
gewillig aan zijn overste onderwerpt, is het een teken dat zijn lichaam hem niet volkomen onderworpen is,
maar dat het dikwijls wederspannig is en tegenmort. Leer u dan op ‘t eerste woord onderwerpen aan uw
overste, zo gij uw eigen vlees onder bedwang wilt brengen. Want de uitwendige vijand wordt lichter
overwonnen, wanneer de mens inwendig de vrede bezit. Uw ziel heeft geen lastigere, geen ergere vijand dan
gijzelf, wanneer gij niet wel met de geest overeenstemt. Gij moet uzelf gans verachten, indien gij vlees en
bloed wilt overwinnen. Omdat gij uzelf ongeregeld bemint, daarom kunt gij u niet ten volle overgeven aan de
wil van anderen.
2. Maar is het dan een zo beduidende zaak, dat gij, die niets anders zijt dan stof en niets,
u om God onder een mens stelt; daar Ik, die de Almogende en de Allerhoogste ben, die alles uit niet
geschapen heb, Mij om uwentwil ootmoedig aan de mens heb onderworpen. Ik ben de nederigste en de minste van
allen geworden, opdat gij uw hovaardigheid door mijn ootmoed overwinnen zoudt. Leer onderdanig zijn, gij,
slijk der aarde; leer u vernederen, gij, stof en as, en u buigen onder de voeten van alle mensen. Leer uw
wil breken, en de onderwerping in alles beoefenen. Word boos tegen uzelf, en laat geen opgeblazenheid in u
blijven; maar wees zo nederig en zo klein, dat iedereen over u moge gaan, en u als slijk met de voeten
treden. O, ijdel mens! wat hebt gij te klagen? Kunt gij, snode zondaar, u verzetten tegen die u verguizen,
gij, die zo dikwerf God vergramd, en zo dikwijls de hel verdiend hebt? Maar mijn oog heeft u gespaard, want
uw ziel is voor mijn aanschijn dierbaar geweest: opdat gij mijn liefde
zoudt kennen, en immer dankbaar wezen voor mijn weldaden. En opdat gij u tot de ware onderwerping en ootmoed
zoudt begeven, en geduldig de versmadingen, die u overkomen,
verdragen.
Hoofdstuk
14
Hoe wij de verborgen oordelen
van God moeten beschouwen, om ons over het goede te verheffen
1. Heer! als Gij de donder van uw oordelen over mij zendt, schudt Gij mijn beenderen met
angst en vrees, en mijn ziel is zeer verschrikt. Ik sta verbaasd bij het zien dat zelfs de hemelen niet
zuiver zijn voor uw ogen (1). Want Gij hebt in uw engelen zelf boosheid gevonden (2), en zelfs hen niet
gespaard (3), wat zal er van mij worden? De sterren zijn uit de hemel gevallen (4), en ik, stof en as, wat
vermeet ik mij? Vele mensen, wier leven zeer loffelijk scheen, zijn diep gevallen, en die het brood der
Engelen aten, heb ik smaak zien vinden in de draf der varkens.
2. Geen heiligheid is er dus, als Gij, o Heer, uw hand intrekt. Geen wijsheid kan baten, als
Gij ophoudt haar te geleiden. Geen sterkte kan helpen, zo Gij nalaat haar te ondersteunen. Geen kuisheid is
verzekerd, zo Gij haar niet beschermt. Geen eigen bewaring is toereikend, zo Gijzelf ons niet behoedt. Want
als wij door U verlaten worden, zinken wij en gaan wij verloren; maar door U bezocht, worden wij opgebeurd
en herleven wij. Wij zijn ongestadig, maar Gij bevestigt ons door woorden; wij zijn lauw, maar Gij ontsteekt
ons.
3. O, wat klein gevoelen moet ik van mijzelf hebben; hoe weinig is het te achten, indien ik
iets goeds schijn te hebben? O, hoe diep, Heer, moet ik mij buigen onder uw grondeloze oordelen, voor welke
ik mij niets anders bevind te zijn dan een niet, en een enkele niet. O onberekenbaar gewicht, o
onoverkomelijke zee, waar ik van mijzelf niets vind, waar ik ben als een niet in het heelal! Waar zal ik dan
de ijdele glorie, waar het vertrouwen op eigen deugd schuilplaats vinden? Alle ijdele roem, o Heer, wordt
geheel verzwolgen in de diepte van uw oordelen over mij.
4. Wat is toch alle vlees voor uw ogen? Zal de klei zich verheffen tegen Hem, die haar
gevormd heeft? (5). Hoe kan de mens zich verheffen door ijdele woorden, die niet met het hart aan God
waarlijk onderworpen is? Geheel de wereld kan hem niet hovaardig maken, die aan de heerschappij der waarheid
onderworpen is; die al zijn hoop op God gevestigd heeft, zal door het gevlei der mensen niet bewogen worden.
Want die zelf, die spreken, zijn een niet; zij zullen allen vergaan met het geluid van hun stem:
maar de waarheid des Heren blijft in eeuwigheid
(6).
(1) Job 15:
15 (2) Job 14 (3) Petr. 2:
4 (4) Apoc. 6: 13 (5) Is. 29:
16 (6) Ps. 116: 2
Hoofdstuk
15
Hoe men zich moet houden en spreken, als
in ons enige troost ontstaat
1. CHRISTUS . - Zoon, zeg in alle voorvallen: o Heer, is
het uw wil, laat het zo geschieden! O Heer is uw eer daarin gelegen, dat het zo geschiede in uw naam. Heer,
zo Gij voorziet, dat mij dit dienstig, dat het mij voordelig is; geef mij het dan om het tot uw eer te
gebruiken. Maar zo Gij weet, dat mij zulks schadelijk was, of mij niet dienstig tot mijn zaligheid,
verwijder van mij die begeerte. Want niet alle begeerten komen van de Heilige Geest, al schijnt het de mens
dat zij rechtmatig en goed zijn. Het is zeer moeilijk om wèl te onderscheiden of het een goede of de kwade
geest is, die u tot dit of dat aandrijft, alsook of gij door uw eigen geest niet bedrogen wordt. Velen zijn
op het einde bedrogen geweest, die in het begin door een goede geest meenden getrokken te
worden.
2. Daarom moet gij nooit dan met de vrees Gods en ootmoed der harten begeren en vragen wat
gij ook zoudt mogen wensen; vooral moet gij met een volle overgeving alles aan Mij overlaten en
zeggen: Heer! Gij alleen weet hoe het best is, dat dit of dat
geschiede, gelijk het U belieft. Geef wat Gij wilt, en zoveel Gij wilt, en wanneer Gij wilt. Doe met mij
gelijk het U goeddunkt, zoals het U meest behaagt, en het meest tot uw eer dient. Plaats mij waar het U
belieft, en handel in alles met mij naar uw goeddunken. Ik ben in uw hand, keer en wend mij om en om. Zie,
ik ben uw dienaar (1), bereid tot alles; want ik wil niet voor mij leven, maar voor U; ach, of ik dit
waardig en volmaakt mochte!
Gebed om de wil Gods te
volbrengen.
O allermildste Jezus! Verleen mij uw
genade, opdat zij met mij zij, met mij werke, en met mij blijve tot het einde toe (2). Geef mij, dat ik
altijd verlang en wil wat U aangenaam is en allermeest behaagt. Dat uw wil de mijne zij, en mijn wil volge
altijd de uwe, en stemme daarmee gans overeen. Laat mij met U hetzelfde willen en niet willen; ja, geef mij
nooit anders te kunnen willen of niet willen, dan gelijk Gij wilt of niet
wilt.
3. Laat mij sterven voor al wat in de wereld is, en om uw liefde gaarne versmaad en onbekend
zijn in deze wereld. Geef mij dat ik, boven al wat men kan wensen, in U beruste, en mijn hart de vrede in U
zoeke. Want Gij zijt de ware vrede des harten, Gij alleen zijt mijn rust, buiten U is alles pijnlijk en
ongestadig. Laat mij dan slapen en rusten deze vrede, dat is in U alleen, die het opperste en het eeuwig
goed zijt. Amen.
(1) Ps. 119: 125 (2) Wijsh. 9
Hoofdstuk
16
Oprechte troost moet men alleen in God
zoeken
1. DE ZIEL. - Al wat ik tot mijn troost kan wensen of uitdenken, verwacht ik hier nat, maar
hiernamaals. Want al bezat ik alleen al de vertroostingen der wereld, en genoot ik alle vermaken, zo is het
zeker, dat zulks niet lang zou kunnen duren. Zodan, mijn ziel, gij kunt niet volkomen getroost worden of
verblijd zijn dan in God, de Trooster der armen en de Verheffer der ootmoedigen. Wacht een weinig, mijn
ziel, verbeid toch de goddelijke belofte,, en gij zult overvloed van alle goed in de hemel genieten. Indien
gij al te zeer de tijdelijke dingen begeert, dan zult gij de hemelse, en eeuwige missen. Houd het tijdelijke
tot uw gebruik, maar kies het eeuwige voor uw wensen. Geen tijdelijk goed kan u verzadigen, dewijl gij niet
geschapen zijt om dat te genieten.
2. Al bezat gij al de geschapen goederen, nog zoudt gij niet gelukkig of tevreden
zijn: maar geheel uw geluk en uw zaligheid is gelegen in God, die alles
geschapen heeft. Niet een geluk gelijk de dwaze minaars van de wereld zich inbeelden en wensen; maar gelijk
alle getrouwe dienaren van God verwachten, en welke de godvruchtige mensen en de reinen van hart, wier
bekering in de hemel is (1), somtijds bij voorbaat smaken. Alle menselijke troost is ijdel en kortstondig.
Zalig en waarachtig is de troost, die men inwendig ontvangt van de waarheid. Een godvruchtig mens draagt
altijd met zich Jezus zijn Verlosser, tot wie hij zegt: “Sta mij bij,
Heer, in alle plaatsen en tijden. Dat dit mijn vertroosting zij, gaarne alle menselijke troost te ontberen.
En wanneer mij uw troost ontbreekt, dan zij uw wil en uw rechtvaardige beproeving mijn grootste troost. Want
uw gramschap zal niet altoos duren, en uw bedreiging zal niet eeuwig zijn
(2).
(1) Philipp. 3: 20 (2) Ps. 102: 9
Hoofdstuk
17
Men moet alle zorg in God
stellen
1. CHRISTUS. - Zoon! Laat Mij met u doen wat Mij belieft; Ik weet wat u dienstig
is.
Gij denkt als een mens, en gij oordeelt
over vele dingen, gelijk menselijke neiging u dat ingeeft.
2. DE ZIEL. - Heer, het is alzo. Uw bezorgdheid voor mij is groter dan die ikzelf voor mij
kan hebben. Wie zijn zorg bij U niet neerlegt (1), die is in gevaar van te vallen. Heer, doe met mij volgens
het U belieft, als maar mijn wil oprecht en vast op U gericht blijft. Want het kan niet dan goed zijn, wat
Gij ook met mij doet. Wilt Gij dat ik in de duisternis zij, wees gezegend; en wilt Gij dat ik in het licht
zij, wees andermaal gezegend. Indien Gij U gewaardigt mij te troosten, wees gezegend; en wilt Gij mij
kwellingen overzenden, wees niettemin gezegend.
3. CHRISTUS. - Zoon! Zo moet gij gestemd zijn, indien gij met Mij wilt handelen. Gij moet
even zo bereid zijn tot lijden als tot verblijden. Gij moet even gaarne arm en behoeftig zijn, als rijk en
gegoed.
4. DE ZIEL. - Heer! Gaarne wil ik voor U lijden alles wat U belieft mij over te zenden. Ik
wil onverschillig van uw hand goed en kwaad, zoet en bitter, blijdschap en droefheid ontvangen; en U dank
brengen voor alles wat mij overkomt. Bewaar mij maar van alle zonde, en ik zal dood, noch hel vrezen. Als
gij mij maar voor eeuwig niet verstoot (2) en mijn naam niet uit het boek des levens wist (3), kunnen geen
welkdanige kwellingen mij hinderen.
(1) 1 Petr. 5: 7 (2) Ps. 77: 8 (3) Apoc. 3:
5
Hoofdstuk
18
De tijdelijke ellenden, moeten wij naar
het voorbeeld van Jezus, gelijkmoedig dragen
1. CHRISTUS. - Zoon! Om uw zaligheid ben Ik uit de hemel nedergedaald; Ik heb uw ellenden op
Mij genomen, niet uit dwang, maar uit liefde; opdat gij zoudt leren verduldig zijn, en de tijdelijke
ellenden verduldig verdragen. Want van mijn geboorte af tot aan mijn dood op het kruis, ben Ik nooit zonder
lijden geweest. Ik heb groot gebrek gehad aan tijdelijke dingen; Ik heb dikwijls klachten over mij gehoord;
ik heb schande en smaad zachtmoedig verdragen; Ik heb voor weldaden ondank ontvangen; voor mijn mirakelen
lastertaal en voor mijn leer tegenkanting.
2. DE ZIEL. - Heer! Vermits Gij verduldig waart in uw leven, en voornamelijk daardoor de wil
van uw Vader volbrengend, zo is het billijk dat ik, arme zondaar, verduldig lijd volgens uw wil, en de last
van dit sterfelijk leven tot mijn zaligheid draag, zolang het U belieft. Want al is het tegenwoordig leven
zeer zwaar, het wordt door uw genade zeer verdienstelijk, en door uw voorbeeld, en voetstappen der Heiligen,
zachter en verdragelijker. Ook is het nu veel troostelijker dan het vroegertijds was in de oude wet, toen de
deur des hemels gesloten bleef, toen de weg ten hemel veel donkerder scheen, en zo weinig mensen bezorgd
waren om het rijk der hemelen te zoeken: En toen de rechtvaardigen
zelf, en de uitverkorenen, het rijk des hemels niet konden ingaan vooraleer het geopend was door uw lijden
en uw heilige zoendood.
3. O
hoe grotelijks moet ik U danken, dat Gij U gewaardigd hebt mij en alle gelovigen de rechte en goede weg tot
het eeuwig rijk aan te tonen. Want uw leven is onze weg, en door de heilige verduldigheid gaan wij tot U,
die onze kroon zijt. Waart gij ons niet voorgegaan, en onze Leidsman geweest, wie zou er aan U denken U te
volgen? Ach! hoe ver zouden vele mensen achterblijven, ware het dat zij uw heerlijke voorbeelden niet voor
ogen hielden. Zie, wij zijn nog zo lauw, na zo menigvuldige mirakelen gezien, na zovele leringen gehoord te
hebben; wat zou het zijn, indien wij zulk een licht niet hadden om U te
volgen?
Hoofdstuk
19
Hoe men beledigingen moet verdragen, en
wie zich waarlijk geduldig toont
1. CHRISTUS. - Zoon! Wat hebt gij te zeggen? Houd op met klagen, en let op mijn lijden en dat
van mijn Heiligen. Gij hebt nog niet weerstaan tot bloedvergietens toe (1). Het is weinig, wat gij lijdt in
vergelijking met hen, die zoveel geleden hebben, die zo hevig bekoord, zo hard verdrukt, en zo dikwijls
beproefd en geoefend zijn geworden. Gij moet u het groter lijden der andere mensen voor de geest brengen, om
uw klein lijden beter te verdragen. Indien uw lijden u zo klein niet schijnt, zie toe of dit niet uit uw
ongeduld voortkomt. Maar uw lijden moge klein of groot zijn, arbeid om het verduldig te
dragen.
2. Hoe beter gij u schikt tot het lijden, hoe wijzer gij doet, en hoe meer verdiensten gij
bekomt: een vast besluit en de oefeningen zullen u het lijden lichter
maken. Zeg nooit: ik kan dit van die mens niet verdragen, of zulke
dingen moet ik niet lijden, want hij heeft mij groot ongelijk gedaan, en hij verwijt mij dingen, waaraan ik
zelfs niet gedacht heb; maar van een andere zal ik zulks gaarne lijden, en voor zoveel het mij dunkt te
moeten lijden. Dit is een dwaze gedachte; want dat is op de deugd van geduld geen acht geven en door wie zij
gekroond zal worden; het is meer op de personen en op het leed, dat men ons
aandoet.
3. Hij is geen oprecht verduldig mens, die niet wil lijden dan zoveel hem goeddunkt, en van
wie het hem belieft. Een waarlijk geduldig mens ziet er niet naar van wie hij te lijden heeft, tenzij van
zijn overste, van zijns gelijken, of van iemand die minder is; van een goede of deugdzame mens, of van een
verdorven of onwaardige. Maar zonder onderscheid neemt hij alles in dank aan van de hand Gods, hoe erg en
hoe dikwijls de tegenstand hem ook overkome, of van welk schepsel, en hij houdt het voor een groot voordeel.
Want geen lijden, hoe klein ook, zal God zonder verdienste laten, als men het om zijnentwil
verdraagt.
4. Wees dus altijd bereid tot strijden, indien gij de zege wilt behalen. Zonder strijd kunt
gij de kroon der lijdzaamheid niet bekomen. Wilt gij niet lijden, zo wilt gij ook niet gekroond worden. Want
verlangt gij gekroond te worden, zo strijd manhaftig en houd verduldig vol. Zonder arbeid komt men tot de
rust niet, en zonder strijd niet tot de zegepraal.
5. DE ZIEL. - Heer, maak mij door uw genade mogelijk wat mij dunkt onmogelijk te zijn met
natuurlijke krachten. Gij weet dat ik weinig lijden kan, en dat ik aanstonds kleinmoedig ben, als een kleine
tegenspoed mij overvalt. Maak, Heer, dat mij om Uw naam alle beproeving en kwelling beminnelijk en wenselijk
worden; want om uwentwil te lijden en gekweld te worden, is zeer zalig voor mijn
ziel.
(1) Hebr. 12:
4
Hoofdstuk
20
Over de erkenning van zijn eigen zwakheid
en over de ellende van dit leven
1. DE ZIEL. - Heer, ik zal mijn ongerechtigheid tegen mij belijden (1):
voor U zal ik mijn zwakheid bekennen. Dikwijls is het een kleine zaak, die
mij kleinmoedig en bedroefd maakt. Ik maak een voornemen, mij kloekmoedig te gedragen; maar overkomt mij
een kleine bekoring, terstond word ik zeer benauwd.
Het is bijwijlen een nietigheid, waaruit
een grote bekoring ontstaat. En als ik enigszins meen gerust te zijn, daar ik niets gevoel, zo word ik
somtijds door een lichte windstoot bijna omvergeworpen.
2. Aanzie dan, Heer, mijn nederigheid en broosheid, die U alleszins bekend is. Wees mij
genadig, en trek mij uit het slijk, opdat ik daar niet in verzinke, en geheel in kleinmoedigheid vervalle
(1). Wat mij zo dikwijls tegenstaat en voor uw aanschijn beschaamd maakt, is, dat ik zo wankelend, en krank
ben om aan mijn driften te wederstaan. En al brengen zij mij niet tot volkomen toestemming, nochtans valt mij hun aanvechting lastig en pijnlijk, en het verdriet mij
dagelijks te moeten strijden.
En hieruit leer ik bijzonder mijn
zwakheid kennen, dat afschuwelijke voorstellingen zich altijd veel gemakkelijker opdringen dan
heengaan.
3. O
allersterkste God van Israël, vurige minnaar der gelovigen! Aanzie de arbeid en de droefheid van uw minnaar,
en sta hem ter zijde bij alles waartoe hij zich begeeft (2). Versterk mij met de hemelse sterkte, opdat de
oude mens, dat ellendig vlees, aan de geest nog niet onderworpen, de overhand niet behale; want zolang dit
ellendig leven duurt, zal men daartegen moeten strijden. Ach, wat is toch dit leven, waar geen ellende en
bekoringen ontbreken, waar alles vol is van strikken en vijanden! Want als de een bekoring of kwelling
weggaat, is er reeds een andere in aantocht, ja terwijl de eerste strijd nog duurt, komen er meer andere
onverwachts bij.
4. Hoe kan dit leven bemind worden, dat met zoveel bitterheden doorzaaid, aan zovele ellenden
en rampen onderworpen is? Hoe kan het toch een leven genoemd worden, daar het zovelerlei dood en verderf
voortbrengt. En nochtans wordt het bemind, en velen zoeken er hun genoegen in. Men zegt dikwijls, dat de
wereld bedrieglijk en ijdel is; en nochtans wordt zij node verlaten, omdat de lusten van het vlees de
overhand hebben. Sommige dingen lokken ons om de wereld te beminnen, andere om ze te versmaden. De
begeerlijkheid van het vlees, de begeerlijkheid der ogen, en de hovaardij van het leven trekken ons tot de
liefde der wereld (3); maar de pijnen en de ellenden, die met recht daarop volgen doen ons de wereld
haten.
5. Maar, helaas! Het zondig vermaak overwint een hart, dat tot de wereld genegen is, en het
meent dat er groot vermaak onder doornen schuilt (4), omdat het de zoetheid van God en de inwendige
bekoorlijkheid der deugd niet kent of nooit gesmaakt heeft. Maar aan die de wereld volkomen versmaden en
onder heilige tucht voor God willen leven, is de goddelijke zoetheid niet onbekend, die aan de ware
versmaders der wereld beloofd is; en zij zien klaar hoezeer de wereld dwaalt en zich veelvuldig
bedriegt.
(1) Ps. 31: 5 (2) Jos. 1: 9 (3) Joann. 2: 16 (4) Job 30: 7
Hoofdstuk 21
Boven alle goederen en gaven moet men in
God alleen rust zoeken
1. DE ZIEL. - Neem altijd boven alles en in alles uw rust in de Heer, want Hij is de eeuwige
rust der heiligen. O allerzoetste en allerbeminnelijkste Jezus, geef mij dat ik in U moge rusten boven alle
schepsel, boven alle gezondheid en schoonheid, boven alle eer en roem, boven alle macht en waardigheid,
boven alle wetenschap en vernuft, boven alle rijkdommen en kunsten, boven alle blijdschap en vrolijkheid,
boven alle faam en lof, boven alle zoetheid en troost, boven alle hoop en belofte, boven alle verdienste en
verlangen, boven alle gaven en giften die Gij ons kunt ingeven en storten, boven alle heil en verrukking,
die een ziel bevatten en gevoelen kan. Eindelijk, boven de Engelen en Aartsengelen boven alle hemelse
Heirscharen, boven al het zichtbare en onzichtbare en, o mijn God, boven alles, wat Gij niet
zijt.
2. Want Gij alleen, mijn Heer en mijn God, zijt oneindig goed, Gij alleen zijt de
allerhoogste, de machtigste, de allerrijkste, en algenoegzame, de zoetste, de troostrijkste:
Gij alleen zijt de schoonste, de minnelijkste, de edelste, de uitmuntendste,
in wie alle goederen te zamen in de hoogste volmaaktheid zijn, en altoos geweest zijn en immer zijn zullen.
En daarom is alles, wat Gij mij geeft buiten Uzelf, of wat Gij mij van Uzelf openbaart en belooft, te gering
en onbevredigend, als ik U niet zie, en niet volkomen bezit. Want mijn hart kan nimmer oprecht rusten, noch
geheel tevreden zijn, tenzij het in U berust en zich boven alle gaven en alle schepselen
verheft.
3. O
allerliefste Bruidegom, zoete Jezus, allerzuiverste Minnaar, Opperheer van al het geschapene! Wie zal mij de
vleugelen der ware vrijheid geven, om tot U op te stijgen en in U te rusten? (1). O wanneer zal mijn hart
genoegzaam onthecht zijn van het aardse, en rustig mogen zien en smaken hoe zoet Gij zijt (2), mijn Heer en
mijn God? Wanneer zal ik mij ten volle in U verdiepen, en van uw liefde zo doordrongen zijn, dat ik niet
mijzelf, maar U alleen gevoel, op een wijze die boven alle verstand verheven en aan alle mensen niet bekend
is? Maar nu zucht ik dikwijls, en draag mijn ellenden met smart. Want in dit tranendal ontmoet ik vele
kwellingen, welke mij dikwijls ontstellen, bedroeven en omnevelen; dikwijls vermoeien en verstrooien,
aanlokken en verstrikken, de vrije toegang benemen tot U, en beroven van die zoete omhelzingen, die de
zalige geesten altijd genieten. Dat toch mijn gezuchten mijn verlatenheid op aarde U
ontroeren!
4. O
Jezus, glans der eeuwige glorie (1), troost der bedroefde zielen in deze ballingschap! Zie, mijn mond is
voor U zonder spraak, en mijn stilzwijgen zegt U alles. Hoelang toeft mijn Heer te komen? Ach! Dat Hij kome
tot mij, zijn arme dienaar, en mij verblijde! Dat Hij zijn hand uitreike, en mij van alle benauwdheid
verlosse! Kom! Want zonder U kan ik geen blijde dag of stond meer genieten; want Gij alleen zijt mijn
blijdschap, en zonder U is mijn tafel ledig. Ik ben door ellenden verdrukt, en als een gevangene met boeien
beladen, totdat Gij mij door het licht van uw tegenwoordigheid verkwikt en verlost, en mij uw vriendelijk
aanschijn toont.
5. Dat andere mensen buiten U zoeken wat hun belieft: mij behaagt, mij zal nooit iets behagen dan Gij alleen, mijn God, mijn hoop, mijn eeuwig
geluk. Ik zal niet stilzwijgen, niet ophouden te bidden, totdat uw genade tot mij wederkomt, tot Gij
inwendig tot mij spreken zult.
6. CHRISTUS. - Zie, hier ben Ik. Zie, Ik spreek tot u omdat gij Mij geroepen hebt. Uw tranen
en de begeerte van uw ziel, de vermorzeling van uw vernederd hart, hebben mij bewogen ene tot u doen
komen.
7. DE ZIEL. - En ik heb gezegd: Heer! Ik heb tot u
geroepen, en gewenst U te genieten, bereid alles te verlaten om uwentwil. Want Gij hebt de eerste mij
opgewekt, opdat ik U zou zoeken. Wees dus gezegend, o Heer! Die deze gunst bewezen hebt aan uw dienaar,
volgens de overvloed van uw barmhartigheid. Wat kan uw dienaar verder zeggen in uw tegenwoordigheid, wat zal
hij doen dan zich diep voor U vernederen, altoos indachtig zijnde zijn eigen boosheid en verworpenheid. Want
uws gelijken hebt Gij niet onder al het betoverende, in hemel en op aarde. Uw werken zijn volmaakt (4), uw
oordeel is het juiste (5), en door uw Voorzienigheid wordt het heelal geregeld (6). U zij dan lof en eer, o
Wijsheid des Vaders: dat mijn mond, mijn ziel, en alle schepselen te
zamen U loven en verheerlijken!
(1) Ps. 54: 7 (2) Ps. 33: 9 (3) Hebr. 1: 3 (4) Gen. 1: 31 (5) Ps. 18: 10 (6) Wijsh. 4: 3
Hoofdstuk
22
Over het gedenken van Gods
weldaden
1. DE ZIEL. - Heer, open mijn hart voor uw wet, leer mij wandelen in uw geboden (1). Geef mij
uw wil te mogen kennen, en met grote eerbied en aandacht uw weldaden, zowel de algemene als de bijzondere,
te overdenken, opdat ik U daarover waardig moge danken. Maar ik weet en belijd, dat ik ook voor het kleinste
deeltje de schuldige dank niet kan betalen. Ik ben minder dan al de weldaden, die Gij mij hebt betoond; en
als ik denk aan uw oneindige verhevenheid, zo bezwijkt mijn geest bij dit
grootse.
2. Al wat wij hebben naar ziel en lichaam, alles wat wij inwendig of uitwendig, natuurlijk of
bovennatuurlijk bezitten, zijn weldaden van U, en zij verkondigen dat Gij een milde, genadige, en
goedertieren gever zijt, van wie wij alle goed ontvangen hebben. Ofschoon de een meer, de andere min
ontvangen heeft, is toch alles het uwe; en zonder U kunnen wij het geringste niet bekomen. Wie meer
ontvangen heeft, mag er niet over roemen als op eigen verdienste, noch zich boven anderen verheffen, noch de
mindere versmaden, want hij is de grootste en beste, die zich het minste toeschijnt, en die U het nederigst
en innigst bedankt. Een die zich de verworpenste en onwaardigste van allen acht, is de bekwaamste om grote
gaven te ontvangen.
3. Integendeel, hij die minder gaven ontvangen heeft, moet zich niet bedroeven of wrevelig
worden, noch de rijkere benijden, maar hij moet eerder U aanzien, en uw goedheid loven, omdat Gij zo
overvloedig, zo milddadig en goedwillig uw gaven uitdeelt zonder aanzien van personen. Alles komt van U, en
daarom moet Gij in alles geloofd worden. Gij weet, wat van uw gaven eenieder ten stade komt, en waarom deze
meer, gene minder heeft, dit hebben wij niet te onderzoeken, maar Gij alleen, bij wie ieders verdiensten
bekend en bepaald zijn.
4. Daarom, Heer, mijn God, acht ik het voor een grote weldaad, van die gaven niet veel te
bezitten, waardoor men uitwendig schittert, en bij de mensen lof en eer bekomt; zodat iemand, die de ellende
en verworpenheid van zijn eigen persoon aanschouwt, geenszins daarover zwaarmoedig, bedroefd, of kleinmoedig
mag zijn, maar eerder daar troost en groter blijdschap in moet vinden. Want Gij, o God, hebt de armen, de
nederigen en die naar de wereld veracht waren, tot uw huisgenoten en vrienden
verkoren.
Getuigen hiervan zijn uw Apostelen, welke
Gij tot vorsten over gans de wereld hebt aangesteld (2). Zij hebben op deze wereld geleefd zonder klagen,
zeer ootmoedig, zeer eenvoudig, zonder enig arglist of bedrog; zodanig dat zij zeer verheugd waren om uw
Naam te lijden (3), en dat, waar de wereld een gruwel aan heeft, met grote liefde
omhelsden.
5. Niets moet meer vreugde baren aan die U bemint, en uw weldaden erkent, dan de vervulling
van uw heilige wil, en het welbehagen van uw eeuwige raadsbesluiten. Hij moet daarin zoveel tevredenheid en
troost vinden, de hij zo gaarne de minste wil zijn als een ander wenst de meeste te wezen. Ja, hij moet zo
tevreden zijn op de laatste plaats als op de eerste; hij moet zo gaarne in deze wereld versmaad en verworpen
zijn, en beroofd zijn van naam en faam om U, als geacht en geëerd te wezen boven alle anderen. Want uw wil,
en de liefde tot uw eer, moet alles te boven gaan en moet Hem meer troosten en behagen, dan alle hem gegeven
of nog te geven weldaden.
(1) 2 Mach. 1: 4 (2) Ps. 47: 17 (3) Hand. 5:
16
Hoofdstuk 23
Over de vier vereisten voor grote
zielenvrede
1. CHRISTUS. - Zoon! Nu zal Ik u de Weg van de vrede en de ware vrijheid des harten
leren.
2. DE ZIEL. - Doe dat, o Heer, want het is mij lief dat te
horen.
3. CHRISTUS. - Zoon, tracht liever de wil van een ander te doen dan de uwe. Tracht altoos
eerder min te hebben dan meer. Zoek altoos de laatste plaats, en achter eenieder gesteld te zijn. Wens
altijd en bid dat Gods wil geheel in u volbracht worde. Zie, een mens die aldus leeft, komt in het land van
vrede en rust.
4. DE ZIEL. - Heer, deze uw les is kort; maar zij bevat in zich een grote volmaaktheid. Zij
is kort van woorden; maar rijk van zijn en overvloedig in vruchten. Kon ik die getrouw onderhouden, ik zou
zo licht niet ontsteld zijn. Want zo dikwijls als ik mij ongerust en bezwaard gevoel, bevind ik dat ik van
deze leer afgeweken ben. Maar Gij, die alles vermoogt, en immer de voortgang der zielen zoekt, vermeerder in
mij uw genade, opdat ik uw lering moge nakomen en mijn zaligheid
bewerken.
Gebed tegen kwade
gedachten
5. O
mijn Heer en mijn God! Wijk van mij niet af: o God! Haast U om mij te
helpen (1); want in mij zijn velerlei gedachten en grote angsten
opgestaan, die mijn ziel ontstellen. Hoe zal ik daar ongekwetst doorkomen; hoe zal ik ze
overwinnen?
6. Ik zal, zegt de Heer! Gelijk Gij zegt, u voorafgaan, en de hoogmoedigen der aarde
vernederen. Ik zal de deuren van de kerker openen, en u verholen geheimen leren kennen
(2).
7. Doe, o Heer, gelijk Gij zegt, en dat alle kwade gedachten van uw aanschijn wegvliegen (3).
Het is mijn hoop, en mijn enige troost tot U mijn toevlucht te nemen in alle lijden, op U te vertrouwen, U
uit de grond van mijn hart te aanroepen, en uw troost lankmoedig af te
wachten.
GEBED OM VERLICHTING VAN DE
GEEST
8. Verlicht mij, o goede Jezus, door de klaarheid van het inwendig licht, en verdrijf alle
duisternis uit de woning van mijn hart. Bedwing de aanhoudende verstrooidheid van mijn gedachten, en verjaag
de bekoringen, die mij geweldig aanranden. Strijd krachtig met mij, en overwin die wilde roofdieren, ik zeg
de verlokkende begeerlijkheden en kwade lusten, opdat er vrede moge zijn in uw sterkte (4), en uw lof
weerklinke in uw heilige tempel, dat is, in een rein geweten. Gebied aan winden en tempeesten; zeg tot de
zee: bedaar; en tot de noorderwind: houd op met razen; en daar zal grote stilte wezen (5).
9. Zend uw licht en uw waarheid (6), opdat zij de aarde beschijnen: want ik ben een duistere en ijdele aarde, totdat Gij mij verlicht. Stort uw genade uit van
boven, besproei mijn hart met hemelse dauw; verleen de wateren van godsvrucht om deze dorre aarde te
bevochtigen, opdat zij goede en rijpe vruchten voortbrenge. Wil mijn hart verheffen, dat door de last der
zonde is neergedrukt, en keer al mijn begeerten naar het hemelse, opdat, na de hemelse zoetheid gesmaakt te
hebben, het mij walge aan het aardse nog te denken.
10. Trek mij tot U, en verlos mij van alle troost der schepselen, die niet langer
duurt: want geen schepsel kan mijn begeerte verzadigen, noch mijn hart
tevreden stellen. Verenig mij met U, door de onbreekbare band der liefde, want Gij alleen zijt genoeg aan de
minnende ziel, en zonder U is alles ijdelheid.
(1) Ps. 70:
12 (2) Is. 45: 2 (3) Ps. 67:
1 (4) Ps. 121: 7 (5) Marc. 4:
39 (6) Ps. 92: 3
Hoofdstuk
24
Dat men het nieuwsgierig
onderzoeken omtrent een anders leven moet vermijden
1. CHRISTUS. - Zoon, wil niet nieuwsgierig zijn, noch u bekommeren met ijdele zorgen. Wat
gaat u dit of dat aan? Volg Mij (1). Wat is er u aan gelegen, of deze zus of zo is of hij dit of dat doet of
spreekt? Gij moet voor anderen niet verantwoorden: maar gij zult voor
uzelf niet verantwoorden: maar gij zult voor uzelf rekenschap geven.
Waarmede bekommert gij u dan? Zie, Ik ken alle mensen en zie alles wat onder de zon plaats grijpt; Ik weet
hoe het met eenieder gaat, wat hij denkt, wat hij begeert, en tot wat einde zijn inzicht strekt. Daarom moet
men Mij alles overlaten: wat u aangaat, houd u in vrede, en laat de
woelige woelen, zoveel hij wil. Want al wat hij doet of zeggen zal, zal op hem komen, want niemand kan Mij
bedriegen.
2. Wees niet bezorgd voor de schaduw van een grote naam, noch om de vriendschap van velen, of
om de bijzondere genegenheid der mensen. Want al die dingen baren verstrooidheid en grote duisternis in het
hart. Ik zou gaarne u mijn woord toespreken en u het verscholene openbaren, indien gij op mijn bezoek altoos
aandachtig waart, en bereid om Mij de deur van uw hart te openen. Wees voorzichtig, waak in vrome gebeden
(2) en verneder u in alles.
(1) Joann. 21: 22 (2) 1 Petr. 4: 7
Hoofdstuk
25
Over de duurzame vrede des harten, en
waarin de ware voortgang bestaat
1. CHRISTUS. - Zoon! Ik heb gezegd: Ik laat u in mijn
vrede, Ik geef u mijn vrede; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u (1). Alle mensen zoeken de
vrede, maar niet allen zijn bezorgd om te onderhouden, wat tot ware vrede leidt. Mijn vrede is met de
ootmoedigen en de zachtmoedigen van hart (2). Uw vrede zal bestaan in grote lijdzaamheid. Indien gij naar
Mij luistert, en mijn lering volgt, zult gij grote vrede kunnen
genieten.
2. DE ZIEL. - Wat heb ik dan te doen?
3. CHRISTUS. - Let in alle dingen op uzelf, wat gij doet en wat gij zegt. Dat altoos uw
mening zij om Mij alleen te behagen, en om buiten Mij niets te begeren of te zoeken. Oordeel ook niet
lichtvaardig de woorden of werken van andere mensen; bemoei u niet met wat u niet werd opgedragen; zo zal
het kunnen geschieden dat gij weinig of zelden verontrust wordt. Maar nooit enige ontsteltenis gevoelen,
nooit enige kwelling van ziel of lichaam lijden, dit is de staat van het tegenwoordig leven niet, maar de
staat van het eeuwig geluk. Laat u dan niet voorstaan de ware vrede gevonden te hebben, wanneer gij geen
zwarigheid gevoelt; of dat dan alles welgaat, als gij niemand tegenstreeft; of dat gij dan volmaakt zijt,
wanneer alles geschiedt naar uw begeerte. Houd u ook dan niet voor iets groots of voor Gods bijzondere
lieveling wanneer gij grote zoetheid in de godsvrucht gevoelt: want
daaraan wordt de ware minnaar der deugd niet gekend, of daarin bestaat de voortgang en de volmaaktheid van
de mens niet.
4. DE ZIEL. - Waarin dan, Heer?
5. CHRISTUS. - In uzelf uit geheel uw hart op te dragen aan de wil van God; in uzelf niet te
zoeken, zomin in het klein als in het groot, noch in de tijd, noch in de eeuwigheid; zodat gij alles met
hetzelfde oog aanziende, en in een juiste schaal wegende, mij gelijkelijk bedankt in voor- en tegenspoed.
Indien gij zo kloek en lankmoedig zijt in de hoop, dat, bij ‘t ontberen van de inwendige troost, gij dan nog
uw hart bereidt om zwaardere kwellingen te lijden, en uzelf niet verontschuldigt alsof gij niet zoveel
verdiendet te lijden; maar dat gij in al wat u overkomt, mij voor rechtvaardig en heilig houdt:
dan wandelt gij in de rechte en ware weg van vrede, en dan moogt gij een vaste
hoop hebben, dat gij mijn aanschijn in de volle vreugde zult wederzien (3). Indien gij tot een volkomen
verachting van uzelf gekomen zijt, weet dan dat gij de vrede zo overvloedig zult genieten als het in dit
ellendig leven mogelijk is.
(1) Joann. 14: 27 (2) Matth. 11: 29 (3) Job 33:
26
Hoofdstuk
26
Over de grote waarde van een vrij gemoed,
dat men eer bekomt door het smeekgebed dan met het lezen
1. DE ZIEL. - Heer! Het is een werk van grote volmaaktheid, nooit te verflauwen in de zuivere
begeerte der hemelse dingen, en in het midden der wereldse bekommernissen voort te gaan alsof men er geen
had: niet zoals een ongevoelig mens, maar uit een zekere vrijheid des
harten, omdat men aan geen schepsel uit ongeregelde liefde gehecht is.
2. Ik bid U dan, o genadige Heer, verlos mij van de zorgen dezer wereld, opdat ik er niet in
verwarre; van de noodwendigheden van het lichaam, opdat ik niet gevangen worde door de zinnelijkheid; van
alle beletselen der ziel, opdat ik niet door bezwaren gebroken bezwijke. Ik spreek niet van zulke dingen,
die de wereldse ijdelheid met volle begeerte zoekt; maar van die ellenden, welke, als een gevolg van de
algemene vloek over de stervelingen, mij, uw dienaar, bezwaren, en beletten de vrijheid van geest te
genieten, zo dikwijls het lust.
3. O
mijn God, onuitsprekelijke zoetheid, verkeer voor mij in bitterheid alle lichamelijke troost, die mij
aftrekt van de liefde tot de eeuwige goederen en mij tot zonde lokt door de aanblik van tijdelijk goed of
vermaak. Laat mij niet overwonnen worden, o mijn God, door vlees en bloed; laat de wereld met haar
kortstondige roem mij niet bedriegen, of de duivel met zijn met zijn arglistigheid mij verschalken. Geef mij
sterkte om te wederstaan, geduld om te lijden, standvastigheid om te volharden. Geef mij, in plaats van al
de wellusten dezer wereld, de zoete zalving van uw geest, en in plaats van de aardse liefde, de liefde voor
uw naam.
4. Zie, spijs, drank, klederen en andere hulpmiddelen, tot onderhoud van het lichaam,
strekken tot last aan een vurige ziel. Verleen mij, zulke verkwikkingen matig te gebruiken, en mij daaraan
niet te hechten door te grote begeerte. Men mag niet alles afschudden, want de natuur moet haar nooddruft
hebben, doch overvloed of zinnelijk vermaak te zoeken, dit verbiedt uw heilige wet; want anders zou het
vlees tegen de geest weerspannig worden. Dus bid ik U, dat uw hand mij in dit alles leide, en mij lere in
alles matig te zijn.
Hoofdstuk
27
Dat eigenliefde allermeest van het
hoogste goed verwijdert
1. CHRISTUS. - Zoon, gij moet u geheel aan Mij geven, en voor uzelf niets behouden. Weet dat
de liefde tot uzelf u meer hindert dan enige zaak ter wereld. Volgens de liefde en neiging, die gij hebt,
zult gij aan iedere zaak min of meer gehecht zijn. Is uw liefde zuiver, eenvoudig en wel geregeld, zo zult
gij aan niets gekluisterd liggen. Begeer niet, wat gij niet moogt bezitten. Wil ook niet bezitten, wat u kan
hinderen en u de vrijheid des harten benemen. Het is wonder, dat gij u niet uit de grond van uw hart geheel
aan Mij overgeeft, met alles wat gij kunt wensen of bezitten.
2. Waarom wordt gij gekweld met ijdele droefheid? Waarom u vermoeid met onnodige zorgen? Stel
u geheel in mijn wil, en gij zult geen nadeel lijden. Indien gij dit of dat verlangt, en hier of daar wilt
zijn, om uw gemak of om meer uw eigen wil te hebben, zo zult gij nooit gerust van hart, noch vrij van kommer
zijn, want in alle dingen zult gij een gebrek vinden, en op alle plaatsen iemand die u
tegenstreeft.
3. Het helpt dan weinig uitwendige dingen te bekomen of te vermeerderen; het is veel beter
die te versmaden, en met wortel uit te roeien. Dit moet gij niet alleen verstaan van schatten en rijkdommen,
maar ook van het streven naar eer en ijdele lof, want al deze dingen gaan voorbij met de wereld. De plaats
bevrijdt weinig, als de geest van ijver ontbreekt; en de vrede, die uitwendig gezocht wordt, zal niet lang
duren, als de staat des harten de ware grondslag mist; dat is, indien gij in Mij niet berust, kunt gij u wel
verplaatsen, maar uw lot niet verbeteren. Want bij de eerste gelegenheid, die er voorkomt, zult gij vinden,
wat gij hebt willen ontvluchten, ja, nog erger.
Gebed om zuiverheid der harten en hemelse
wijsheid
4. Versterk mij, o God, door de genade van de Heilige Geest. Geef dat de kracht, in de
inwendige mens versterkt worde (1) en mijn hart zich ontdoe van alle onnuttige zorg en angst, en mij niet
meer late vervoeren door de begeerlijkheid van aardse dingen, gering of kostbaar; maar dat ik alle dingen
aanzie als vergankelijk, en mijzelf als moetende met hen voorbijgaan. Want niets is onbestendig onder de
zon, ‘t is alles ijdelheid en kwelling des geestes (2). O hoe wijs is hij, die het alzo
beschouwt!
5. Geef mij ook, o Heer, de hemelse wijsheid, opdat ik lere U boven alles te zoeken en te
vinden, boven alles te smaken en te beminnen verder alle dingen aan te zien gelijk zij in waarheid zijn,
volgens ordening van uw wijsheid. Leer mij met voorzichtigheid de vleier vermijden, de tegenkanter geduldig
verdragen; want het is grote wijsheid, zich niet te laten bewegen door alle woorden, en niet te luisteren
naar bedrieglijke vleitaal; want alzo gaat men veilig voort op de ingeslagen
weg.
(1) Ef. 3: 16 (2) Eccl. 1: 14
Hoofdstuk
28
Goede raad tegen
kwaadsprekers
1. CHRISTUS. - Zoon! Bedroef of ontstel u niet, wanneer sommige mensen kwaad van u denken, en
zeggen wat gij niet gaarne hoort. Want gij moet van uzelf nog erger denken, en niemand voor zwakker houden
dan u. Indien gij inwendig voor God wandelt, zult gij de voorbijvliegende woorden er mensen niet veel
achten. Het is geen kleine wijsheid stil te zwijgen in de kwade tijden, en inwendig zich tot Mij te keren,
zonder ontsteld te worden door het oordeel der mensen.
2. Stel uw vrede niet in de gevoelens of de woorden der mensen; want of zij kwalijk of goed
gevoelen van u hebben, gij blijft daarom niet minder die gij zijt. Waarin is de ware vrede en ware roem
anders te vinden dan in Mij? En die de mensen niet zoekt te behagen of vreest te mishagen, zal grote vrede
genieten. Uit de ongeregelde liefde en ijdele vrees ontstaat alle onrust des harten en verstrooidheid der
zinnen.
Hoofdstuk
29
Hoe men in tegenspoed God moet aanroepen
en zegenen
1. DE ZIEL. - Dat uw Naam in eeuwigheid gezegend zij, Heer? Die mij deze bekoring en deze
kwelling hebt willen laten overkomen. Ik kan ze niet ontvluchten, maar ik word genoodzaakt tot U mijn
toevlucht te nemen; opdat ik door uw hulp deze kwelling tot mijn goed moge keren. Heer! Zie, ik ben nu in
het lijden, en mijn hart is ontsteld; ik word op deze stond door de bekoring zeer geplaagd. O lieve Vader!
Wat zal ik nu zeggen? Zie, ik ben bevangen met grote schrik. Red mij in dit uur. Maar daarom ben ik in dit
uur gekomen (1), opdat Gij zoudt verheerlijkt worden met mij te verlossen, nadat ik zeer diep vernederd ben
geweest. Heer, dat het U toch believe mij te redden (2): want wat kan
ik, arme mens, doen, en waar wil ik heen zonder U? O Heer! geef mij ook ditmaal geduld. Help mij, o God! En
ik zal niet vrezen, hoezeer ik ook bezwaard worde.
2. En wat zal ik intussen zeggen? Heer, dat uw wil geschiede (3); ik heb al te zeer verdiend
alzo verdrukt en bezwaard te worden. Het past mij dan ook dit te verdragen: en ach! Of ik het verduldig mocht doen, totdat de storm voorbij zij, en het beter met mij
ga! Uw almachtige hand zal ook deze bekoring van mij wegnemen, en haar geweld matigen, opdat ik niet geheel
bezwijke: gelijk Gij tevoren zo dikwijls met mij gedaan hebt, o mijn
God, mijn barmhartigheid! (4) En hoe moeilijker het voor mij is, hoe lichter voor U deze verandering is, die
voortkomt van de rechterhand van den Allerhoogste (5).
(1) Joann.
12: 27 (2) Ps. 39: 14 (3)
Matth. 26: 42 (4) Ps. 58: 18 (5) Ps. 76: 2
Hoofdstuk
30
Dat wij Gods hulp moeten afsmeken en op
de terugkeer van zijn genade vertrouwen
1. CHRISTUS. - Zoon! Ik ben de Heer, die sterkte geeft in de dag der bekoring (1). Kom tot
mij als het u niet welgaat. Wat allermeest de hemelse troost belet, is, dat gij u te laat tot het gebed
begeeft. Want alvorens Mij met aandrang te bidden, zoekt gij elders troost, en uw vermaak in uitwendige
dingen. En daarbij komt het dat alles weinig baat, totdat gij bekent dat Ik de Redder ben van wie op Mij
hopen (2), en dat er buiten Mij geen krachtige hoop is, geen nuttige raad, geen duurzaam geneesmiddel. Maar
nu gij weder adem schept na de storm, herneem uw moed in het licht van mijn barmhartigheden:
want Ik ben nabij, zegt de Heer, om alles te herstellen, niet alleen volkomen,
maar overvloedig en bovenmate.
2. Is er voor Mij wel iets moeilijk om te
doen? (3) Of zal Ik gelijk zijn aan iemand die gelooft en niet volbrengt? (4) Waar is uw geloof? Sta vast en
volhard. Wees lankmoedig en manhaftig: de troost zal u op tijd
toekomen. Wacht op Mij, wacht, Ik zal komen en u genezen. Een beproeving is het die u kwelt; een ijdele
vrees, die u verschrikt. Waartoe dient al die bezorgdheid voor de onzekere toekomst? Niet dan om uw
droefheid te vermeerderen. Iedere dag heeft aan zijn eigen leed genoeg (5). Het is zeer ijdel en dwaas,
bedroefd te zijn of verblijd over de toekomstige dingen, die misschien nooit zullen
gebeuren.
3. Het is toch menselijk door zulke inbeeldingen ontsteld te worden, en een teken van
kleinmoedigheid, als men zo licht bewogen en verleid wordt door het inblazen van de vijand. Want het is hem
onverschillig, of hij iemand met ware of met valse voorstellingen verleidt en bedriegt; of hij iemand
overwint door liefde voor het aanwezige of door vrees voor het toekomstige. Wees dan niet ontsteld of
bevreesd van hart (6). Gelooft in Mij, en heb vertrouwen in mijn barmhartigheid. Als gij meent dat gij van
Mij verwijderd zijt, dan ben ik dikwijls het dichtst nabij. Als gij meent dat bijna alles verloren is, dan
is het dikwijls de tijd om veel te verdienen. Het is niet al verloren, omdat een zaak verkeerd uitvalt. Gij
moet niet oordelen volgens de indruk, die gij tegenwoordig gevoelt, of gij moogt de zwarigheid, van waar die
ook moge komen, zo diep in het hart niet ontvangen, of er u aan overgeven, alsof er geen hoop ware van
daaruit te geraken.
4. Wil niet denken, dat gij geheel verlaten zijt, als is het, dat Ik u voor een tijd enige
kwelling toezend of u de vertroosting onttrek; want zo gaat men tot het rijk der hemelen. En het is voor u
en voor al mijn dienaren ongetwijfeld voordeliger, door tegenspoed geoefend te worden, dan alles naar uw
begeerte te hebben. Ik ken de verborgen gedachten, en Ik weet, dat het voor uw zaligheid zeer dienstig is,
dat gij somtijds in dorheid en zonder vertroosting gelaten wordt, opdat gij u niet zoudt verheffen in de
vooruitgang, en uzelf zoeken te behagen in wat gij niet zijt. Hetgeen Ik gegeven heb, mag Ik ontnemen, en
ook weergeven als het Mij belieft.
5. Als Ik iets geeft, dan blijft het mijne; als ik het afneem, neem Ik het uwe niet; want
alle goede en volmaakte gift komt van Mij (7). Indien Ik u enige zwarigheid of tegenspoed overzend, weest
niet gestoord of laat de moed niet zinken. Ik kan in een stond u verlichten en alle zwarigheid in blijdschap
verkeren. En wanneer Ik alzo met u handel, blijf Ik rechtvaardig en waard hoog geprezen te
worden.
6. Indien gij wijs zijt, en naar waarheid oordeelt, zo zult gij in tegenspoed niet
kleinmoedig zijn, maar eerder zult gij u verblijden en Mij bedanken. Ja, dit alleen zoudt gij voor ware
blijdschap moeten rekenen, dat Ik u niet spare: maar door het lijden
beproeve (8). Eertijds heb Ik tot mijn discipelen gezegd: Gelijk de
Vader Mij bemind heeft, zo bemin Ik u (9). En deze discipelen heb Ik waarlijk niet gezonden tot tijdelijke
vreugde, maar tot strijden en lijden; niet tot ereambten, maar tot versmadelijkheden; niet tot ledigheid,
maar tot arbeid; niet om te rusten, maar om vele vruchten te vergaderen in lijdzaamheid. Zoon! Wil deze
woorden altijd gedenken.
(1) Nahum. 1: 7 (2) ps. 16: 7 (3) Jer. 32: 27 (4) Num. 23: 19 (5) Matth. 6: 34
(6) Joann. 17: 27 (7) Jac. 1:
17 (8) Job 6: 10 (9) Joann. 15:
12
Hoofdstuk
31
Men moet elk schepsel versmaden om de
Schepper te kunnen vinden
1. DE ZIEL. Heer! Ik heb nog grotere genaden nodig, indien ik zover wil komen dat noch mens,
noch enig schepsel, mij zou kunnen hinderen. Want zolang mij nog enige zaak gebonden houdt, kan ik niet vrij
tot U opvliegen. Hij had het verlangen om vrij te vliegen die kon zeggen: Wie zal mij vleugelen als van een duif geven, opdat ik opwaarts vliege en ruste? (1) Wat
is er rustiger dan de blik van een eenvoudige? En wat is vrijer dan een mens, die niets verlangt op aarde?
Wij moeten dan boven alle schepselen omhoogvaren, onszelf volkomen verlaten, en ons in de geest verheffen,
om te bemerken dat Gij, de Schepper van alles, niets gemeen hebt met enig van uw schepselen. En zolang
iemand niet gans ontbonden is van alle schepselen, zal hij zijn aandacht niet onbelemmerd op het goddelijke
kunnen vestigen. Daarom vind men zo weinige mensen, die de geest der beschouwing hebben:
omdat er zo weinigen zijn, die zich volkomen kunnen losmaken van de
schepselen en van al het vergankelijke.
2. Daartoe is er een grote genade nodig, die de ziel oplicht, en boven haarzelf opvoert. En
zolang de mens in de geest niet aldus verheven is, onthecht van alle schepselen, en geheel verenigd met God,
zolang is al wat hij bezit, weinig te achten. Hij zal lang klein zijn en tot de aarde geneigd blijven. Die
buiten het enige, oneindige, en eeuwige Goed niets voor groot acht. Alles wat God niet is, dat is
nietigheid, en moet voor nietigheid gehouden worden. Daar is groot verschil tussen de wijsheid van een
verlicht en godvruchtig mens, en de wetenschap van een leergierig en geletterd geestelijke. De wijsheid die
van boven komt en door God zelf wordt ingestort, is veel edeler dan die welke met moeite door menselijk
verstand bekomen wordt.
3. Men vindt er velen, die naar de beschouwing verlangen; maar zij zoeken niet te beoefenen
wat daartoe nodig is. Het is ook een groot beletsel dat men zich ophoudt met uitwendige en zichtbare dingen,
en weinig werk maakt van de volmaaktste versterving. Ik weet niet wat het is, noch door welke geest wij
geleid worden, noch wat wij voorwenden, wij die naar de uiterlijke schijn geestelijke mensen heten; dat wij
door zoveel arbeid en zorg nietige en vergankelijke dingen najagen, terwijl wij zelden of nooit met volkomen
ingetogenheid van zinnen aan onze inwendige staat denken.
4. Helaas! Als wij een weinig ingekeerd zijn, lopen wij aanstonds weer naar buiten; en zo
onderzoeken wij nooit onze werken met naarstigheid. Wij zien niet na, waartoe onze genegenheden zich
verlagen en betreuren niet dat al onze werken zo onrein zijn. Alle vlees had zijn weg bedorven (2) en daarom
zond God de grote watervloed. Aangezien dan onze inwendige neiging zeer bedorven is, zo moeten onze werken,
die er uit volgen, als het teken van onze inwendige krachteloosheid noodzakelijk ook bedorven zijn. De
vrucht van een goed leven komt voort uit een zuiver hart.
5. Men vraagt wel hoeveel iemand gedaan heeft; maar hoeveel deugd er in zijn daden is, daarop
wordt niet nauwkeurig gelet. Men vorst na of iemand kloekmoedig, rijk, schoon en bekwaam is, of hij een goed
zanger, een goed schrijver of werkman is; maar men vraagt zelden of hij arm van geest is, geduldig en
zachtmoedig, of hij godvruchtig en ingekeerd is. De natuur ziet naar het uitwendige van de mens, maar de
genade keert zich altijd tot het inwendige. De natuur bedriegt zich dikwijls, maar de genade stelt haar hoop
op God, opdat zij niet bedrogen worde.
(1) Ps. 64: 7 (2) Gen. 6: 12
Hoofdstuk
32
Over de zelfverloochening en de verzaking
van alle begeerlijkheid
1. CHRISTUS. - Zoon, gij kunt de volkomen vrijheid niet bekomen, tenzij gij uzelf geheel
verloochent. Want allen, die zichzelf zoeken en beminnen, zijn als geboeid; zij zijn vol kwade driften;
nieuwsgierig her- en derwaarts lopende; zij zoeken altijd hun gemak, en niet wat Mij aangenaam is; zij
beramen dikwijls en beginnen wat geen stand kan houden. Want alle dingen, die uit God niet komen, moeten
vergaan. Onthoud deze korte maar diepzinnige woorden: Verlaat alles en
gij zult alles vinden. Verzaak alle begeerlijkheid en gij zult troost vinden. Overleg dit dikwijls in uw
gemoed, en als gij het volbracht zult hebben, zult gij er de waarheid van
begrijpen.
2. DE ZIEL. - Heer! Dit is geen werk van een dag, noch kinderspel: al de volmaaktheid van het geestelijk leven is in die korte woorden
opgesloten.
3. CHRISTUS. - Zoon! Gij moet u niet laten afschrikken, of niet terstond kleinmoedig worden,
als gij hoort spreken van de weg der volmaaktheid; maar eerder opgewekt worden tot het hogere of ten minste
met een grote begeerte daarnaar verlangen. Och, ware het met u zo gesteld en waart gij zover gekomen, dat
gij uzelf niet meer beminde, maar eenvoudig wist te gehoorzamen op mijn wenk, of op die van de overste, die
Ik over u gesteld heb, dan zoudt gij Mij zeer behagen, en zou geheel uw leven in blijdschap en ware vrede
voorbijgaan. Nog veel hebt gij te verlaten, en indien gij er om mijnentwil niet van afziet, zult gij nooit
bekomen wat gij van Mij begeert. Ik raad u, koop van Mij goud door het vuur beproefd (1), opdat gij rijk
wordt, dat is te zeggen; de hemelse wijsheid, die al het aardse met
voeten treedt. Versmaad daarvoor alle aardse wijsheid, alle menselijk opzicht, en
eigenbehagen.
4. Ik zeg u, verwissel het grote en kostbare in de ogen der mensen, voor het geringere. Want
de ware wijsheid des hemels, die geen groot gevoelen van zichzelf heeft, en geen verheffing zoekt op aarde,
is nu zeer klein geacht en bijna gans vergeten: velen prijzen met haar
de mond, maar door hun leven wijken zij er van af. Nochtans is zij die kostbare parel (2), voor velen
verborgen.
(1) Apoc. 3: 18 (2) Matt. 13: 46
Hoofdstuk
33
Over de onstandvastigheid des harten, en
de plicht ons einddoel in God te stellen
1. CHRISTUS. - Zoon, vertrouw niet veel op uw stemming van dit ogenblik, want die kan spoedig
veranderen. Zolang gij leeft, zult gij aan verandering onderhevig zijn, en dit met of tegen uw wil; nu
blijgemoed, dan droevig; nu gerust, dan ongerust; nu godvruchtig, dan zonder godsvrucht; nu naarstig, dan
traag; nu ernstig, dan lichtzinnig. Maar de wijze, die in ‘t geestelijke wel geoefend is, verheft zich boven
al dat wisselvallige. Hij geeft geen acht wat hij in zijn gemoed gevoelt, of van welke zijde de wind der
ongestadigheid blaast; maar hierop, dat zijn ziel met volle krachtinspanning naar het voorgeschreven en
gewenste doel vooruitga. En zo is het dat hij in het midden van allerhande lotswisselingen op Mij alleen
zijn mening en inzichten stellende, onwrikbaar en altoos een en dezelfde
blijft.
2. En hoe zuiverder het oog der mening is, hoe standvastiger men te midden der menigvuldige
stormen wandelt. Maar dat oog wordt in velen verduisterd, omdat men zich licht keert tot iets vermakelijks
dat zich voordoet. Want zelden wordt er iemand gevonden, die gans vrij is van de vlek der zelfzucht. Zo
kwamen eertijds de Joden te Bethanië tot Maria, en Martha, niet voor Jezus alleen, maar tevens om Lazarus te
zien. (1) Men dient dus het oog van zijn mening te zuiveren, opdat het eenvoudig en oprecht weze, en het
tussen allerhande voorvallen en veranderingen tot Mij te sturen.
(1) Joh. 12: 9
Hoofdstuk
34
Wie God bemint, vindt bij alles en boven
alles in Hem zijn genoegen
1. DE ZIEL. - Ziedaar mijn God en mijn Al! Wat wil ik mee, wat kan ik gelukkigers wensen? O
troostrijk en zoet woord! Maar voor hem die het Woord bemint, niet de wereld en wat in de wereld is (1).
Mijn God en mijn Al! Dit is dikwijls genoeg gezegd voor die het verstaat; en het dikwijls herhalen, is
genoegzaam aan die bemint. Want daar Gij, o Heer! Tegenwoordig zijt, is alles aangenaam; maar waar gij niet
zijt, is alles verdrietig. Gij maakt onze harten gerust, Gij verleent grote vrede en feestvreugde. Gij maakt
dat men zich alles laat welgevallen, en in alle dingen U love; zonder U kan niets lang behagen; maar om
ergens smaak en genoegen in te bekomen, moet er uw genade bij wezen, en het zout van uw wijsheid het
bereiden.
2. O
Heer, die U smaakt, wat zal er hem smakeloos zijn? En iemand, die geen smaak in U heeft, wat zal hem
aangenaam kunnen wezen? Maar de wijzen van deze wereld, en de vleselijke gezinden, vergaan in hun wijsheid;
want in de wereld is niets dan ijdelheid, en in het vlees niets dan de dood. Maar zij, die U volgen door het
versmaden van de wereld en door de versterving van het vlees, zijn waarachtig wijs; want zij gaan van de
ijdelheid tot de waarheid over, en van de vleselijkheid tot de geest. Zulke mensen vinden smaak in God, en
het goed dat zij in de schepselen vinden, wenden zij aan tot lof van hun Schepper. Nochtans is er een
verschil, een groot verschil tussen de smaak van de Schepper en het schepsel, van de eeuwigheid en de tijd,
van het ongeschapen licht en het ontstoken licht.
3. O
eeuwig licht, dat alle geschapen lichten oneindig te boven gaat: schiet
uw stralen uit van de hemel, en dat zij het binnenste van mijn hart doordringen. Zuiver, verblijd, verlicht
en verlevendig mijn ziel met al haar krachten, opdat zij zich met u verenige in juichende verrukking. Ach!
Wanneer zal het gelukkig en wenselijk uur komen, dat Gij mij zult verzadigen door uw tegenwoordigheid, en
mij alles zijn in alle dingen? Want zolang dit mij niet verleend wordt, zal mijn blijdschap niet volkomen
wezen. Helaas, de oude mens leeft in mij, hij is nog niet geheel gekruisigd, niet volkomen dood. Hij staat
nog krachtig op tegen de geest: hij voert nog inwendig strijd, en laat
het rijk van mijn ziel geen rust.
4. Maar Gij, o Heer! Die heerschappij hebt over de zee, en het geweld van haar baren
stilt, sta op, kom mij te hulp (2). Verstrooi de volkeren die oorlog zoeken
(3), en verplet ze door uw kracht. Ik bid U, toon uw wonderwerken, en doe de macht van uw rechterarm
uitschijnen (4); ik heb anders geen hoop noch toevlucht dan in U, mijn Heer en mijn
God!
(1) 1 Joan. 2: 15 (2) Ps. 88: 10 (3) Ps. 67: 32 (4) Judith 9: 2
Hoofdstuk
35
In dit leven is men niet beveiligd tegen
bekoringen
1. CHRISTUS . - Zoon, gij zijt in dit leven nooit veilig; maar zolang gij leeft zullen u
geestelijke wapenen nodig zijn. Gij wandelt in het midden der vijanden; van alle kanten wordt gij bevochten.
Indien gij u dan niet gedurig dekt met het schild van verduldigheid, zult gij niet lang ongewond blijven.
Daarenboven, indien gij uw hart niet vast op Mij stelt, met de vaste wil van alles uit liefde tot Mij te
lijden, zo zult gij het geweld der bekoring niet uitstaan, noch de palmtak der gelukzaligen bekomen. Gij
moet dan kloekmoedig door alles heen dringen, en grote kracht gebruiken tegen alle wederstand. Want het
Manna wordt de overwinnaar gegeven (1), en voor de lafhartige is er vele ellende
bereid.
2. Indien gij rust zoekt in dit leven, hoe dan zult gij hiernamaals tot de eeuwige rust
komen? Bereid u niet tot veel rust, maar tot veel verduldigheid. Zoek de ware vrede niet op aarde, maar in
de hemel; niet bij de mensen of de andere schepselen, maar in God alleen. Ter liefde van God moet gij alles
gaarne ondergaan: arbeid, pijnen, bekoringen, kwellingen, benauwdheden,
armoede, ziekten, opspraak, verwijten, vernederingen, schande, berispingen,
versmadingen.
Deze dingen helpen tot de deugd; deze
beproeven de navolger van Christus; deze bereiden de hemelse kroon. Voor kortstondige arbeid zal ik eeuwig
loon geven, en van voorbijgaande schande oneindige glorie.
3. Meent gij altijd geestelijke vertroostingen te hebben, als gij ze verlangt? Mijn heiligen
hebben die niet altijd gehad, maar integendeel veel zwarigheden, velerlei bekoringen en grote verlatenheid.
Doch zij zijn in alles verduldig geweest, en hebben hun betrouwen meer op God dan op zichzelf gesteld,
gedenkende dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet te achten is bij de toekomende glorie (2), welke er
door verdiend wordt. Wilt gij terstond hebben wat velen nauwelijks na macht van tranen en zware arbeid
bekomen hebben? Verwacht de Heer, gedraag u mannelijk (3), en wordt gesterkt; mistrouw niet, wijk niet
af: maar geef leven en lichaam edelmoedig ten beste voor de glorie van
God. Ik zal het u ten volle vergelden, en Ik zal met u wezen in al uw
lijden.
(1) Apoc. 2: 17 (2) Rom. 8: 18 (3) Ps. 26:
14
Hoofdstuk
36
Men moet de ijdele oordelen der mensen
niet vrezen
1. CHRISTUS. - Zoon, stel de rust van uw hart vast in de Heer, en vrees de oordelen der
mensen niet, wanneer uw geweten van uw onschuld getuigt. Het is goed en zalig alzo te lijden, en dit zal ook
niet zwaar vallen aan een ootmoedig hart dat meer op God dan op zichzelf betrouwt. De mensen zeggen veel,
zeer veel; en daarom is er weinig geloof aan te geven. Het is ook onmogelijk allen te voldoen. Alhoewel
Paulus getracht heeft eenieder te behagen in de Heer, en alles voor allen geworden is (1), nochtans achtte
hij het voor de minste, voor de vierschaar der mensen te worden geoordeeld
(2).
2. Hij heeft zijn best gedaan om anderen te stichten, en aan hun zaligheid gearbeid zoveel in
zijn macht was; maar hij heeft niet kunnen beletten dat hij door sommige mensen veroordeeld en belasterd
werd. Daarom heeft Hij zijn Hemelse Vader alles aanbevolen, wie alles bekend is; en heeft zichzelf door
geduld en ootmoed gewapend tegen kwaadsprekende tongen, en tegen de ijdele en leugenachtige vermoedens van
hen die alles naar willekeur uitbrachten. Nochtans heeft hij somtijds zich verantwoord, opdat de kranken
door zijn stilzwijgen niet verergerd zouden worden.
3. Wie zijt gij dat gij vreest voor een sterfelijk mens? (3) Heden is hij, en morgen ziet men
hem niet meer. Vrees God, en gij zult voor het schrikbarende van mensen niet beven. Wat kan een mens u doen
met al zijn woorden en lasteren? Hij hindert zich erger dan u; en hij zal Gods woord niet ontgaan, wie hij
ook zijn moge. Wat u betreft, heb God voor ogen, en wil nergens over twisten of klagen. Al schijnt gij nu te
bezwijken, en onverdiend enige beschaamdheid te lijden, wil u daarom niet ontstellen, en verminder uw kroon
niet door onlijdzaamheid. Maar wend liever uw ogen tot Mij in de hemel; tot Mij, die machtig ben u te
verlossen uit alle beschaming en ongelijk, en aan eenieder te geven volgens zijn werken
(4).
(1) 1 Kor. 9: 22 (2) 1 Kor. 4: 3 (3) Is. 51; 12 (4) Rom. 2: 6
Hoofdstuk
37
Men moet zichzelf volledig en zuiver aan
God overgeven, om de vrijheid des harten te bekomen
1. CHRISTUS. - Zoon, verlaat uzelf, en gij zult Mij vinden. Wees zonder voorkeur, sta alle
eigendom af, en gij zult gedurig winst doen. Want zohaast gij uzelf zonder wederhouding aan Mij overgeeft,
zal u nog overvloediger genade gegeven worden.
2. DE ZIEL. - Heer, hoe dikwijls moet ik mij overgeven en waarin mij
onderwerpen?
3. CHRISTUS. - Altijd en in alle stonden, zo in grote als in kleine dingen. Ik maak geen
uitzondering, maar Ik wil dat Ik u van alles ontbloot vinde. Hoe zult gij anders aan Mij, en Ik aan u kunnen
toebehoren, tenzij gij van buiten en van binnen van alle eigen wil beroofd zijt? Hoe eerder gij dit doet,
des te beter zult gij u bevinden; en hoe volkomener en rechtzinniger gij het doet, zoveel te behaaglijker
zult gij Mij wezen, en meerder verdiensten hebben.
4. Sommigen geven zichzelf over, doch met enig voorbehoud; zij vertrouwen niet volkomen op
God, en daarom willen zij zich nog voorzien van wat hun nodig kan zijn. Anderen offeren alles op, maar
daarna, door bekoring geschokt, leren zij weder tot zichzelf, en daarom gaan zij zeer weinig vooruit in de
deugd. Dezen beider zullen nimmer tot de ware vrijheid van een zuiver hart, en tot de genade van mijn zoete
gemeenschap komen, voordat zij zich eerst volkomen aan Mij overgeven, en zich dagelijks opofferen; zonder
dit offer kan men zich met Mij niet verenigen, of Mij genieten.
5. Ik heb u dikwijls gezegd, en zeg het nogmaals: verzaak uzelf, geef uzelf over aan Mij, en gij zult grote inwendige vrede smaken. Geef
alles voor alles: verlang niets, vraag niets weder, houd u standvastig
aan Mij gekleefd en gij zult Mij bezitten. Dan zult gij vrij zijn van hart, en de duisternis zal u niet
nederdrukken (1). Betracht dit, vraag dit, wens dit: namelijk van alle
eigenliefde verlost te wezen, om naakt, de naakte Jezus te volgen, uzelf af te sterven, en eeuwig voor Mij
te leven. Dan zullen alle ijdele inbeeldingen, boze ontsteltenissen, en overtollige zorgen verdwijnen. Dan
ook wijkt alle onmatige vrees en sterft alle ongeregelde eigenliefde.
(1) Ps.
138: 2
Hoofdstuk
38
Over de goede regeling van het inwendig
gedrag en de toevlucht tot God in de gevaren
1. CHRISTUS. - Zoon, gij moet zorgvuldig trachten, in alle plaatsen en in alle werken of
uitwendige bezigheden, inwendig vrij te zijn en uzelf te bezitten! Zodanig dat aan alles u onderworpen zij,
en zij aan niets. Opdat gij meester en bestuurder van al uw werken zijt, en geen dienstknecht of slaaf. Gij
zult alzo een oprecht en vrij Hebreër zijn, overgaande tot het erfdeel en de vrijheid van Gods ware
kinderen; Die verheven zijnde boven al de tijdelijke dingen, de eeuwige
zaken in de toekomst aanschouwen; Die zich niet laten verlokken door
het aards om het aan te hangen; maar deze eerder aantrekken om ze tot het goed te doen dienen, volgens dat
het van God geschikt is, en ingesteld door de opperste Werkmeester, die niets ongeschikt in zijn schepsel
gelaten heeft.
2. Indien gij in alle voorvallen niet blijft staan bij de uitwendige schijn, en wat gij hoort
of ziet, met geen zinnelijk oog beschouwt, maar bij iedere aangelegenheid terstond met Mozes in het
tabernakel gaat, om van God raad te vragen, zo zult gij de goddelijke ingeving ook somtijds horen, en
onderwezen in vele tegenwoordige en toekomende dingen wederkeren. Want Mozes nam in twijfelachtige vragen
altijd zijn toevlucht tot het tabernakel; en zocht hulp in het gebed, om verlost te worden van de gevaren en
de listen der kwade mensen. Alzo moet gij ook uw toevlucht nemen tot het binnenste van uw hart, en daar met
alle aandrang de hulp van God afsmeken. Want waarom leest men dat Josuë en de kinderen van Israël bedrogen
zijn geweest door de Gabaonieten? Omdat zij God vooraf niet te rade waren gegaan (1), maar te licht
geloofden aan verlokkende woorden, en zo werden zij door gehuichelde vroomheid
misleid.
(1) Jos. 9: 14
Hoofdstuk
39
Dat men in zijn zaken niet al te bezorgd
moet zijn
1. CHRISTUS. - Zoon! beveel Mij altijd uw zaken aan; Ik zal alles ten beste schikken op zijn
tijd. Wacht naar mijn beschikking, en gij zult er baat bij hebben.
2. DE ZIEL. - Heer, zeer gaarne laat ik U al mijn zaken over; want mijn gedachten kunnen mij
weinig baten. Ach, dat ik voor de toekomst niet bekommerd en beangstigd ware, en mij in alles terstond aan
uw welbehagen opdroeg.
3. CHRISTUS. - Zoon, dikwijls jaagt de mens met drift een zaak na, die hij gaarne had:
maar als zij ze bekomen heeft, zo begint hij anders te denken; want zijn
neigingen blijven niet lang staan op een en dezelfde zaak, maar drijven hem gedurig van het een tot het
ander.
Het is daarom van geen gering belang,
zichzelf ook in het minste te verloochenen.
4. De ware vooruitgang van de mens ligt in zelfverloochening, en de mens die zich
verloochent, is zeer vrij en gerust. Maar de oude vijand, die strijdt tegen al wat goed is, houdt niet op te
bekoren; dag en nacht legt hij listen en lagen, hopende de onvoorzichtige eens in zijn strikken te vangen.
Waakt en bidt, zegt de Heer, opdat gij in geen bekoring valt (1).
(1) Matth. 26: 41
Hoofdstuk
40
De mens heeft niets goeds uit zichzelf en
mag zich nergens over beroemen
1. DE ZIEL. - Heer, wat is de mens dat Gij hem gedachtig
zijt? Of de zoon van de mens, dat Gij hem bezoekt? (1) Waar heeft de mens verdiend dat Gij hem uw genade
geeft? Wat mag ik mij beklagen, Heer, als Gij mij verlaat; of wat kan ik er met reden tegen inbrengen, als
Gij niet doet wat ik verzoek? Dit mag ik voorwaar denken en zeggen: Heer, ik ben niets, ik vermag niets, ik heb niets goeds uit mijzelf; maar ik bezwijk in
alle dingen, en ik zink altijd naar het niet. En indien ik door U niet geholpen, en inwendig versterkt word,
zo zal ik zeer lauw en krachteloos worden.
2. Maar Gij, o Heer! Blijft altijd dezelfde, en blijft in eeuwigheid (2); altijd goed, altijd
rechtvaardig, altijd heilig; Gij doet alle dingen wèl, heilig en rechtvaardig, en beschikt alles in uw
wijsheid. Maar ik, meer genegen om achteruit dan om voorwaarts te gaan, ik blijf niet duurzaam in dezelfde
staat: want allerlei wisselingen gaan over mijn hoofd (3). Nochtans
gaat het haast beter met mij, als het U belieft mij uw helpende hand toe te reiken: want Gij alleen kunt mij zonder mensenhulp bijstand verlenen, en zó versterken, dat mijn
gelaat niet telkens van uitdrukking verandere (4), maar dat mijn hart alleen tot U keert en in U
rust.
3. Daarom, indien ik alle menselijke troost wel kon verwerpen, hetzij om de godsvrucht te
bekomen, hetzij ter oorzake van de noodzakelijkheid, die mij praamt U te zoeken (want geen mens ter wereld
kan mij troosten), dan zou ik met reden uw genade mogen verwachten, en mij verblijden over de gave van een
nieuwe vertroosting.
4. Ik dank U, o Heer! Die de oorsprong zijt van alles, zo dikwerf mij iets goeds overkomt.
Maar ik, ik ben voor uw ogen ijdelheid en nietigheid, een ongestadig en krank mens. Waarop dan kan ik mij
beroemen, of waarom zoek ik geacht te worden? Om mijn niet? Dit is het toppunt der ijdelheid. Voorwaar,
ijdele glorie is een verschrikkelijke pest en de grootste aller ijdelheden; want zij trekt ons af van de
ware glorie, en berooft ons van de hemelse genade. Want als de mens in zichzelf behagen heeft, zo mishaagt
hij U; en als hij de lof der mensen zoekt, verbeurt hij de ware deugd.
5. Maar het is ware glorie en heilige blijdschap in U en niet in zichzelf zijn roem te
stellen; zich in uw Naam, en niet in eigen deugd te verblijden, en geen vermaak te hebben in enig schepsel
dan om U. Uw naam zij geloofd en niet de mijne; uw werk zij geprezen en niet het mijne; uw heilige Naam zij
gezegend, en niets van de lof der mensen worde mij toegeschreven. Gij zijt mijn glorie, Gij zijt de
verheuging van mijn hart. In U zal ik roemen en onophoudelijk mij verblijden; maar voor mij zij geen andere
roem dan in mijn krankheden (5).
6. Dat de Joden hun glorie zoeken bij elkander (6): ik
zal die zoeken, die van God alleen komt (7). Alle menselijke glorie, alle tijdelijke eer en alle wereldse
hoogheid, vergeleken bij uw eeuwige glorie, is ijdelheid en dwaasheid. O mijn God, mijn Waarheid, mijn
Barmhartigheid! O allerheiligste Drievuldigheid! U alleen zij lof en eer, macht en glorie in alle eeuwen der
eeuwen.
(1) Ps. 8: 5 (2) Ps. 101: 13,28 (3) Dan. 4: 13 (4) 1 Kon. 1: 18
(5) 2 Kor. 12: 5 (6 en 7) Joh. 5:
1,44
Hoofdstuk
41
Over het verachten van alle tijdelijke
eer
1. CHRISTUS. - Zoon! Bedroef er u niet om, als gij ziet dat anderen geëerd en verheven
worden, en gij veracht en vernederd. Hef uw hart tot Mij in de hemel, en gij zult u niet bedroeven wanneer
gij op aarde door de mensen versmaad wordt.
2. DE ZIEL. - Heer! Wij zijn zeer verblind en worden licht misleid door de ijdelheid. Als ik
mijzelf juist beoordeel, is mij nooit door enig schepsel ongelijk gedaan: diensvolgens heb ik geen billijke reden om van U te klagen. Want vermits ik dikwijls en
zwaar gezondigd heb tegen U, zo is het recht en redelijk dat alle schepsel tegen mij opsta. Schande dus en
smaad komt mij rechtvaardig toe; U, o Heer! Behoort lof, eer en roem. En indien ik mij niet bereid houd om
door alle schepselen gaarne verlaten, veracht en voor volstrekt niets gerekend te worden, zo kan ik de
inwendige vrede des harten niet bekomen, noch geestelijk verlicht worden en volkomen verenigd zijn met
U.
Hoofdstuk
42
Dat wij de vrede niet van mensen moeten
laten afhangen
1. CHRISTUS. - Zoon, indien gij uw vrede op enig persoon stelt, omdat hij met u van hetzelfde
gevoelen is en in goede overeenkomst leeft, zo zult gij altijd ongestadig en ongerust wezen. Maar indien gij
uw toevlucht neemt tot de waarheid, die altijd leeft en altijd blijft, zo zult gij niet droef zijn, als een
vriend van u scheidt of sterft. De liefde voor uw vriend moet op Mij rusten; al die u goed toeschijnen en u
in dit leven dierbaar zijn, moet gij om Mij beminnen. Zonder Mij is geen vriendschap goed of duurzaam; en
het is geen ware en zuivere liefde, die niet door Mij geknoopt is. Gij moet van de vriendschap der mensen
zodanig onthecht zijn, dat gij, (voor zoveel het u aangaat) buiten alle menselijk gezelschap zoudt willen
blijven. Hoe meer de mens zich van alle aardse troost verwijdert, zoveel te meer nadert hij tot God. En hij
klimt ook zoveel te hoger tot God, hoe dieper hij in zichzelf nederzinkt, en verachtelijker wordt in eigen
oog.
2. Maar die zichzelf iets goeds toeschrijft, belet de toegang van Gods genade, want de
Heilige Geest zoekt altijd een ootmoedig hart. Indien gij u volkomen wist te vernietigen, en alle geschapen
liefde uit uzelf te bannen, dan zou Ik met grote genade tot u moeten komen. Want zo gij het oog vestigt op
de schepselen, zo verliest gij de Schepper uit het gezicht. Leer uzelf in alles om God overwinnen, dan zult
gij tot zijn kennis kunnen komen. Hoe onbeduidend een zaak moet zijn, zo zij ongeregeld bemind en gezocht
wordt, besmeurt zij de ziel, en houdt u terug van het hoogste Goed.
Hoofdstuk
43
Tegen de ijdele wetenschap der
wereld
1. CHRISTUS. - Zoon, laat u niet bewegen door schone en diepzinnige mensentaal; want het rijk
Gods bestaat niet in woorden, maar in hemelse Kracht (1). Let op mijn woorden, die het hart ontsteken en het
verstand verlichten; die het leedwezen van het hart verwekken en velerhande troost verschaffen. Lees immer
mijn woord, om daardoor geleerder of wijzer te schijnen. Leer uw gebreken uitroeien, dit zal u meer baten
dan de kennis van vele moeilijke leerstukken.
2. Als gij veel gelezen en geleerd zult hebben, zo moet gij evenwel altoos op het enige
beginsel terugkomen. Ik ben het die de mens wetenschap leer (2), en aan de ootmoedigen meer kennis geef (3)
dan zij van enig mens kunnen leren. Hij, tot wie ik spreek, zal spoedig geleerd zijn, en in het verstand
zeer toenemen. Wee hun, die van de mensen veel nieuwe en zeldzame dingen willen leren, en die weinig vragen
naar de weg om Mij te dienen! De tijd zal komen, waar de Meester der meesters, Christus, de Heer der
Engelen, zal verschijnen, om ieders les te horen; dat is om eenieders geweten te onderzoeken. En dan zal Hij
met lantaarnen doorvorsen (4): en de geheimen der duisternis zullen
openbaar worden (5), en alle menselijke redenering zal verstommen.
3. Ik ben het, die, op een oogslag, een ootmoedig hart zó verhef, dat het meer begrijpt van
de eeuwige waarheid, dan hij die tien jaren in de scholen had gestudeerd. Ik leer zonder gedruis van
woorden, zonder verwarring van gevoelens, zonder opgeblazen eergierigheid, zonder strijd van redetwist. Ik
leer het aardse verachten, van het tegenwoordige walgen, het eeuwige zoeken en smaken, alle eer vluchten, de
ergernis en het ongelijk verdragen, alle hoop op Mij stellen, niets begeren buiten Mij, en boven alles Mij
vurig beminnen.
4. Men vindt er die, met Mij innig te beminnen, het goddelijke kennen en bewonderenswaardig
spreken. Zij zijn meer gevorderd in deugden met alles te verlaten, dan met het bestuderen van vernuftige
dingen. Maar aan sommigen leer ik gewone dingen, aan anderen bijzondere. Aan de een openbaar ik mij meer
liefelijk in tekens en beeltenissen, doch aan anderen ontsluier in verborgen geheimen in een klaar licht. De
stem der boeken is voor eenieder dezelfde, maar zij onderricht niet allen op gelijke wijze:
want Ik ben de inwendige Leraar, de Waarheid, de Onderzoeker des harten, de
Doorgronder der gedachten, de Bevorderaar der goede werken, eenieder bedelende volgens mijn
welbehagen.
(1) 1 Cor. 4:
20 (2) Ps. 93: 10 (3) ps. 118:
130 (4) Wijsh. 1: 12 (5) 1 Cor.
4: 5
Hoofdstuk
44
Men moet zich de uitwendige dingen niet
te veel aantrekken
1...CHRISTUS. - Zoon, gij moet in vele
dingen onwetend blijven (1), en u aanzien als een dode op de aarde, voor wie geheel de wereld gekruisigd is.
Gij moet ook veel met dove oren laten voorbijgaan, en liever denken op wat uw vrede bevordert. Het is beter
uw ogen af te keren van wat u mishaagt, en ieder in zijn goeddunken te laten, dan aanleiding te geven tot
twisten. Indien gij met God wèl staat, en altijd op zijn oordeel denkt, zo zult gij licht verdragen dat men
u ongelijk geve.
2. DE ZIEL. - O heer! Waartoe zin wij gekomen? Zie, men beweent een tijdelijk verlies; men
loopt en arbeidt om een klein gewin; en het geestelijk verlies wordt vergeten; ternauwernood komt men na
lange tijd tot andere gedachten. Men geeft achting op wat weinig of niet baat; en wat allermeest nodig is,
wordt veronachtzaamd; omdat de gehele mens zich buitenwaarts uitstort, en, tenzij hij niet ras tot bezinning
komt, met vermaak in het uitwendige rusten blijft.
(1) Eccl. 32: 12
Hoofdstuk
45
Dat men iedereen niet moet geloven, en
hoe licht men in woorden struikelt
1. DE ZIEL. - Heer! Geef mij uw bijstand in de kwelling, want de hulp der mensen is ijdel.
(1) Hoe dikwijls heb ik geen trouw gevonden, waar ik die zeker meende te vinden? En hoe dikwijls heb ik er
gevonden, waar ik ze niet gezocht zou hebben! IJdel is dan de hoop, op mensen gebouwd; maar het heil der
rechtvaardigen is in U, o Heer! Wees gezegend, mijn Heer en mijn God, in alles wat ons overkomt. Wij zijn
krank en ongestadig; spoedig bedriegen wij ons en veranderen wij.
2. Wie is de mens, die zich zo voorzichtig in alles kan gedragen, dat hij niet soms in enige
dwaling of verwarring valle? Maar, o Heer! Die op U vertrouwt, en U met een zuivere mening zoekt, zal zo
licht niet stronkelen. En al valt hij somtijds in enige kwelling, ja hoezeer hij ook daarin gewikkeld zij,
hij zal er welhaast door U uitgeholpen of getroost worden: want Gij
verlaat hem niet die op U vertrouwt. Men vindt zelden een trouwe vriend, die bij alle verdrukkingen van zijn
vriend standvastig blijft. Gij alleen, o Heer! Gij zijt de allergetrouwste vriend, en buiten U is er geen
ander zoals Gij!
3. Ach! Hoe wijselijk sprak de Heilige Agatha, als zij zeide: Mijn hart is bevestigd en gegrond op Jezus Christus. Indien ik alzo gesteld ware, de vrees
der mensen zou mij zo licht niet ontstellen, noch de bijtende woorden mij ontroeren. Wie kan alle dingen
voorzien? Wie kan alle kwade voorvallen vermijden? Indien het kwaad dat men voorziet, nog veelal kwetst,
hoeveel te zwaarder zal ons dit wonden, welk wij niet voorzien? Maar waarom heb ik, arme, niet beter
overlegd? En waarom heb ik zo licht anderen geloofd? Maar wij zijn mensen, en wij zijn niets dan zwakke
mensen, al is het dat wij soms door velen voor Engelen gehouden worden. Op wie zal ik dan voortaan
vertrouwen, o Heer! Anders dan op U alleen? Gij zijt de Waarheid, die niet bedriegt, noch bedrogen kunt
worden. Integendeel: ieder mens is leugenachtig (2), krank, ongestadig,
licht struikelend, bijzonder in zijn woorden; zodat niemand terstond moet geloven, al schijnen zijn woorden
rechtzinnig te zijn.
4. Hoe wijselijk, o Heer! Hebt Gij ons gewaarschuwd, ons te wachten voor mensen 3);
dat huisgenoten van de mens zijn vijanden zijn (4), en dat men geen geloof
moet geven aan hen die zeggen: Zie Christus is hier of Hij is daar (5).
Ik ben wijs geworden door eigen schade, en ach, mocht het mij tot meerdere voorzichtigheid strekken en niet
om tot nieuwe dwaasheid te vervallen. Wees voorzichtig, zegt mij iemand, wees voorzichtig, en houd voor u
wat ik zeg; en terwijl ik zwijg en meen dat het verborgen is, kan hij dat zelf niet stilhouden, maar
zichzelf en mij verraden hebbende, gaat hij heen. Bewaar mij, Heer, voor zulke onbezonnen en onvoorzichtige
mensen, opdat ik niet in hun handen val, of nooit zo handel. Geef aan mijn mond een waarachtig en
standvastig woord, en verwijder van mij de tong van arglist. Wat ik in anderen niet wil lijden, daar moet ik
mijzelf voor wachten.
5. Ach! Hoe goed en vredestichtend is het van anderen te zwijgen, niet alles licht te
geloven, of niet lichtvaardig iets voort te zeggen; Aan weinigen zijn
hart te openbaren, en U, o Heer! Altoos voor ogen te hebben; In zich
niet te laten omdraaien door elke wind van woorden, maar te wensen dat alles binnen en buiten ons volbracht
moge worden volgens uw welbehagen. Hoe nuttig is het, tot het behoud der hemelse genade, vertoon onder de
mensen te ontwijken en die dingen niet te begeren, die de bewondering der mensen schijnen te verwekken; maar
met alle naarstigheid betrachten wat de verbetering van het leven en de ijver bevordert. Hoe schadelijk is
het niet geweest aan vele mensen, dat hun deugd bekend was en te vroeg geprezen werd. Hoe voordeliger
daarentegen, dat over de genade het stilzwijgen werd bewaard in dit broze leven, dat te recht een gedurige
strijd en een onophoudelijke bekoring wordt genoemd (6)
(1) ps. 59: 13 92) Ps. 115: 2 (3) Matth. 10: 17 (4) Matth. 10: 36 (5) Matth.
24: 13 (6) Job 7:
1
Hoofdstuk
46
Dat men zijn vertrouwen op God moet
stellen, als pijlen van boze tongen ons treffen
1. CHRISTUS. - Zoon, sta vast en hoop op mij. Wat zijn woorden anders dan woorden? Zij
vliegen door de lucht, maar een steen doen ze geen kwaad. Indien gij u schuldig kent, denk om u te beteren;
indien gij niet plichtig zijt, denk dat gij dit gaarne om God wilt lijden. Het is wel weinig genoeg, dat gij
somtijds al enige onredelijke woorden verdraagt, gij die nog geen zware beproevingen kunt verduren. En
waarom gaan zulke kleinigheden u ter harte, tenzij omdat gij nog zinnelijk en onverstorven zijt, en meer om
de mensen bekommerd zijt dan het behoort? Want omdat gij vreest minacht te worden, daarom wilt gij niet
berispt worden over uw gebreken, en zoekt die door verontschuldigingen te
dekken.
2. Maar onderzoek u beter, en gij zult erkennen dat de wereld nog in u leeft, en de ijdele
begeerte om aan mensen te behagen. Want als gij weigert vernederd te worden beschaamd gemaakt om uw
gebreken, zo blijkt het genoeg, dat gij niet oprecht ootmoedig, niet oprecht aan de wereld afgestorven zijt,
en dat de wereld voor u niet gekruisigd is (1). Luister maar naar mijn woord, en gij zult om honderd duizend
woorden van mensen u niet bekommeren. Al ware het dat men alles tegen u inbracht wat de boosheid kan
verzinnen, wat zou u dat hinderen, indien gij dit liet voorbijgaan, en niet meer achtte dan een niet? Zouden
al die woorden u wel een haarpijl kunnen doen verliezen?
3. Maar hij die niet ingetogen van hart is en God niet voor ogen houdt, die wordt licht
ontroerd door een smadelijk woord. Hij, integendeel, die op mij vertrouwt, en op zijn eigen oordeel niet
steunt, zal zonder mensenvrees zijn. Want Ik ben de Oordeler en de Kenner van alle geheimen. Ik weet hoe
alles geschied is, Ik ken die het ongelijk gedaan en die het geleden heeft. Het is door mijn bevel dat gij
dit lijdt, en dit is geschied door mijn toelating: opdat de gedachten
van alle harten openbaar gemaakt zouden worden (2). Ik zal de plichtige en de onschuldige oordelen, maar
door mijn verborgen oordeel heb ik beiden eerst willen beproeven.
4. De getuigenis der mensen faalt dikwijls; mijn oordeel is waarachtig; het zal stand houden
en niemand zal het omwerpen. Het is meestendeels verborgen en aan weinige mensen is alles bekend:
doch nimmer dwaalt het, of kan het dwalen, hoewel het onrechtmatig schijnt
voor de ogen der dwazen. Men moet dan in alle oordeel tot Mij zijn toevlucht nemen, en niet op eigen
goeddunken steunen. Want de rechtvaardige zal niet ontroerd worden wat hem ook van Godswege overkomt (3). En
als er iets ten onrechte van hem gezegd wordt, zal hij dit niet veel achten. Maar hij zal er zich ook niet
lichtvaardig om verblijden, als hij door anderen op goede grond verontschuldigd wordt. Want hij denkt, dat
Ik het ben die harten en nieren doorgrond (4), en dat ik niet oordeel naar de uitwendige schijn of het
aanzicht der mensen. Wat de mensen loffelijk achten, wordt dikwijls strafvaardig bevonden in mijn
ogen.
5. DE ZIEL. - O Heer, mijn God, rechtvaardige, machtige en lankmoedige rechter, die de
boosheid en verdorvenheid van de mens kent, wees mijn kracht en mijn enig vertrouwen; want de getuigenis van
mijn geweten is mij niet genoegzaam.
Gij weet dat ik niet weet, en daarom moet
ik bij alle berispingen mij vernederen, en ze met zachtmoedigheid verdragen. Vergeef mij ook, o Heer! zo
dikwijls ik anders gehandeld heb, en verleen mij de genade van voortaan zachtmoediger te zijn. Want uw
overvloedige barmhartigheid is mij nuttiger om de vergiffenis van mijn zonden te verkrijgen, dan mijn
ingebeelde rechtvaardigheid tot verdediging van mijn geweten. Al bevind ik mij nergens schuldig, nochtans
ben ik daarom niet gerechtvaardigd (5): want zonder uw barmhartigheid,
zal geen sterveling rechtvaardig zijn voor uw aanschijn (6).
(1) Gal. 6: 14 (2) Luc. 2: 35 (3) Prov. 12: 21 (4) ps. 7: 10 (5) 1 Kor. 4 (6) Ps. 142:
2
Hoofdstuk
47
Voor het eeuwig leven moet men alle
bezwaren verdragen
1. CHRISTUS. - Zoon! Word niet kleinmoedig in de arbeid, die gij om mijnentwil op u hebt
genomen, en wees niet neerslachtig om enige kwellingen; maar dat mijn belofte u bij iedere gebeurtenis
versterke en vertrooste. Ik ben machtig genoeg om u daarvoor te lonen boven alle paal en maten. Gij zult
niet lang arbeiden of niet altijd gedrukt worden door smarten en lijden. Wacht een weinig, en gij zult
welhaast het einde van uw ellende zien. Het uur zal komen, waarop alle arbeid en pijn zullen ophouden. Al
wat met de tijd voorbijgaat, is klein en kortstondig.
2. Doe naarstig wat gij te doen hebt, arbeid getrouw in mijn wijngaard, en Ikzelf zal uw loon
zijn. Schrijf, lees, zing, zucht, bid, verdraag kloekmoedig tegenspoed: het eeuwig leven is dit alles en nog groter strijd waardig. De vrede zal komen op een dag,
die de Heer bekend is, en daar zal geen dag of nacht meer gelijk wezen in deze tijd; maar eeuwig licht en
oneindige klaarheid, vaste vrede en volle rust. Dan zult gij niet zeggen: Wie zal mij verlossen van dit sterfelijk lichaam? (1); of roepen: Helaas, dat mijn ballingschap zo lang duurt! (2) want de dood zal teniet gedaan zijn (3),
en de zaligheid zal eeuwig duren; daar zal geen vrees, maar zalige blijdschap zijn en een eerlijk en zoet
gezelschap.
3. Ach, hadt gij in de hemel de eeuwige kronen van zijn heiligen gezien, en in hoe grote
glorie zij zich nu verheugen, die eertijds door de wereld versmaad waren, en gehouden werden als dit leven
niet waardig te zijn; voorwaar, gij zoudt u aanstonds tot in het stof vernederen en liever begeren aan allen
onderworpen, dan boven één gesteld te zijn. Gij zoudt hier ook geen blijde dagen verlangen, maar eerder u
verblijden voor God te lijden; en gij zoudt voor een groot voordeel achten bij de mensen voor niets gehouden
te worden.
4. Ach, indien gij smaak vondt in deze leringen, en zij u diep ter harte gingen, hoe zoudt
gij een enkele keer kunnen klagen? Moet men voor het eeuwig leven niet de zwaarste arbeid verdragen? Het is
geen kleine zaak het rijk Gods te verliezen of te winnen. Hef dan uw ogen opwaarts tot de hemel, zie, Ik en
mijn heiligen, die in deze wereld grote strijd gehad hebben, zijn nu in blijdschap, in vertroosting, in
rust, en zullen eeuwig in het rijk van mijn Vader blijven.
(1) Rom. 7: 24 (2) Ps. 119: 5 (3) Is. 25: 8
Hoofdstuk
48
Over de dag der eeuwigheid
en de ellenden van dit leven
1. DE ZIEL. - Hoe zalig is het verblijf der hemelse stad! O heldere dag der eeuwigheid, die
door geen nacht verduisterd, maar altijd verlicht wordt door de eeuwige Waarheid; o dag vol blijdschap en
veiligheid, die nooit in het tegenovergestelde omslaat. Ach, dat die dag reeds aangebroken ware, en al het
tijdelijke een eind hadde genomen! Die dag schijnt reeds voor de Heiligen in de volle glans van zijn eeuwige
klaarheid; maar voor ons, pelgrims op aarde, niet dan van ver, en als in een spiegel
(1).
2. De burgers des hemels weten hoe vermakelijk die dag is; maar de ballingen, kinderen van
Eva, zuchten dat de tegenwoordige dag zo bitter en verdrietig is. De dagen van dit leven zijn kort en
pijnlijk (2), vol smarten en ellenden: de mens wordt er door besmet
door vele zonden, belemmerd door vele driften, benauwd door vele angsten, bekommerd door vele zorgen,
verstrooid door nieuwigheden, gewikkeld in vele ijdelheden, omringd door dwalingen, overladen door veel
arbeid, bezwaard met bekoringen, ontzenuwd door weelde, gepijnigd door
gebrek.
3. Ach, wanneer zullen deze kwellingen een einde nemen? Wanneer zal ik verlost worden van de
ellendige slavernij der zonden? O God, wanneer zal ik U alleen gedachtig zijn? wanneer zal ik mij volkomen
in U verheugen? Wanneer zal ik, zonder enig letsel, in de ware vrijheid des harten, zonder bezwaar van geest
of lichaam wezen? Wanneer zal ik die vertrouwbare vrede genieten, die onverstoorbare en veilige vrede, vrede
van buiten en van binnen, een alleszins vaste vrede. O goede Jezus, wanneer zal ik voor U verschijnen om U
te zien? Wanneer zal ik de glorie van uw rijk aanschouwen, wanneer zult Gij mij alles in alles zijn? Ach,
wanneer zal ik met U zijn in het rijk, dat Gij van eeuwigheid bereid hebt voor uw vrienden? (3) Ik ben hier
gelaten, ellendige balling, in een vijandig land, waar dagelijks vele strijden en ongevallen elkander
opvolgen.
4. Vertroost mijn ballingschap, verzacht mijn droefheid, want al mijn begeerten verzuchten
naar U. Alles wat de wereld mij tot troost aanbiedt, valt mij lastig. Ik verlang vurig U innig te
genieten: maar ik kan het niet bereiken. Ik wens mij bezig te houden
met het hemelse, maar tijdelijke zaken en onverstorven driften drukken mij neder. Met het hart zou ik mij
gaarne boven alle dingen verheffen maar het vlees houdt mij, tegen mijn wil, daaraan onderworpen. Aldus
strijd ik, ongelukkig mens, met mijzelf, en word ik mij tot eigen last (4), daar de geest omhoog wil, en het
vlees altoos omlaag.
5. O
wat lijd ik inwendig, als ik aan het hemelse denk, en ik straks in mijn gebed word bestormd door een drom
van zinnelijke bekoringen! O God, wijk van mij niet af, (5) en verlaat uw dienaar niet in uw gramschap (6).
Laat uw schittering flikkeren, verdrijf de boze gedachten; werp uw pijlen (7), en verdrijf al de kwade
ingevingen van de vijand. Roep al mijn aandacht op U; doe mij vergeten al wat werelds is; geef dat ik alle
zondige inbeeldingen dadelijk verfoeie en verwerpe. O eeuwige Waarheid, kom mij te hulp, opdat ik door geen
ijdelheid ontroerd worde. Ach, hemelse zoetheid! Daal in mijn hart, en alle onreinheid vliede voor U weg.
Vergeef mij ook, en handel met mij naar uw barmhartigheid, wanneer ik in het gebed aan iets anders denk dan
aan U. Want ik belijd naar waarheid dat ik veelal zeer verstrooid ben. Dikwijls ben ik daar niet, waar ik
lichamelijk sta of zit, maar ik ben eerder daar, waar mijn gedachten mij vervoeren. Ik ben, waar mijn
gedachte is; en mijn gedachte is allermeest waar het voorwerp van mijn liefde is. Wat mij natuurlijk behaagt
of uit gewoonte vermaakt, komt mij terstond te binnen.
6. En daarom hebt Gij, o opperste Waarheid, uitdrukkelijk gezegd: Waar uw schat is, daar is ook uw hart (8). Indien ik e hemel bemin, zo verblijd ik mij in
de voorspoed der wereld, en ik bedroef mij in haar tegenspoed. Indien ik het vlees bemin, zo verbeeld ik mij
dikwijls wat vleselijk is. Als ik de geest bemin, daarvan spreek en hoor ik gaarne; en daarvan neem ik de
voorstelling mee naar huis. Maar gelukkig de mens, o Heer! die ter liefde van U alle schepselen uit zijn
hart bant; die de natuur geweld aan doet, en de begeerlijkheid van zijn vlees kruisigt door de vurigheid van
de geest; opdat hij met een rein geweten U een zuiver gebed moge opdragen, en, alle aardse dingen in- en
uitwendig verlaten hebbende, waardig zij tot de Koren der Engelen te
behoren.
(1) 1 Kor. 13: 12 (2) Gen. 47: 9 (3) Matth. 25: 34 (4) Job 7: 20 (5) Ps. 70: 22 (6) Ps. 26:
9 (7) Ps. 143: 6 (8) Matth. 6:
21
Hoofdstuk
49
Over het verlangen naar het eeuwig leven,
en hoe grote goederen beloofd zijn aan de strijders
1. CHRISTUS. - Zoon, als gij u de begeerte tot het eeuwig geluk van boven voelt ingestort, en
gij de tent (1) van uw lichaam wenst te verlaten, zodat gij mijn
klaarheid ten volle zonder enige schaduw van verandering (2) zoudt mogen aanschuwen, open dan hart, en
ontvang die heilige ingeving met een groot verlangen. Dank grotelijks de opperste Goedheid, die zo
barmhartig met u handelt, u zo genadig bezoekt, vurig opwekt en krachtig ondersteunt, opdat gij door eigen
gewicht niet zoudt nederzinken tot het aardse. Want gij krijgt deze hemelse begeerte niet door eigen
gedachten of pogingen, maar louter door de gunst van God, die een
barmhartige oogslag op u werpt, opdat gij daardoor zoudt vooruitgaan in deugd en ootmoed, uzelf zoudt
bereiden tot nieuwe worstelingen, en Mij aanhangen met al de begeerte van uw hart, en Mij dienen met vurige
ijver.
2. Zoon, het vuur kan dikwijls gloeiend zijn, maar de vlam stijgt nooit op zonder rook. Zo
branden ook de begeerten van sommigen tot het hemelse en nochtans zijn zij niet vrij van bekoringen der
zinnelijke neiging. En al is het dat zij de hemelse dingen zo vurig aan God vragen, daarom geschiedt dit
niet gans zuiver om zijn eer. En zodanig is ook dikwijls uw begeerte, die volgens uw zeggen zo dringend kon
zijn. Want niets is zuiver en volmaakt, als het besmet is met
eigenbaat.
3. Vraag niet wat u vermakelijk is en te pas komt, maar wat mij aangenaam is en verheerlijkt;
want als gij rechtvaardig oordeelt, moet gij mijn beschikking boven uw begeerte en al wat gij kunt wensen,
stellen en involgen. Ik weet wel wat gij meest begeert, en ik heb uw verzuchting dikwijls gehoord. Gij zoudt
reeds in de heerlijke vrijheid der kinderen Gods willen zijn (3); reeds zoudt gij gaarne zijn in dat eeuwig
huis, in het vreugdevolle hemels vaderland; maar het uur is nog niet gekomen; gij zijt nog in een andere
tijd, tijd van strijd, arbeid en beproeving. Gij wenst vervuld te zijn met het Opperste Goed, maar dat kunt
gij nog niet genieten.
Ik ben dat goed: verwacht Mij, zegt de Heer, totdat het rijk Gods kome
(4).
4. Gij moet op aarde nog beproefd en in vele dingen geoefend worden. U zal intussen wat
troost verleend worden, maar volkomen verzadiging zult gij nooit bekomen. Schep dus moed en wees kloek (5),
zowel om te doen als om te lijden, wat aan de natuur strijdig is. Gij moet de nieuwe mens aantrekken (6) en
een geheel ander man worden (7). Gij zult dikwijls moeten doen, wat u mishaagt van wat u aanstaat. Wat
anderen gaarne hebben, zal gelukken: wat u behaagt, zal niet wel
uitvallen.
Wat de anderen zeggen, zal aanhoord
worden; wat gij zegt, zal voor niets geteld worden. De anderen zullen vragen en verkrijgen; gij zult vragen
en niet bekomen.
5. Anderen zullen groot zijn in de mond der mensen, maar van u zal men zwijgen. Anderen zal
men dit of dat opdragen; maar gij zult gerekend worden als nergens voor bekwaam. Om dergelijke dingen zal de
natuur soms bedroefd zijn, maar gij zult een groot werk doen, indien gij dit zonder klagen verdraagt. In
deze en meer dergelijke dingen wordt een getrouw dienaar des Heren gestadig beproefd, hoe ver hij zich
verloochenen en in alles overwinnen kan. Bijna niets is er, waarin gij u zozeer moet versterven, als in het
zien en lijden van wat uw wil tegenstaat, voornamelijk als u iets geboden wordt, wat u schijnt ongerijmd en
zonder voordeel te wezen. En omdat gij onder eens anders gebied gesteld zijt, aan wiens overheid gij niet
durft wederstaan, daarom schijnt het u hard te wezen, te gehoorzamen aan een anders wenken en uw eigen
goeddunken in niets te volgen.
6. Maar overdenk, mijn zoon, de vrucht van al die moeiten, hun korte duur, en het overgrote
loon dat zal volgen, dan zult gij er geen last in vinden, maar een machtige troost ter verduldigheid. Want
voor die kleine wil, die gij nu gaarne afstaat, zult gij eeuwig uw wil hebben in de hemel. Daar zult gij
vinden alles wat gij wilt, alles wat gij verlangen kunt. Daar zult gij in het volle bezit zijn van alle
goed, zonder vrees het te verliezen. Daar zal uw wil, altijd verenigd met de mijne, niets zoeken buiten Mij,
niets dat u eigen is. Daar zal niemand u weerstaan, niemand over u klagen, niemand u hinderen, niets zal u
in de weg staan; maar alles, wat wenselijk is, zal tegelijk aanwezig zijn, en gans uw begeerte verzadigen en
ten volle voldoen. Daar zal ik u grote eer geven voor geleden smaad: een eremantel voor zielerouw (8) en voor de laagste plaats, een verheven troon in het
eeuwig rijk. Dan zal men de vrucht zien van de gehoorzaamheid, het leed der boetvaardigheid veranderd in
blijdschap, en de ootmoedige onderwerping gekroond met eeuwige
luister.
7. Daarom buig ik nu ootmoedig onder de hand van allen, niet lettende wie dit gezegd of
geboden heeft. Maar neem wel acht, dat gij alles ten goede opneemt, en met een oprechte wil tracht te
volbrengen wat uw overste, uw gelijke, of een jongere van u verzoekt of te kennen geeft. Laat de ene dit,
een andere dat zoeken; laat deze hierin, gene daarin roem vinden, en er duizendmaal om geprezen
worden: wat u aangaat, verblijd u noch in ‘t ene noch in ‘t andere,
maar verheug u alleen in uw versmaadheid, in mijn welbehagen en mijn eer. Wat gij met Paulus moet wensen is,
dat God altijd in u verheerlijkt worde, hetzij door uw leven, hetzij door uw sterven
(9).
(1) 2 Petr. 1: 13 (2) Jac. 1: 17 (3) Rom. 8: 21 (4) Luc. 22: 18 (5) Jos. 1: 7 (6) Ef. 4: 24 (7) 1 Kon. 10: 6 (8) Is. 71: 3 (Fil. 1:
20)
Hoofdstuk
50
Hoe de troosteloze mens zich in Gods
handen moet overgeven
1. DE ZIEL. - O Heer, mijn God, heilige Vader, wees nu en in eeuwigheid gezegend, want het is
geschied gelijk Gij het wilt, en wat Gij doet is wèl gedaan. Dat uw dienaar zich verheuge in U, niet in
zichzelf of in iets anders; want Gij alleen zijt de ware blijdschap, Gij zijt mijn hoop, mijn kroon, mijn
vreugd, mijn eer, o mijn God! Heer! wat heeft uw dienaar, dan wat hij, ook onverdiend, van U ontvangen
heeft? (1) Al wat Gij mij gegeven en gedaan hebt, komt U toe. Ik ben arm, en van mijn jeugd af aan vele
smarten onderworpen (2). Ook is soms mijn ziel bedroefd tot wenens toe, en somtijds ontsteld in haarzelf, om
dreigend leed.
2. Ik verlang naar de blijdschap van de vrede; ik bid om de vrede van uw kinderen, die door U
gevoed worden in het licht van uw vertroosting. Indien Gij mij die vrede geeft, en mij uw heilige blijdschap
instort, zo zal de ziel van uw dienaar vol gejubel zijn, en in vrome stemming uw lof zingen. Maar indien Gij
U onttrekt, gelijk Gij zeer dikwijls doet, zo kan hij niet met vlijt de weg van uw geboden bewandelen (3);
dan buigt hij liever zijn knieën, en klopt op de borst, vermits het met hem niet gaat als voorheen, wanneer
uw licht boven zijn hoofd scheen (4), en hij onder de schaduw van uw vleugelen beschermd werd (5) tegen de
bekoringen.
3. O
rechtvaardige en altoos prijzenswaardige Vader, het uur is gekomen dat uw dienaar beproefd moet worden. O
minnelijke Vader, het is billijk dat uw dienaar nu iets voor U lijde. O immer aanbiddelijke Vader, het uur
is gekomen, door U van eeuwigheid voorzien dat uw dienaar voor een ogenblik schijne te bezwijken, maar toch
inwendig met U gestadig zou leven. Dat hij een weinig versmaad en vernederd worde door de mensen; dat hij
vernietigd worde door lijden en kwijningen; opdat hij weder verrijze met U in de dageraad van een nieuw
leven, en in de hemel verheerlijkt worde! Heilige Vader! Gij hebt het zo geschikt en zo gewild; en wat Gij
bevolen hebt, is geschied.
4. Want het is een gunstbewijs jegens uw vrienden, dat zij om uwentwil lijden of verdrukt
worden op deze wereld, zo dikwijls en door zulke personen als het u belieft. Zonder uw raad, zonder uw
voorzichtigheid en zonder goede reden geschiedt er niets op de wereld. O Heer! Het is goed voor mij, dat Gij
mij vernederd hebt, opdat ik uw rechtvaardigheid lere kunnen (6), en alle hoogmoed en verwaandheid uit mijn
hart verbanne. Het is mij zalig dat mijn aangezicht met schaamte is overdekt geworden (7), opdat ik mijn
troost liever bij U, dan bij de mensen zoeke. Daaruit heb ik ook uw ondoorgrondelijk oordeel leren vrezen,
want Gij kwelt de rechtvaardige met de boze, nochtans niet zonder billijkheid en
recht.
5. Ik dank U, omdat Gij mij geen kwellingen gespaard hebt, maar mij integendeel hebt
gekastijd met zware slagen, mij overladende met grote smarten en benauwdheden van buiten en binnen. Van
alles wat onder de hemel is, kan niets mij troosten; Gij alleen kunt dit, mijn Heer en God, hemelse
heelmeester der zielen, die kwetst en geneest, die ons leidt tot de poorten der hel, en daaruit terug voert
(8). Uw kastijding is over mij gekomen en uw roede zelf zal mij leren
(9).
6. Zie, o lieve Vader, ik ben in uw handen; ik buig mij onder de roede van uw kastijding. Sla
mijn rug en mijn schouders, opdat ik mijn verkeerde wil onder de uwe doe buigen. Maak van mij een ootmoedig
en goedwillig leerling, gelijk Gij uitmuntend pleegt te doen; opdat ik naar uw wil moge handelen. Ik beveel
u mijzelf en al het mijne ter verbetering aan; want ik heb liever hier gestraft te worden dan hiernamaals.
Gij weet alles en alles in het bijzonder, en niets is voor U verborgen in het geweten van de mens. Gij weet
de toekomstige dingen eer zij geschieden; en het is niet nodig dat U iemand onderrichte of vermane omtrent
wat op aarde geschiedt. Gij weet wat dienstig is tot mijn voortgang en hoezeer de kwellingen bijdragen om
mij te zuiveren van het roest der zonden. Handel met mij volgens uw begeerlijk welbehagen, en versmaad mijn
zondig leven niet, welk niemand beter en klaarder kent dan Gij alleen.
7. Heer! Geef mij dat ik wete wat ik moet weten, beminne wat ik moet beminnen, prijze wat u
meest behaagt, achte wat bij U kostbaar is, en versmade wat verachtelijk is in uw ogen. Laat mij niet
oordelen naar uiterlijke ogenschijn, noch een besluit nemen naar het gezeg van onverstandige mensen (10),
maar leer mij met een juist oordeel uitspraak doen over zichtbare en geestelijke dingen, en boven alles uw
goddelijk welbehagen altijd zoeken.
8. De zinnen der mensen falen dikwijls in ‘t oordelen en de minnaars der wereld bedriegen
zich ook met alleen de zichtbare dingen te beminnen. Is een mens daarom beter, als hij door een ander mens
groot geacht wordt? De ene leugenaar bedriegt de andere, de ene hovaardige streelt de andere, de ene blinde
misleidt de andere, de ene zieke verzwakt de andere, als zij elkander verheffen: en het dient hun waarlijk tot schande, als zij aldus elkander zonder reden prijzen. Immer,
zegt de ootmoedige heilige Franciscus: wat een mens is in uw ogen, o
Heer! is hij, en niets meer.
(1) 1 Cor. 4:
7 (2) Ps. 137: 16 (3) Ps. 118:
23 (4) Job 29: 3 (5) Ps. 16:
8 (6) Ps. 118: 71 (7) Ps. 68:
8 (8) Tob. 13: 2 (9) Ps. 17:
36 (10) Is. 11: 3
Hoofdstuk
51
Men moet zich op nederige werken
toeleggen, als men tot meer verheven onbekwaam is
1. CHRISTUS. - Zoon, gij kunt niet altijd dezelfde vurige ijver voor de deugd gevoelen, noch
u op een hoge trap der beschouwing staande houden, maar de natuurlijke verdorvenheid noodzaakt u somtijds
tot het lagere af te dalen en de last van dit sterfelijk lichaam te dragen, tegen uw dank en met verdriet.
Zolang gij dit sterfelijk lichaam draagt, zult gij verdriet en zwaarmoedigheid des harten gevoelen. Gij moet
dan zolang gij dit lichaam draagt, dikwijls zuchten om de last van het vlees, die belet dat gij u
onafgebroken bezig kunt houden met geestelijke oefeningen en hemelse
beschouwingen.
2. Alsdan is het voordelig uw toevlucht in nederige en uitwendige oefeningen te zoeken, en
afleiding in goede werken: wacht maar met een vast vertrouwen naar mijn
komst en hemelse bezoeking; verdraag met geduld uw ballingschap en dorheid des geestes, totdat gij weder
door Mij bezocht wordt, en verlost van alle benauwdheden. Want Ik zal u de arbeid doen vergeten, en u
inwendige rust doen genieten. Ik zal de schone weiden der H.Schriftuur voor u openen, opdat gij met een blij
gemoed en op de weg van mijn geboden moogt voortijlen (1). En dan zult gij zeggen: Het lijden van deze tijd is niet te vergelijken bij de toekomstige glorie, die in ons
geopenbaard zal worden (2).
(1) Ps. 118: 32 (2) Rom. 8: 18
Hoofdstuk
52
De mens achte zich geen troost, maar eer
straf waardig
1. DE ZIEL. Heer, ik ben uw zoete troost of enig geestelijk bezoek onwaardig:
en daarom, als Gij mij arm en ongetroost laat, handelt Gij billijk met mij.
Want al kon ik een zee van tranen storten, evenwel zou ik uw vertroosting niet waardig zijn. Ik ben dan
niets waardig tenzij gegeseld en gestraft te worden: daar ik U dikwijls
en grotelijks beledigd en in vele dingen grotelijks misdaan heb. Daarom, als ik alles wel overweeg, zo
verdien ik niet de minste troost. Maar Gij, o goedertieren en genadige God, die niet wilt dat uw werken
verloren gaan (1), om de rijkdommen van uw goedheid te tonen over de vaten der barmhartigheid (2), Gij
gewaardigt uw dienaar, zonder enige verdienste, te troosten en boven ‘s mensen vermogen. Want uw
vertroostingen zijn niet gelijk de troostredenen der mensen.
2. Heer! hoe heb ik verdiend, dat Gij mij enige troost zoudt verlenen? Ik herinner mij niet
iets goed gedaan te hebben; maar wel dat ik altijd zeer geneigd ben geweest tot het kwaad, en traag ter
verbetering. Dit is waarheid, en ik kan het niet loochenen; sprak ik anders, Gij zoudt tegen mij opstaan, en
niemand zou mij verdedigen. Wat heb ik toch anders verdiend door mijn zonden, tenzij de hel en het eeuwig
vuur? Ik beken in waarheid, dat ik alle spot en smaad waardig ben, en niet verdien gerekend te worden onder
het getal van uw dienaren. En ofschoon ik dit ongaarne hoor, zal ik nochtans volgens de waarheid tegen mij
getuigen en mijn zonden belijden, opdat ik eerder van U genade
verwerve.
3. Wat zal ik zeggen, die een plichtige ben en vol van schaamte? Ik weet mijn mond niet te
openen tenzij om alleen deze woorden te spreken: Ik heb gezondigd,
Heer, ik heb gezondigd; wees mij genadig, en vergeef mij... Laat mij toch een luttel tijds mijn zonden
bewenen, eer ik ga naar het land der duisternissen, overdekt met de schaduwen van de dood (3). Wat begeert
Gij meer van een plichtige en ellendige zondaar, dan dat hij berouw hebbe en zich vernedere om zijn
misdaden? Door het waarachtig berouw en de vernedering des harten, wordt de hoop op vergiffenis geboren, het
verontrust geweten bevredigd, de verloren genade terug verkregen, de mens beschermd tegen de toekomstige
gramschap; en de boetvaardige ziel wordt met God verzoend door een heilige
omhelzing.
4. O
Heer, een ootmoedig berouw over de zonde is U een welbehagelijk offer, dat veel aangenamer voor u riekt dan
de wierook. Het is ook de kostelijke balsem, die Gij over uw heilige voeten hebt laten uitstorten (4), want
een rouwmoedig en vermorzeld hart hebt Gij nooit verstoten (5). Daar is de schuilplaats tegen de razernij
van onze vijanden. Daar wordt verbeterd en afgewassen al wat elders gekrenkt of besmet
is.
(1) 2 Kon. 14: 14 (3) Rom. 9: 23 (3) Job 10: 21,22
(4) Luc. 7: 28 (5) Ps. 50:
19
Hoofdstuk
53
Dat Gods genade niet samengaat met
aardsgezindheid
1. CHRISTUS. - Zoon, mijn genade is kostbaar; zij wil niet gemengd worden met uitwendige of
met aardse vertroostingen. Daarom moet gij alle beletselen der genade verbannen, indien gij haar invloed
wenst te ontvangen. Zoek de eenzaamheid, wees gaarne alleen met uzelf; zoek samenspraak met niemand; maar
richt liever godvruchtig uw gebed tot God, opdat gij een vermorzeld hart en een zuiver geweten moogt
behouden. Acht de wereld voor niets, en verkies boven alle uitwendige dingen gedurig in omgang te zijn met
God. Want gij kunt met mij niet bezig zijn, en tezamen u met het vergankelijke vermaken. Gij moet u
verwijderen van kennissen en vrienden, en uw hart vrij bewaren van alle tijdelijke vertroosting. Zo vermaant
de H. Petrus (1) dat de gelovigen zich gedragen zouden als pelgrims en vreemdelingen op deze
wereld.
2. O
wat groot vertrouwen zal de stervende hebben, die in de wereld door niets wordt terug gehouden. Maar een
zwak gemoed kan nog niet alzo van alles gescheiden zijn, en de vleselijke mens kent de vrijheid niet van de
inwendige mens. Nochtans moet hij, die waarlijk een inwendig mens wil zijn, zich afscheiden zo van vreemden
als van vrienden; en voor niemand zich meer wachten dan voor zichzelf. Indien gij uzelf volkomen overwint,
zult gij licht over het overige zegepralen. Dit is de volmaaktste zegepraal, dat men zichzelf overwint. Want
wie zichzelf in bedwang kan houden, zodanig dat de zinnelijkheid aan de rede, en de rede in alles aan Mij
onderdanig is, die is waarlijk overwinnaar van zichzelf en meester der
wereld.
3. Indien gij tot deze volmaaktheid ziekt te komen, zo moet gij manhaftig beginnen, en de
bijl aan de wortel zetten, om alle geheime en ongeregelde neiging tot uzelf en tot alle eigen stoffelijk
welzijn uit te roeien en te vernietigen. Van dit een gebrek, dat de mens zichzelf te zeer bemint, hangt
bijna alles af wat wij moeten overwinnen: en als dit gebrek overwonnen
zal zijn, zal er terstond in ons hart een duurzame vrede en rust heersen. Maar omdat weinigen zich volkomen
trachten af te sterven, en geheel buiten zichzelf te treden, daarom blijven zij in zichzelf verward, en
kunnen zich boven henzelf in de geest niet verheffen. Doch wie in volle vrijheid des harten met Mij verkeren
wil, die moet zijn kwade en ongeregelde begeerten geheel afsterven, en geen schepsel aanhangen uit
zinnelijke neiging.
(1) 1
Petr. 2: 11
Hoofdstuk
54
Over de tegenstrijdige aandoeningen der
natuur en der genade
1. CHRISTUS. - Zoon, let nauwkeurig op de bewegingen der natuur en der genade:
want al zijn zij met elkander zeer tegenstrijdig, het verschil tussen beide is
somtijds zo klein, dat zij nauwelijks door een geestelijke en inwendige verlichte mens onderscheiden kunnen
worden. Alle mensen begeren wel het goed, en vertonen al iets goeds in hun woorden of werken; en door die
schijn van goed worden er velen bedrogen.
2. De natuur is listig, zij verleidt, verstrikt, en bedriegt vele mensen, en heeft altijd
haar zelfvoldoening ten doel. Maar de genade gaat eenvoudig voort, vermijdt alle schijn van kwaad (1); zij
gebruikt geen listen, en doet alles zuiver om God, in wie zij berust als in haar
einde.
3. De natuur wil niet sterven, zij wil niet gedwongen zijn, noch overmeesterd worden, noch
zich onderwerpen, noch gewillig onderworpen zijn. De genade, die tracht zich in alles te versterven,
wederstaat de zinnelijkheid, is gaarne onderworpen; zij zoekt de onderwerping, en wil haar eigen vrijheid
niet gebruiken; zij staat gaarne onder tucht, en zoekt niemands overste te zijn, maar wil altijd leven,
staan en blijven onder God, en is bereid zich voor ieder redelijk schepsel te buigen (2), om de wil van
God.
4. De natuur zoekt altijd haar eigen voordeel, en ziet hoeveel winst zij kan trekken van een
ander. De genade beschouwt niet wat haar voordelig en nuttig is, maar eerder wat aan velen voordeel bezorgt
(3).
5. De natuur is gaarne geëerd en geacht. De genade geeft alle eer en roem getrouw aan
God.
6. De natuur vreest schande en verachting; De genade verblijdt zich als zij voor de Naam van
Jezus smaad mag lijden (4).
7. De natuur bemint de ledigheid en de rust van het De genade kan niet ledig zijn, maar zij
omhelst de arbeid met vreugde.
8. De natuur zoekt het schone en zeldzame, zij heeft afkeer van wat grof en slecht is. De
genade schept behagen in wat eenvoudig en nederig is; zij verwerpt het ruwe niet, of weigert niet versleten
klederen te dragen.
9. De natuur ziet naar het tijdelijke, zij is blij om een aards gewin, is droef om schade, en
wordt toornig over een onbeduidend smaadwoord. De genade ziet naar het eeuwige, zij is niet gehecht aan het
tijdelijke, en wordt door geen verlies bedroefd; noch verbitterd door harde woorden, want zij heeft haar
schat en haar blijdschap in de hemel gesteld, alwaar niets verloren
gaat.
10 De natuur is begeerlijk, en ontvangt liever dan zij geeft; zij heeft genoegen in wat zij
in ‘t bijzonder bezit. De genade is milddadig en deelt alles mede; zij vliedt alle eigendom, is met weinig
tevreden, en oordeelt het zaliger te geven dan te krijgen (5).
11. De natuur helt naar de schepselen over, naar het eigen lichaam, naar ijdelheid, en
verstrooiingen. De genade trekt tot God en tot de deugd, zij verlaat de schepselen, vliedt de wereld, haat
de lasten van het vlees, beperkt zich in het uitgaan, en is beschaamd in ‘t openbaar te
verschijnen.
12. De natuur heeft gaarne uitwendige verkwikking, waarin zij haar zinnelijk vermaak kan
vinden. De genade wil van God alleen troost ontvangen, en boven alle zinnelijke dingen zich verblijden in
dat Opperste Goed.
13. De natuur verricht alles om gewin en eigenbaat, zij kan niets doen voor niet, maar als zij
iemand wèl doet, hoopt zij iets evenredigs of wat beters weder te krijgen, of eer en lof te bekomen, en zij
wil dat men haar daden en giften groot achte. De genade zoekt niets tijdelijks of geen ander loon dan God
alleen; zij wenst de lichamelijke noodzakelijkheden, maar voor zoveel die haar dienstig kunnen zijn om het
eeuwig goed te bekomen.
14. De natuur verblijdt zich over vele vrienden en magen, bluft op haar verheven staat en hoge
geboorte, zij vleit de machtigen, streelt de rijken, en prijst haars gelijken. De genade bemint haar
vijanden, verheft zich niet omdat zij vele vrienden heeft; acht geen hoge afkomst tenzij om de deugd, die
daarin uitschijnt: Zij is de arme gunstiger dan de rijke, heeft meer
genegenheid voor de onschuldige dan voor de machtige, verblijdt zich met de rechtzinnige, verfoeit de
bedrieger. Zij vermaant onophoudelijk de goeden, naar nog betere gaven te streven (6), en door de deugden in
alles gelijk te worden aan de Zoon van God.
15. De natuur klaagt licht over gebrek en ongemak: De
genade lijdt de armoede met standvastigheid.
16. De natuur trekt en keert alles tot haar eigenbaat, zij strijdt en twist voor haarzelf. De
genade stuurt alles weder tot God, van wie het oorspronkelijk voortkomt; zij schrijft zichzelf geen goeds
toe, zij is niet vermetel, zij twist niet, zij stelt haar gevoelen niet boven dat van een ander; maar al
haar gedachten onderwerpt zij aan het oordeel en de eeuwige wijsheid Gods. De natuur is verlangend om
geheimen te kennen en nieuwigheden te horen; zij wil zich in het openbaar vertonen, en door de zinnen vele
dingen waarnemen; zij zoekt bekend te zijn en dingen te doen, waardoor zij lof en bewondering bekomt. De
genade zoekt geen nieuws te weten, of niets zeldzaams te horen, want zij weet dat deze begeerte uit de oude
desem der erfzonde spruit en dat niets nieuws en duurzaams is op de wereld. De genade leert dan de zinnen
beteugelen, alle roem en het ijdel zelfbehagen schuwen; zij leert alle loffelijke dingen en die
bewonderenswaardig zijn, ootmoedig verbergen; zij leert in alle zaken en wetenschappen het voordeel der
zielen, de lof en de eer van God zoeken. Zij begeert niet dat zij of haar werken geprezen worden; maar zij
wenst dat God, die alles uit loutere liefde verleent, in zijn gaven geprezen
worde.
17. Deze genade is een bovennatuurlijk licht en een bijzonder gaaf van God; zij is het eigen
merkteken der uitverkorenen en het pand der eeuwige zaligheid; zij verheft de mens van het aardse tot de
liefde voor het hemelse, en maakt van de vleselijke een geestelijke mens. Hoe meer dan de natuur bedwongen
en overwonnen wordt, des te overvloediger wordt de genade ingestort, en zij maakt de inwendige mens gedurig
door nieuwe begunstigingen gelijkvormiger aan het beeld Gods (7).
(1) 1 Thess.
5: 22 (2) 1 Petr. 2: 13 (3) 1
Cor. 10: 33 (4) Hand. 5: 41 (5)
Hand. 20: 35 (6) 1 Cor. 12: 31 (7) Col. 3: 10
Hoofdstuk
55
Over de verdorvenheid der natuur en de
kracht der goddelijke genade
1. DE ZIEL. - Heer, mijn God, die mij geschapen hebt naar uw beeld en gelijkenis, verleen mij
de genade, welke Gij mij geleerd hebt zo groot en zo nodig te zijn voor mijn zaligheid, dat ik mijn boze
natuur overwinne, die mij tot zonde en ten verderve leidt. Want ik gevoel in mijn vlees de wet der zonde,
die strijdt tegen de wet van mijn geest, en mij gevangen leidt om aan de zinnelijkheid te gehoorzamen in
vele dingen (1); en ik kan mijn driften niet wederstaan, tenzij uw heilige genade mij helpe en haar vuur in
mijn hart gestort worde.
2. Uw genade, ja, uw genade, o Heer! is nodig om de natuur te overwinnen, die altijd geneigd
is tot het kwaad van kindsbeen af (2). Want zij is vervallen door de eerste mens, Adam, en door de zonde
bedorven, en zo komt de straf dezer smet over alle mensen; zodat die natuur, welke recht en goed door U
geschapen was, nu niets meer vertoont dan de gebreken en de krankheid van een verdorven natuur, daar haar
neigingen, als zij aan haarzelf overgelaten wordt, ons altoos trekken tot het kwaad en het aardse. De kleine
kracht, die haar was overgebleven, is als een vonkje onder as verborgen. Dit is die natuurlijke rede,
omringd van grote duisternis, die nog wel het goed en het kwaad, de waarheid en de valsheid onderscheidt,
maar die machteloos is om alles te volbrengen wat zij als goed erkent, omdat zij de volle kennis van de
waarheid niet meer heeft, en dat al haar neigingen krank zijn.
3. Daarvan komt het, o mijn God! dat ik welbehagen heb in uw wet (3), volgens de inwendige
mens, wetende dat uw gebod goed, rechtmatig en heilig is (4), alle kwaad berispt en de zonde leert
ontvluchten. Maar in mijn vlees dien ik de wet der zonde (5), daar ik meer mijn zinnelijkheid dan de rede
volg. Daarom komt het, dat ik de begeerte tot het goed heb, maar de kracht niet heb om het te volbrengen
(6). Zo komt het dat ik dikwijls goede voornemens maak; maar, omdat mij de genade ontbreekt, die mijn
krankheid helpen moet, wijk ik af om een kleine tegenstand, en verflauwt mijn moed. Zo komt het dat ik de
weg der volmaaktheid wel ken, en klaar genoeg zie hoe ik behoor te leven. Maar nedergedrukt door het gewicht
van mijn verdorvenheid, verhef ik mij niet tot wat volmaakt is.
4. O
Heer! hoe zeer is mij uw genade noodzakelijk, om het goed te beginnen, en daarin voort te gaan, en om het te
voleindigen.Want zonder haar kan ik niets doen (7):
maar in U vermag ik alles, als uw genade mij versterkt (8). O hemelse
genade, zonder welke geen verdiensten noch enige gaven der natuur te achten zijn! Kunsten of rijkdommen,
schoonheid of kracht, verstand of welsprekendheid, zijn voor U, o Heer, van geen waarde zonder de genade.
Want de gaven der natuur zijn evenzeer het aandeel van goeden en kwaden; maar de genade of de liefde is
de bijzondere gave der uitverkorenen, en die daarmee getekend zijn, worden het eeuwig leven waardig
gekeurd. Deze genade is zo verheven, dat zonder haar noch de gave van voorzegging, noch de kracht van
mirakelen, noch alle hoge beschouwing voor iets geacht worden. Zelfs het geloof, de hoop of enig andere
deugd zijn U, o Heer, niet aangenaam zonder de genade en de liefde.
5. O
allerzaligste genade, die de arme van geest rijk maakt in deugden, en hem, die rijk is in gaven, ootmoedig
van harte doet zijn. Kom, daal over mij neder, vervul mij in de vroegte met uw troost (9), opdat mijn ziel
niet bezwijke van vermoeienis en dorheid van gemoed. Ik bid U, Heer, laat mij genade vinden voor uw
ogen: want uw genade is mij genoeg (10) al verkreeg ik niets van al het
andere, dat de natuur verlangt. Al is het dat ik bekoord en geplaagd worde met vele kwellingen, toch zal ik
niet vrezen, als maar uw genade met mij is (11). Zij is mijn sterkte, zij brengt raad en hulp. Zij is
machtiger dan alle vijanden, en wijzer dan alle wijzen der wereld.
6. Zij is de meesteres der waarheid en der goede zeden; het licht des harten, de troost in
verdrukking; zij verdrijft de droefheid, neemt de vrees af, is de voedster der godsvrucht, de bron der zoete
tranen. Wat ben ik zonder haar dan een droog hout, een onnuttige struik, die uitgeroeid wordt? Dat kan, o
Heer, uw genade mij altijd voorkome, mij altijd vergezelle, en mij gedurig aandachtig make op de oefening
der goede werken. Door Jezus Christus, uw Zoon. Amen.
(1) Rom. 8: 27 (2) Gen. 8: 27 (3) Rom. 7: 22 (4) Rom. 7: 12 (5) Rom. 7: 25 (6) Rom. 7: 18 (7) Joh. 15: 5 (8) Fil. 4: 13 (9) Ps. 89: 14 (10) 2 Cor. 12: 9 (11) Ps. 12:
16
Hoofdstuk
56
Dat men zichzelf verloochenen moet, en
Christus navolgen door het
kruis
1. CHRISTUS. - Zoon, hoe meer gij aan uzelf vaarwel zegt, hoe meer gij in Mij zult overgaan.
Gelijk de inwendige vrede bestaat in niets uitwendigs te begeren, zo wordt men met God verenigd in inwendige
zelfverzaking. Ik wil dat gij uzelf volkomen leert verzaken volgens mijn behagen, zonder klagen of
tegenspreken. Volg mij: Ik ben de weg, de waarheid en het leven (1).
Zonder weg gaat men niet; zonder waarheid kent men niet; zonder leven leeft men niet. Ik ben de weg die gij
volgen, de waarheid die gij geloven, het leven dat gij hopen moet. Ik ben de enige veilige weg, de
onfeilbare waarheid, het eindeloze leven. Ik ben de rechte weg, de opperste waarheid, het ware zalige,
ongeschapen leven. Indien gij op mijn weg blijft, zult gij de waarheid kennen, en de waarheid zal u
verlossen, en gij zult tot het eeuwig leven komen (3).
2. Wilt gij tot het eeuwig leven ingaan, onderhoud de geboden
(3).
Wilt gij de waarheid kennen, geloof mijn
woorden.
Wilt gij volmaakt zijn, verkoop alles
(4).
Wilt gij mijn leerling zijn, verloochen
uzelf (5).
Wilt gij het eeuwig leven bezitten,
veracht het tijdelijke.
Wilt gij in de hemel verheven worden,
verneder u op aarde.
Wilt gij met Mij heersen, draag uw kruis
met Mij.
Want de dienaars van het kruis alleen
vinden de weg der zaligheid en van het ware licht.
3. DE ZIEL. - O Heer Jezus, aangezien uw leven streng was en versmaad door de wereld, geef
mij met verachting der wereld u na te volgen. De leerling is zeker niet boven de meester, en de knecht niet
groter dan zijn heer (6). Dat uw dienaar zich oefene in uw leven, want daar is mijn zaligheid en ware
heiligheid te vinden. Al wat ik hoor of lees buiten uw leven, kan mij niet verkwikken, noch volkomen
behagen.
4. CHRISTUS. - Zoon, aangezien gij dit alles weet en gelezen hebt, zo zult gij gelukkig zijn,
zo gij het volbrengt (7). Zo, wie mijn geboden kent en ze onderhoudt, die bemint Mij en dien zal Ik ook
beminnen, en Ik zal Mij aan hem openbaren (8): en Ik zal hem met Mij
doen aanzitten in het rijk van mijn Vader (9).
5. DE ZIEL. - Heer Jezus, laat het geschieden gelijk Gij gezegd en beloofd hebt, en maak mij
dit oneindig geluk waardig. Ik heb het kruis van uw hand ontvangen: ik
heb het aangenomen en wil het dragen, ja tot de dood toe, gelijk Gij het mij opgelegd hebt. Het leven van
een goed kloosterling, voorwaar is een gedurig kruis maar een kruis dat tot het paradijs leidt. Wij hebben
het werk begonnen, wij mogen niet terugwijken, of ook niet laten
varen.
6. Welaan, broeders! Laten wij tezamen voortgaan: Jezus
zal met ons zijn. Wij hebben dit kruis opgenomen om Jezus; laten wij om Jezus aan het kruis gehecht blijven.
Hij, die onze leidsman is en onze voorganger, zal ook onze helper zijn. Ziet, onze Koning gaat voor ons op,
en Hij zal voor ons strijden (10). Laat ons moedig volgen; niemand vreze of verschrikke; laten wij bereid
zijn om heldhaftig in de strijd te sterven, en laten wij onze roem niet schandvlekken, met van het kruis weg
te vluchten (11).
(1) 1 Joh. 14: 6 (2) Joh. 8: 31,32 (3) Matth. 19: 17 (4) Matth. 19: 21 (5) Matth.
16: 24 (6) Matth. 10: 24 (7) Joh. 13:
17 (8) Joh. 14: 21 (9) Apoc. 3: 21 (10) 2 Esdr. 4: 20 (11) 1 Mach. 9: 10
Hoofdstuk
57
Dat wij niet neerslachtig mogen worden
als ons enig bezwaar overvalt
1. CHRISTUS. - Zoon, geduld en ootmoed in tegenspoed behagen Mij meer dan grote vurigheid en
geestelijke blijdschap in voorspoed. Waarom bedroeft gij u in een kleinigheid, die tegen u gezegd wordt? al
ware het veel erger geweest, gij moest u daarom niet ontstellen. Maar nu laat dit voortvaren; het is het
eerste niet, of iets nieuws dat gij nu te lijden hebt, en het zal het laatste niet zijn, indien gij lang
leeft. Gij zit kloek genoeg, zolang er geen zwarigheid overkomt. Gij weet zelfs aan anderen raad te geven,
te versterken; maar overvalt de bekoring u onverwachts, dan ontbreekt u raad en sterkte. Bemerk uw grote
zwakheid, die gij zo dikwijls in kleine moeilijkheden ondervindt; geloof nochtans, als die u overkomt, dat
zulks tot uw zaligheid geschiedt.
2. Stel alle kwellingen uit uw gedachten, zo goed gij kunt; en zijt gij er door geraakt, dat
het u toch niet terneersla of lang ontstelle. Lijd tenminste geduldig indien gij het niet blijmoedig kunt.
Indien gij iets ongaarne hoort, en enige gramschap begint te gevoelen, bedwing u, en laat geen ongeregeld
woord uit de mond vallen, dat de kleinen zou kunnen ergeren. Alzo zal de ontroering van uw hart welhaast
gestild zijn, en het inwendig leed zal door de wederkerende genade verzacht worden. Ik leef nog, zegt de
Heer, bereid u te helpen en u meer dan gewoonlijk te troosten, indien gij op Mij vertrouwt, en Mij vurig
aanroept.
3. Wees in uw lot getroost (1) en bereid u tot grotere lijdzaamheid. Het is daarom niet alles
verloren, al gevoelt gij dikwijls zware bekoringen en kwellingen.
Gij zijt een mens, maar geen God; vlees
zijt gij, en geen Engel. Hoe zoudt gij altijd in dezelfde staat van deugd kunnen volharden, daar dit aan de
Engel in de hemel en aan de eerste mens in het paradijs ontbroken heeft? Ik ben het, die de verdrukten
troost (2); en die hun krankheid erkennen, maak ik deelachtig aan mijn
Godheid.
4. DE ZIEL. - Gezegend zij uw heilig woord, o Heer, dat mij veel zoeter is dan honing aan de
mond (3). Wat zou ik doen in zovele wederwaardigheden, indien Gij mij niet versterkte door uw heilige
woorden? Wat is er mij aan gelegen, wat en hoeveel ik geleden heb, als ik maar ten laatste in de haven der
eeuwige zaligheid aanland? Geef mij een gelukkig einde, en een zalig
verscheiden uit deze wereld.
Wees mij gedachtig, Heer, en leid mij
door de rechte weg naar het rijk van de Vader. Amen.
(1) Bar. 4: 30 (2) Job 5: 11 (3) Ps. 18:
11
Hoofdstuk
58
Dat men te verheven en Gods verborgen
oordelen niet moet willen doorvorsen
1. CHRISTUS. - Zoon, wacht u van te redetwisten over verheven stoffen en verborgen oordelen
Gods; waarom deze mens zo verlaten is en gene tot zo grote genade verheven wordt. Waarom deze zoveel te
lijden heeft, en de andere zo overladen is met voorspoed. Dat gaat alle menselijk verstand te boven; en geen
redenering of vernuft vermag Gods oordelen te doorgronden. Wanneer dus de vijand u zulke gedachten ingeeft,
of als nieuwsgierige mensen u daarnaar vragen, antwoord dan met de profeet: Heer, Gij zijt rechtvaardig en recht in al uw oordelen (1), of zeg: De oordelen des Heren zijn waarachtig gerechtvaardigd in zichzelf (2). Mijn oordelen
moeten niet onderzocht, zij moeten geëerbiedigd worden; want zij zijn onbegrijpelijk voor het menselijk
verstand.
2. Wil ook niet onderzoeken of twisten over de verdiensten der Heiligen, wie onder hen de
heiligste, of wie hoger verheven is in het rijk der hemelen. Zulke dingen veroorzaken dikwijls geschillen en
nutteloze woordentwist; zij ontsteken ook de hoogmoed en ijdele waan, waar haat en tweedracht uit
voortkomen, als de ene deze, de andere gene Heilige hovaardig wil verheffen. Dergelijke dingen te willen
onderzoeken en weten brengt geen voordeel bij, maar mishaagt veeleer aan de Heiligen: Want Ik ben geen God van tweedracht, maar van vrede (3); welke vrede meer gelegen is in
ware ootmoed dan in zelfverheffing.
3. Sommigen worden getrokken door grotere genegenheid tot deze of gene Heiligen; maar door
een voorliefde die meer menselijk dan goddelijk is. Ik ben het, die al de Heiligen geschapen heb; Ik heb de
genade gegeven, Ik heb de heerlijkheid uitgereikt. Ik ken de verdiensten van eenieder; Ik heb hen voorkomen
met de zoetheid van mijn zegen (4). Ik heb mijn welbeminden gekend vóór alle eeuwen; Ik heb hen gekozen (5).
Ik heb ze geroepen door mijn genade, Ik heb ze tot Mij getrokken uit barmhartigheid, en door vele bekoringen
heb ik ze geleid. Ik heb hun wonderzoete vertroostingen ingestort, Ik heb hun de volharding verleend, en hun
verduldigheid gekroond.
4. Ik ken ze al te gader, de eerste en de laatste; Ik bemin ze al te gader met een
onuitsprekelijke liefde. Mij moet men loven in al mijn Heiligen; Ik moet gezegend worden boven alles, en
vereerd in elk van hen die Ik alzo glorierijk verheerlijkt en voorbeschikt heb, zonder enige voorafgaande
verdiensten van hun kant. Daarom, wie de minste van mijn vrienden veracht, eert ook de grootste niet; want
Ik heb de minste zowel gemaakt als de meeste (6). En wie te kort doet aan één van mijn Heiligen, doet aan
Mij te kort, en aan al de anderen, die in de hemel zijn. Zij zijn allen verenigd door de band der
liefde: zij hebben één gevoelen, één wil, en beminnen elkander in Mij
alleen.
5. Maar, wat veel meer is, zij beminnen Mij meer dan zichzelf en hun
verdiensten.
Want boven zichzelf verrukt, en aan
eigenliefde onttrokken, storten zij zich geheel in mijn liefde en vinden daarin genotvolle rust. Niets is er
dat hen kan afkeren of nederwaarts trekken; want zij zijn vervuld met de eeuwige Waarheid, en blaken van het
vuur ener onblusbare liefde. Dat zijn vleselijke en zinnelijke mensen, die niet weten te beminnen dan eigen
voldoening, zwijgen over de staat der Heiligen. Zij geven en ontnemen aan de Heiligen volgens hun
goeddunken, niet zoals het belieft aan de Eeuwige Waarheid.
6. Vele mensen zijn zeer onwetend en weinig verlicht, en weten zelden wat het is iemand te
beminnen met louter geestelijke liefde. Zij worden veelal tot die of deze Heilige getrokken door natuurlijke
neiging en menselijke vriendschap, zich inbeeldende dat het in de hemel gaat, gelijk zij in deze wereld
gewoon zijn te doen.
Maar daar is een oneindig verschil tussen
wat onvolmaakten denken en wat verlichte mensen door hoger ingeving
ontdekken.
7. Daarom wacht u, mijn zoon, u nieuwsgierig in te laten met dingen die uw begrip te boven
gaan: maar wees veeleer bezorgd om een plaats, al was het ook de
minste, in het rijk Gods te bekomen. En al wist iemand, welke heiliger of groter is in het rijk der hemelen,
wat zou het hem baten, indien hij door deze kennis niet opgewekt werd zich des te meer voor Mij te
vernederen, en mijn naam meer te loven en te eren? Die op de grootheid van zijn zonden denkt, en op de
geringheid van zijn deugden, en overweegt hoe ver hij verwijderd is van de volmaaktheid der Heiligen, is aan
God veel aangenamer dan hij, die veel twist over hun meerderheid of minderheid. Het is beter de Heiligen met
godvruchtige gebeden en tranen te aanroepen en ootmoedig hun krachtige voorspraak te verzoeken, dan door een
nutteloos onderzoek hun levensgeheimen na te vorsen.
8. Zij zijn zeer wel tevreden, indien de mensen zich ook meer tevreden wisten te houden en
hun ijdele praat te staken. Zij roemen niet op eigen verdiensten, vermits zij zichzelf niets goeds
toeschijnen, maar aan Mij alleen, die hun alle goed uit mijn oneindige liefde gegeven heb. Zij zijn vervuld
van de liefde Gods en van zo overvloedige blijdschap, dat er niets kan ontbreken aan hun geluk en aan hun
heerlijkheid. Hoe verhevener zijn zij in glorie, hoe ootmoediger zij zijn in henzelf, waardoor zij met Mij
nauwer verenigd zijn. Daarom staat er geschreven: dat zij hun kronen
nederlegden voor Gods troon, en vielen op hun aangezicht voor het Lam, en aanbaden Hem, die leeft in de
eeuwen der eeuwen (7).
9. Velen onderzoeken wie de grootste is in het rijk Gods, zij die niet weten, of zij waardig
zullen zijn onder de minsten gerekend te worden. Het is een groot geluk, zelf de minste in de hemel te zijn,
aangezien allen daar groot zijn, en allen kinderen Gods genoemd worden, en werkelijk zijn. De minste zal
daar het duizendvoud ontvangen (8) terwijl een zondaar al ware hij honderd jaar, ten gronde zal gaan (9).
Als de discipelen vroegen wie de grootste zou zijn in het rijk der hemelen, hebben zij voor antwoord
ontvangen: Tenzij gij u bekeert en wordt als kinderen, zult gij in het
rijk der hemelen niet ingaan. Wie zich dan vernedert gelijk dit klein kind, die is de grootste in het rijk
der hemelen (10).
10. Wee hun, die zich niet vrijwillig willen vernederen met de kleinen; want de lage deur des
hemels zal hun niet toelaten binnen te gaan. Wee ook de rijken, die hier hun troost hebben (11); want
terwijl de armen het rijk Gods binnengaan, zullen zij daar al weeklagend buiten blijven. Verblijdt u, gij,
ootmoedigen, en verheugt u, gij armen, want het rijk der hemelen is aan u (12), mits gij in de waarheid
wandelt (13).
(1) Ps. 118: 137 (2) Ps. 18: 10 (3) 1 Cor. 14: 33
(4) Ps. 20: 4 (5) Joan. 25: 16
(6) Sap. 6: 8 (7) Ap. 4: 10 en 5:
13,14 (8) Is. 60: 22 (9) Is.
60: 20 (10) Matt. 18: 1,3,4 (11) Luc. 6: 24 (12) Luc. 6: 20
(13) 2 Joh. 4
Hoofdstuk
59
Dat men al zijn hoop en betrouwen op God
alleen moet vestigen
1. DE ZIEL. - Heer, wat is mijn vertrouwen hier in dit leven, of wat is mijn grootste troost
onder al wat er op aarde is? Zijt Gij het niet, mijn God, wiens barmhartigheid oneindig is? Wanneer is het
met mij wèl geweest zonder U? Of waar heeft het kunnen kwalijk gaan met mij, als Gij bij mij waart? Liever
ben ik arm om uwentwil, dan rijk zonder U. Ik heb liever met U als een vreemdeling op aarde te leven, dan
zonder U de hemel te bezitten.. Waar Gij zijt in de hemel, en daar, waar Gij niet zijt, is de dood en de
hel. Gij zijt al mijn verlangen, en daarom moet ik zonder ophouden naar U roepen, zuchten en bidden. Ik kan
op niemand volkomen mijn vertrouwen stellen dan op U, noch in mijn nood hulp verhopen dan van U alleen, o
mijn God. Gij zijt mijn hoop, mijn vertrouwen, en mijn trouwste vriend in
alles.
2. Alle mensen zoeken hun eigen voordeel (1); Gij zoekt
alleen mijn zaligheid en mijn volmaking en Gij keert mij alles ten goede (2). Zelfs dan, wanneer Gij mij
vele bekoringen en wederwaardigheden laat overkomen, schikt Gij dit alles tot mijn voordeel, want Gij
beproeft uw uitverkorenen op duizend wijzen. En ik moet U in deze beproeving niet minder beminnen en loven,
dan indien Gij mij gans vervulde met hemelse vertroostingen.
3. Op U dan, o Heer! stel ik al mijn hoop, tot U neem ik al mijn toevlucht; aan U laat ik al
mijn kommer en angst over; wijl ik zie, dat alles machteloos en ongestadig is, wat buiten U is. Vele
vrienden kunnen mij niet baten, noch kloeke voorstanders mij helpen, wijze raadgevers zullen mij niet nuttig
zijn, geleerde boeken zullen mij niet vertroosten, noch enig kostbaar goed mij vrijkopen, geen verborgen of
verkwikkende plaats mij bevrijden, tenzij Gij zelf mij bijstaat, helpt, versterkt, vertroost, onderricht en
bewaart.
4. Want alles, wat tot vrede en geluk schijnt te strekken, is niets, als Gij bij ons niet
zijt, noch ons kan helpen tot het ware geluk. Gij zijt dan het einde van alle goed, de volheid van het
leven, de bron van alle wijsheid; en op U bovenal te vertrouwen, is de oprechte vertroosting van uw
dienaren. Tot U zijn mijn ogen verheven, op U vertrouw ik, mijn God, Vader der barmhartigheden! Zegen en
heilig mijn ziel met de hemelse zegen, opdat zij uw heilige woning, de troon van uw eeuwige glorie worde; en
opdat er in die tempel van uw goedheid niets gevonden worde, dat de ogen uw van Majesteit kan mishagen. Werp
een oogslag op mij volgens de omvang van uw goedheid, en de menigte van uw barmhartigheden (3) en verhoor
het gebed van uw arme dienaar, die zo ver van U in het land van de duisternis en de dood in ballingschap
omdoolt (4). Bescherm en bewaar mijn ziel tussen al de gevaren van dit vergankelijk leven; geleid mij door
uw genade langs de weg van vrede naar het vaderland der euwige heerlijkheid.
Amen.
(1) Phil. 2: 21 (2) Rom. 8: 28 (3) Ps. 68: 17 (4) Is. 9: 2
boek IV
Hoofdstuk
1
Met hoeveel eerbied Christus moet worden
ontvangen
‘Komt allen tot Mij die uitgeput onder
lasten gebukt gaat; en Ik zal u rust en verkwikking geven,’ zegt de Heer (Mt. 11 :
28).
‘Het brood dat Ik zal geven is mijn
vlees, ten bate van het leven der wereld’ (Joh. 6 : 52).
‘Neemt en eet: dit is mijn Lichaam, dat
voor u wordt overgeleverd, doet dit tot gedachtenis aan Mij’ (Lc. 22 : 19; 1 Kor. 11 :
24).
‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt,
blijft in Mij en Ik in hem’ (Joh. 6 : 56).
‘De woorden die Ik tot u gesproken heb,
zijn geest en leven’ (Joh. 6 : 64).
1. Dit zijn Jezus, eeuwige Waarheid, uw
woorden, ofschoon niet op één tijd gesproken of op één plaats
geschreven.
2. Omdat zij dus de uwe zijn en waar,
moet ik ze alle dankbaar en gelovig aanvaarden.
3. Het zijn de uwe, omdat Gij ze hebt
gezegd; en het zijn ook de mijne, omdat Gij ze hebt uitgesproken tot mijn
welzijn.
4. Graag neem ik ze aan uit uw mond,
opdat ze dieper in mijn hart gevestigd worden.
5. Woorden zo vol genegenheid, tederheid
en liefde wekken mij op; maar mijn eigen wandaden schrikken mij af en mijn onrein geweten houdt mij terug om
tot zulke grote geheimen te naderen.
6. De beminnelijkheid van uw woorden
nodigt mij uit, maar de menigte van mijn gebreken bezwaart mij.
7. Gij beveelt mij met vertrouwen tot U
te naderen, als ik deel wil hebben met U, en het voedsel van de onsterfelijkheid te nemen, als ik het eeuwig
leven en de heerlijkheid wil verkrijgen.
8. ‘Komt allen tot Mij’ zo zegt Gij, `die
uitgeput onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust en verkwikking geven’ (Mt. 11 :
28).
9. Wat een vriendelijk en beminnelijk
woord in het oor van een zondaar: dat Gij, Heer mijn God, een arme en behoeftige uitnodigt tot deelneming
aan uw allerheiligst Lichaam.
10. Maar wie ben ik, Heer, dat ik mij
aanmatig tot U te naderen?
11. Zie, de hemelen der hemelen kunnen U
niet bevatten en Gij zegt: ‘Komt allen tot Mij’?
12. Wat betekent toch die
allervriendelijkste toenadering en deze zo vriendschappelijke
uitnodiging?
13. Hoe zal ik het durven wagen te komen,
ik die mij niets goeds bewust ben waarom ik dit zou mogen ondernemen?
14. Hoe zal ik U binnenvoeren in mijn
huis, ik die u dikwijls zulke beledigingen naar het hoofd heb
geslingerd?
15. Engelen en aartsengelen eren U,
heiligen en rechtvaardigen vrezen U en Gij zegt: ‘Komt allen tot Mij’?
16. Heer, als Gij het niet waart die dit
zegt, wie zou geloven dat het waar is?
17. En als het niet uw uitdrukkelijke wil
was, wie zou wagen te naderen?
18. Noach, een rechtvaardig man, werkte
honderd jaar aan de bouw van een ark om met weinigen gered te worden.
19. En hoe kan ik mij dan in één uur
voorbereiden om de Maker van de wereld met eerbied in mij te
ontvangen?
20. Mozes, uw grote dienaar en bijzondere
vriend, maakte een koffer van onverslijtbaar hout, overtrok die met zeer zuiver goud om daarin de tafelen
der wet neer te leggen.
21. En ik, verdorven wezen, zal het
aandurven U, de Ontwerper van de wet en de Schenker van het leven, zo maar bij mij te
ontvangen?
22. Salomo, in wijsheid de uitmuntendste
van Israëls koningen, bouwde zeven jaar aan een prachtige tempel ter ere van uw naam en vierde acht dagen
lang het feest van zijn inwijding.
23. Duizend vredeoffers droeg hij op en
hij plaatste de ark van het verbond onder het schallen van de bazuinen en onder plechtig gejubel op de
plaats die hij voor haar had gereed gemaakt.
24. En ik, ongelukkige, de armste van de
mensen, hoe zal ik U binnenvoeren in mijn huis, ik die nauwelijks een half uur in godsvrucht weet door te
brengen? En kon ik maar eens één keer een half uur innig daaraan
besteden.
25. O mijn God, hoeveel hebben zij
proberen te doen om U maar te behagen.
26. Ocharm! hoe onnozel is het wat ik
doe, hoe weinig tijd maak ik vol, als ik mij tot de heilige communie
voorbereid.
27. Zelden ben ik totaal innerlijk
gericht, hoogst zeldzame ogenblikken vrij van alle verstrooiing.
28. En natuurlijk behoorde in uw
heilvolle goddelijke aanwezigheid geen enkele minder passende gedachte bij mij op te komen, geen enkel
geschapen wezen mij bezig te houden; want ik sta op het punt niet een engel, maar de Heer der engelen bij
mij als gast te ontvangen.
29. Toch is er een zeer groot verschil
tussen de ark van het Verbond met haar heilige gedenkstukken en uw allerheiligst Lichaam met zijn onzegbare
volmaaktheden.
30. Tussen die offers van de wet,
voorafbeeldingen van wat eens zou komen, en het ware offer van uw Lichaam, de vervulling van alle vroegere
offers.
31. Waarom ontgloei ik dan niet meer bij
uw vererenswaardige Aanwezigheid?
32. Waarom bereid ik mij niet met meer
zorg voor om uw heilige geheimen tot mij te nemen, als die vroegere heilige aartsvaders en profeten,
koningen zelfs en aanvoerders met heel het volk zoveel gevoel van godsvrucht jegens de goddelijke eredienst
aan de dag legden?
33. De zeer vrome koning David ‘danste
met volle overgave’ voor de ark van God ter viering van de gedachtenis aan al de weldaden de vaderen weleer
bewezen.
34. Hij deed allerlei muziekinstrumenten
vervaardigen, dichtte liederen en liet die tot uiting van de blijdschap zingen; hijzelf zong die dikwijls
bij zijn spel op de harp, gedreven door de bezieling van de heilige
Geest.
35. Hij leerde het volk van Israël met
heel zijn hart God te loven en dagelijks met eenstemmigheid God te zegenen en te
prijzen.
36. Als er toen zo’n grote godsvrucht
leefde en de lof van God vóór de ark van het Verbond werd vermeld.
37. Hoeveel eerbied en godsvrucht behoort
dan mij en het hele christelijk volk te bezielen in tegenwoordigheid van het Sacrament en bij de nuttiging
van het allerverhevenste Lichaam van Christus.
38. Velen reizen naar verschillende
plaatsen om de relieken van heiligen te gaan bezoeken en zijn opgetogen bij het horen van hun daden; zij
bewonderen de geweldige basilieken en kussen hun in zijde en goud gewikkeld
gebeente.
39. Zie, Gij zijt hier voor mij op het
altaar, Gij, mijn God, de Heilige der heiligen, de Schepper van het mensdom en de Heer der
engelen.
40. Bij het zien van dat alles speelt de
menselijke nieuwsgierigheid dikwijls een rol en ook het nieuwe van wat men nog nooit heeft gezien; de vrucht
van levensverbetering die men meeneemt is gering, vooral als die reizen zo licht en zonder diepere bezinning
worden ondernomen.
41. Hier echter is in het Sacrament van
het altaar mijn God en mens, Christus Jezus, geheel tegenwoordig; hier wordt ook overvloedig de vrucht van
het eeuwig heil binnengehaald, zo dikwijls men U waardig en godvruchtig tot zich
neemt.
42. Hierheen voert echter niet een of
andere lichtzinnigheid, nieuwsgierigheid of zinnelijke neiging, maar wel het vast geloof, een hoop vol
overgave en oprecht gemeende liefde.
43. O onzichtbare Schepper der wereld,
God, hoe wonderbaar handelt Gij met ons; hoe voorzichtig en welwillend gaat Gij om met uw bevoorrechten, aan
wie Gij Uzelf in het Sacrament ter nuttiging aanbiedt.
44. Dit gaat immers alle begrip te boven:
dit trekt op bijzondere wijze de harten der vromen aan en zet hun liefde in
vlam.
45. Want uw ware gelovigen die heel hun
leven op verbetering richten, ontvangen door dit allerwaardigst Sacrament dikwijls overvloedig de gave van
godsvrucht en liefde voor de deugd.
46. O bewonderenswaardige en verborgen
genade van dit Sacrament, alleen gekend door Christus’ gelovigen; de ongelovigen echter en zij die de zonde
dienen kunnen dit niet ervaren.
47. In dit Sacrament wordt geestelijke
genade meegedeeld, de verloren deugd innerlijk hersteld en keert de schoonheid terug die door de zonde was
ontluisterd.
48. Zó groot is soms deze genade, dat
door de overvloedige gave van godsvrucht niet alleen de geest maar ook het zwakke lichaam voelt, dat het
ruimere krachten krijgt.
49. Wel is het bedroevend en zeer te
betreuren dat wij zo lauw en zo nalatig zijn; dat wij niet met groter liefde tot het ontvangen van Jezus
Christus worden aangetrokken; op Hem toch steunen de hoop en de verdienste van hen die zalig zullen
worden.
50. Hij is immers onze heiligmaking en
verlossing, Hijzelf de troost van hen die onderweg zijn, en het eeuwig geluk der
heiligen.
51. Het is daarom zeer te betreuren dat
velen zo weinig aandacht schenken aan dit heilzaam geheim, dat de hemel verblijdt en de hele wereld in stand
houdt.
52. Wat is het menselijk hart helaas
verblind en onverschillig, dat het niet meer aandacht heeft voor deze onuitsprekelijke gave en zelfs door de
dagelijkse omgang tot onachtzaamheid vervalt.
53. Stel dat dit sacrament op niet meer
dan één plaats werd gevierd en door niet meer dan één priester ter wereld werd
geconsacreerd,
54. Bedenk hoe de mensen dan vol
verlangen zouden zijn naar die plaats en naar die priester, om de goddelijke geheimen te zien
vieren.
55. Nu zijn er vele priesters gewijd en
op vele plaatsen wordt Christus opgedragen, opdat Gods goedgunstigheid en liefde voor de mens des te groter
zouden blijken naarmate de heilige communie over de aarde meer verspreid zou
zijn.
56. Dank aan U, goede Jezus, eeuwige
Herder, omdat Gij U gewaardigt ons arme ballingen met uw kostbaar Lichaam en Bloed te verkwikken en met uw
persoonlijke woorden ons uitnodigt tot het ontvangen van deze mysteriën als Gij zegt: ‘Komt tot Mij gij
allen die uitgeput zijt en onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust en verkwikking geven’ (Mt. 11 :
28).
Hoofdstuk
2
Grote goedheid en liefde van God wordt de
mens in het Sacrament bewezen
1. De gelovige: Heer, vertrouwend op uw
goedheid en grote barmhartigheid, kom ik bij U als een zieke bij de arts, als een hongerige en dorstige bij
de bron van het leven, als een arme bij de Koning van de hemel; als de dienaar bij zijn Heer, als het
schepsel bij de Schepper, als de troosteloze bij zijn goede
Vertrooster.
2. Maar hoe bestaat het dat Gij tot mij
komt?
3. Wie ben ik dat Gij uzelf aan mij
geeft?
4. Hoe durft een zondig mens voor U te
verschijnen en hoe kunt Gij het over U verkrijgen naar een zondig mens toe te
komen?
5. Gij kent uw dienaar, Gij weet dat hij
niets goeds in zich heeft op grond waarvan Gij dit voor hem zoudt
doen.
6. Ik beken dus mijn minderwaardigheid,
ik erken uw goedheid, ik loof uw liefde en ik dank U om uw al te grote
genegenheid.
7. Gij doet dat omdat Gij zo zijt, niet
om mijn verdiensten; om uw goedheid meer te doen kennen, zodat ik tot meer liefde zou komen en op volmaakter
wijze de nederigheid mij zou worden aanbevolen.
8. Omdat het U aldus behaaglijk is en Gij
gewild hebt dat het zo zou geschieden, daarom is uw neerbuiging ook mij aangenaam; mocht mijn
ongerechtigheid voor U geen beletsel zijn.
9. O allerbeminnelijkste en liefdevolle
Jezus, hoeveel eerbied, dankbetuiging en eeuwige lof ben ik U niet verschuldigd voor het ontvangen van uw
heilig Lichaam: geen mens ter wereld kan de verhevenheid daarvan
verklaren.
10. Maar wat zal mijn gedachte zijn bij
deze communie, bij het naderen tot mijn Heer die ik niet op de verschuldigde wijze eren kan en toch devoot
tot mij wens te nemen?
11. Wat zal ik beter en heilzamer denken
dan dat ik mij volstrekt voor U verneder en uw oneindige goedheid hoog boven mijzelf
vereer?
12. Ik loof U, mijn God, en ik prijs U in
eeuwigheid. Ik minacht mijzelf en onderwerp mij aan U in de diepte van mijn
nietswaardigheid.
13. Zie, Gij zijt de Heilige der Heiligen
en ik ben het uitvaagsel van de zondige mensheid.
14. Gij buigt U naar mij die niet waardig
ben tot U op te zien.
15. Zie, Gij komt tot mij, Gij wilt met
mij zijn, Gij nodigt mij uit om maaltijd met U te houden.
16. Gij wilt mij de hemelse spijs en het
brood der engelen (Ps. 78 : 25) te eten geven, geen ander dan Uzelf, ‘het levend brood, dat uit de hemel is
neergedaald en leven geeft aan de wereld’ (Joh. 6 : 33, 51, 52).
17. Ziedaar waar de liefde uit voortkomt,
hoe de liefde in het licht verschijnt. Wat zijn wij U grote dankbetuigingen en lofprijzingen voor dit alles
verschuldigd.
18. Hoe gezegend en nuttig was uw besluit
toen Gij dit hebt ingesteld. Hoe beminnelijk en uitnodigend het gezamenlijk maal, toen Gij Uzelf als spijs
hebt gegeven.
19. Hoe wonderbaar is uw werking, Heer,
hoe vermogend uw kracht, niet onder woorden te brengen uw waarheid.
20. Gij hebt gesproken en alles is
geworden en ook dit is geschied, omdat Gij zelf het hebt bevolen.
21. Het is een wonderlijke zaak, alle
geloof waardig, maar het gaat het menselijk verstand te boven, dat Gij, Heer, mijn God, waarlijk God en
mens, binnen de geringe gedaante van brood en wijn wordt begrensd en zonder te worden verteerd door hem die
eet wordt genuttigd.
22. Gij, Heer van het heelal die niemand
behoeft, hebt door dit Sacrament onder ons willen wonen.
23. Bewaar mijn hart en mijn lichaam
rein, opdat ik met een blij en zuiver geweten dikwijls uw mysteriën mag vieren en tot mijn eeuwig heil
ontvangen. Gij hebt die vooral tot uw eer en tot een eeuwige gedachtenis gewild en
ingesteld.
24. Verheug u dan, mijn diepste wezen, en
dank de Heer voor zulk een verheven geschenk en bijzondere troost, die Hij u in dit tranendal heeft
gelaten.
25. Want zo dikwijls gij dit geheim
herdenkt en Christus’ Lichaam ontvangt, even zo dikwijls voltrekt gij het werk van uw verlossing, want gij
wordt deelachtig aan de verdiensten van Christus.
26. De liefde van Christus immers
vermindert nooit en de omvang van zijn verzoeningswerk is
onuitputtelijk.
27. Daarom behoort gij u altijd weer met
vernieuwing van geest hierop voor te bereiden en het grote mysterie van uw heil met aandachtige beschouwing
te overwegen.
28. Het moet u daarom groot, nieuw en
verrukkelijk voorkomen als gij celebreert of de mis hoort; alsof diezelfde dag Christus voor het eerst
neerdalend in de schoot der Maagd, mens werd of aan het kruis hangend, voor het heil der mensen leed en
stierf.
Hoofdstuk
3
Het is nuttig dikwijls te
communiceren
1. De gelovige: Zie, ik kom tot U, Heer,
opdat het mij wel mag gaan door uw geschenk en ik mij verheug in uw heilig gastmaal, dat Gij, God, in uw
goedheid voor de mens hebt gereed gemaakt (Ps. 68 : 11).
2. Zie, in U is alles aanwezig wat ik kan
en moet verlangen; Gij zijt mijn heil en mijn verlossing, mijn hoop en mijn sterkte, mijn eer en mijn
glorie.
3. ‘Verblijd’ dan vandaag ‘het innerlijk
van uw dienaar, want tot U, Heer Jezus, heb ik mijn geest verheven’ (Ps. 86 :
4).
4. Ik wens U nu godvruchtig en eerbiedig
te ontvangen; ik verlang U in mijn woning binnen te leiden om met Zacheüs te verdienen door U te worden
gezegend en onder de zonen van Abraham te worden erkend.
5. Mijn innerlijk verlangt naar uw
Lichaam, mijn hart wenst met U te worden verenigd.
6. Geef Uzelf aan mij en het is goed.
Want buiten U is geen enkele vertroosting volwaardig.
7. Ik kan niet zonder U zijn; en zonder
uw bezoek kan ik niet leven.
8. Daarom moet ik wel dikwijls tot U
naderen en U als geneesmiddel tot het heil ontvangen; anders zou ik misschien onderweg bezwijken, als ik
beroofd bleef van dit hemels voedsel.
9. Want zo, allerbarmhartigste Jezus,
hebt Gij bij uw prediking aan het volk en bij het genezen van allerlei kwalen het eens gezegd: ‘Ik wil hen
niet zonder voedsel naar hun huis terug laten gaan, misschien zouden ze onderweg omkomen’ (Mt. 15 :
32).
10. Doe dan met mij hetzelfde, Gij die
Uzelf tot troost van uw gelovigen in het Sacrament hebt nagelaten.
11. Want Gij zijt een heerlijke
verkwikking voor mijn innerlijk wezen en wie U waardig heeft genuttigd, zal deelgenoot en erfgenaam zijn van
de eeuwige glorie.
12. Voor mij is het onmisbaar, omdat ik
zo dikwijls wankel of val, zo snel weer lauw en onder de maat ben, dat ik door veelvuldig te bidden en te
biechten en door het heilig ontvangen van uw Lichaam mijzelf vernieuw, mij reinig en weer vurig word, want
door mij daar langer van te onthouden zou ik weggedreven worden van mijn heilig
voornemen.
13. De zinnen van een mens immers zijn
geneigd tot het kwaad vanaf zijn jonge jaren en als het goddelijk geneesmiddel hem niet ter hulp komt daalt
de mens weldra tot een minderwaardig leven af.
14. De heilige communie houdt hem dus
terug van het kwaad en bevestigt hem in het goede.
15. Als ik namelijk nu al zo vaak nalatig
en lauw ben terwijl ik communiceer of celebreer, wat zou het dan zijn als ik dit geneesmiddel niet tot mij
nam en deze sterke steun niet zocht?
16. En al ben ik niet iedere dag goed
genoeg gesteld en bereid om te celebreren, toch zal ik er mij op toeleggen de goddelijke mysteriën te vieren
op de geschikte tijden en zorgen dat ik deel krijg aan die grote
gunst.
17. Want dit is een bijzonder belangrijke
vertroosting voor wie U trouw wil zijn zolang hij ver van U in dit sterfelijk lichaam nog onderweg is: dat
hij herhaaldelijk zijn God indachtig, zijn Geliefde met vrome gesteltenis mag
ontvangen.
18. O wonderbare begenadiging van uw
liefde jegens ons; dat Gij, Heer onze God, Schepper en Levensbron van alle geesten, tot dit armzalig
menselijk wezen wilt afdalen en met heel uw godheid en mensheid zijn honger overvloedig wilt
verzadigen.
19. Gelukkig de geest en zalig de ziel
die U, haar Heer en God, godvruchtig verdient te ontvangen en bij die geestelijke gave van vreugde vervuld
wordt.
20. Zij ontvangt een groot machthebber,
zij voert een zeer beminnelijke gastvriend binnen, zij krijgt een vriendelijk gezel bij zich, zij aanvaardt
een trouwe vriend. Zij omhelst een bruidegom die edel en voornaam is, die boven alle geliefden en boven
alles wat begerenswaardig is bemind moet worden.
21. Laat dan, mijn dierbaarste beminde,
laat hemel en aarde en alles wat hen siert zwijgen in uw tegenwoordigheid, want wat zij aan lof en
schoonheid bezitten, is een geschenk van uw vrijgevigheid en nooit zullen zij de heerlijkheid van uw naam
nabij komen wiens wijsheid zonder grenzen is.
Hoofdstuk
4
Veel gaven worden gegeven aan wie
godvruchtig communiceren
1. De gelovige. Heer mijn God, voorkom uw
dienaar met de zegeningen van uw mildheid, dat ik tot uw heilig sacrament waardig en godvruchtig mag
naderen.
2. Wek mijn hart op tot U en ontdoe mij
van mijn zware loomheid. ‘Bezoek mij met uw heil’ (Ps. 106 : 4.) om in de geest uw goedheid te proeven die
in dit Sacrament als in een bron overvloedig verborgen is.
3. Verlicht ook mijn ogen om zulk een
groot geheim te kunnen beschouwen en versterk mij om het met onwankelbaar geloof aan te
nemen.
4. Want dit is uw werking en geen
menselijke kracht; het is uw heilige instelling en geen uitvinding van
mensen.
5. Niemand is uit zichzelf immers bekwaam
om dit te vatten en datgene te verstaan wat zelfs het scherpe verstand der engelen te boven
gaat.
6. Wat zou ik dan, onwaardig zondig mens,
stof en as, over dit heilig geheim kunnen onderzoeken en achterhalen?
7. Heer, in de eenvoud van mijn hart, in
een waar en sterk geloof en op uw bevel nader ik tot U met vertrouwen en eerbied. In waarheid geloof ik dat
Gij hier in het Sacrament aanwezig zijt, als God en mens.
8. Gij wilt dus dat ik U ontvang en mij
in liefde met U verenig.
9. Daarom bid ik uw grote goedheid en
smeek ik U mij met het oog hierop een bijzondere genade te geven: dat ik volkomen in U mag opgaan en uit
liefde mij in U overstorten en mij verder met geen enkele andere vertroosting meer
inlaat.
10. Want dit hoogste en allerwaardigste
Sacrament is een zegen voor ziel en lichaam, een medicijn voor allerlei geestelijke kwalen. Hier worden mijn
gebreken verbeterd, mijn hartstochten beteugeld, bekoringen overwonnen of verminderd; hier wordt
overvloedige genade gegeven, wordt de begonnen deugd versterkt, wordt het geloof bevestigd en ontvangt de
hoop nieuwe kracht, raakt de liefde in vlam en wordt zij verruimd.
11. Want talrijke gaven hebt Gij verleend
en geeft Gij nog dikwijls in dit Sacrament aan uw geliefden die godvruchtig communiceren, mijn God, Gij die
mijn ziel hebt aangenomen, die de menselijke zwakheid hebt hersteld, die de Gever zijt van de innerlijke
vertroosting.
12. Want grote vertroosting geeft Gij hun
tegen de veelvuldige kwelling, en uit de diepte van eigen neerslachtigheid richt Gij hen op tot hoop op uw
bescherming, en door nieuwe genade herstelt Gij hen innerlijk en geeft Gij hun
licht.
13. Zodat zij die voor de communie zich
angstig en zonder liefde voelden, daarna door hemelse spijs en drank verkwikt, zich in een beter mens
herschapen wisten.
14. Gij weegt dit voor uw geliefden
daarom af, opdat zij waarlijk erkennen en duidelijk ervaren hoe zwak zij uit zichzelf zijn en hoeveel
goedheid en welwillendheid zij van uw kant mogen ondervinden.
15. Want uit zichzelf koud, hard en
ongodvruchtig, verkrijgen zij door U dat zij vurig, ijverig en vroom
zijn.
16. Want wie zou nederig tot de bron van
de goedheid naderend, niet met iets van die beminnelijkheid daaruit verrijkt
worden?
17. Of wie zou naast een groot vuur staan
en niet daardoor enige warmte opnemen?
18. Gij zijt de voortdurend volle en
overvloeiende bron, een altijd brandend vuur dat nooit verflauwt.
19. Daarom, al is het mij niet geoorloofd
uit de volheid van die bron te scheppen noch tot het laatst mijn dorst te lessen, toch zal ik mijn mond
zetten aan de opening van dat hemelse toevoerkanaal, dat ik tenminste een enkele druppel opvang om mijn
dorst te stillen en niet volkomen te verdorren.
20. En al kan ik nog niet helemaal hemels
en brandend zijn zoals cherubijnen en serafijnen, toch zal ik proberen mij op godsvrucht toe te leggen en
mijn hart voor te bereiden, opdat ik tenminste een vonk van die goddelijk brand uit het nederig nuttigen van
dit levendmakend Sacrament mag verkrijgen.
21. Wat mij ook ontbreekt, goede Jezus,
allerheiligste Verlosser, wil Gij dat voor mij welwillend en liefdevol aanvullen, Gij die zo goed zijt
geweest allen tot U te roepen met de woorden: ‘Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt
gaat, en Ik zal u rust en verkwikking geven’ (Mt. 11 : 28).
22. Ik zwoeg immers met bezweet gezicht,
mijn hart doorstaat folterende kwelling, ik word beladen met zonden, veel slechte hartstochten verwarren mij
en houden mij aan de grond.
23. En er is niemand die mij helpt,
niemand die mij bevrijdt of zalig maakt, tenzij Gij God, mijn Verlosser; aan U vertrouw ik toe mijzelf en al
het mijne, dat Gij mij moogt bewaren en binnenleiden in het eeuwig
leven.
24. Ontvang mij tot lof en glorie van uw
naam, Gij die mij uw Lichaam en Bloed tot spijs en drank hebt bereid.
25. Geef, Heer, God van mijn heil, dat
met de herhaling van uw geheim de gloed van mijn godsvrucht mag
toenemen.
Hoofdstuk
5
De waardigheid van het Sacrament en de
priesterlijke staat
1. De Heer: Al hadt gij een engelachtige
zuiverheid en de heiligheid van Sint Jan de Doper, dan waart gij nog niet waardig dit Sacrament te ontvangen
en daarmee om te gaan.
2. Want het is geen vrucht van menselijke
verdiensten dat een mens consacreert en Christus’ Sacrament in handen neemt en het brood der engelen nuttigt
als zijn spijs.
3. Ontzagwekkend is de bediening en groot
de waardigheid van de priesters aan wie gegeven is wat engelen niet is
toegestaan.
4. Want alleen de priesters die op de
juiste wijze in de kerk zijn gewijd, hebben de macht om het offer op te dragen en het Lichaam van Christus
te consacreren.
5. De priester is immers de dienaar van
God, die Gods woord gebruikt op bevel en volgens de instelling van God. God is daar de voornaamste bewerker
en de onzichtbare uitvoerder: alles is aan Hem volgens zijn wil onderworpen en hij doet alles wat Hij
beveelt.
6. Daarom moet Gij meer de almachtige God
geloven in dit hoogheilig Sacrament dan uw eigen gevoelens volgen of een of ander zichtbaar
bewijs.
7. Daarom behoort men met ontzag en
eerbied tot dit dienstwerk te naderen.
8. Neem uzelf in acht en bedenk wat het
is waarvan de bediening u door de oplegging van de handen van de bisschop is
toevertrouwd.
9. Zie, gij zijt priester geworden en
gewijd om de heilige Eucharistie te vieren; denk er nu wel aan om trouw en godvruchtig op de aangewezen tijd
God dit offer op te dragen en zorg dat gij onberispelijk leeft.
10. Gij hebt uw last niet lichter
gemaakt, maar gij zijt nu door een nauwere band tot een stipte levenswijze gebonden en tot hogere maat van
heilige volmaaktheid verplicht.
11. Een priester moet zich onderscheiden
door allerlei, deugd en voor anderen een voorbeeld van het goede zijn.
12. Zijn levensgang is niet die volgens
de populaire opvatting, maar moet lijken op die van de engelen in de hemel of van volmaakte mensen op
aarde.
13. Met de heilige gewaden bekleed is de
priester plaatsvervanger van Christus om God voor zichzelf en voor heel het volk eerbiedig en nederig te
smeken.
14. Vóór en achter zich draagt hij het
teken van het kruis des Heren om altijd het lijden van Christus te
gedenken.
15. Van voren draagt hij het kruis op het
kazuifel om Christus’ voetsporen nauwkeurig na te gaan en zich ijverig op navolging toe te
leggen.
16. Aan de achterzijde is hij met een
kruis getekend om welke lasten ook, hem door anderen opgelegd, met mildheid voor God te
dragen.
17. Voor zich uit draagt hij het kruis om
eigen zonden te betreuren, achter zich aan om ook wat anderen misdeden uit medelijden te bewenen en om goed
te weten dat hij tussen God en de zondaar is gesteld.
18. Hij mag niet verflauwen in het gebed
of het heilig offer, totdat hij verdient genade en barmhartigheid te
verkrijgen.
19. Als de priester de heilige
Eucharistie viert, eert hij God, verblijdt hij de engelen, geeft hij stichting aan de Kerk; hij helpt de
levenden, verkrijgt rust voor de overledenen ,en heeft zelf aan alle geestelijke goederen
deel.
Hoofdstuk
6
Ondervraging over de oefening voor de
Communie
1. De gelovige: Als ik uw waardigheid en
mijn onbeduidendheid overdenk, Heer, ben ik zeer ontdaan en over mijzelf diep
beschaamd.
2. Als ik immers niet nader, ontvlucht ik
het leven en als ik mij onwaardig opdring, doe ik U een belediging
aan.
3. Wat moet ik dan doen, mijn God, mijn
helper en mijn raadgever in moeilijkheden?
4. Leer Gij mij de juiste weg, wijs mij
een goede oefening aan die passend is voor de heilige communie.
5. Het is immers nuttig te weten hoe ik
godvruchtig en eerbiedig mijn hart moet voorbereiden om uw Sacrament tot mijn heil te ontvangen of ook om
een zo waardig en goddelijk offer te vieren.
Hoofdstuk
7
Het onderzoek van het eigen geweten en
het voornemen tot verbetering
1. De Heer: Vóór alles behoort Gods
priester om dit Sacrament te vieren, te behandelen en te nuttigen, met de grootste innerlijke nederigheid,
met diepe eerbied, met een onvoorwaardelijk geloof en een liefdevolle gerichtheid op de eer van God naderbij
te komen.
2. Onderzoek zorgvuldig uw geweten,
zuiver en verhelder het naar vermogen door een waar berouw en een nederige biecht, zodat er bij uw weten
niets bezwarends overblijft dat wroeging veroorzaakt en uw vrije toenadering
verhindert.
3. Heb dan afkeer van al uw zonden in het
algemeen en betuig uw spijt en berouw, meer in het bijzonder over uw dagelijkse
overtredingen.
4. Als de tijd het toelaat belijd dan God
in het binnenste van uw hart al de ellenden van uw leven.
5. Treur en wees bedroefd dat gij nog zo
op het stoffelijke gericht en zo werelds gezind zijt;
6. Zo onverstorven in uw hartstochten, zo
vol onrust in uw begeerten;
7. Zo weinig waakzaam in uw uiterlijke
zintuigen, zo dikwijls verwikkeld in veel zinledige verbeeldingen;
8. Zo sterk geneigd naar het uiterlijke,
zo onverschillig tegenover het innerlijke;
9. Zo gemakkelijk bereid tot lachen en
uitgelatenheid, zo moeilijk te bewegen tot tranen van berouw;
10. Zo snel gereed tot een losser leven
en de stoffelijke genoegens, zo traag tot stiptheid en vurigheid;
11. Zo begerig om iets nieuws te horen en
mooie dingen te zien, zo aarzelend om een bescheiden of minder aanzienlijke taak op u te
nemen;
12. Zo begerig om veel te hebben, zo
gierig in het geven, zo taai in het vasthouden;
13. Zo onbedachtzaam in woorden, zo
onbeheerst als er gezwegen moet worden;
14. Zo weinig fijngevoelig in uw
welwillendheid, zo onbesuisd in uw handelen;
15. Zo onbeheerst bij eten en drinken, zo
doof om Gods woord te aanhoren;
16. Zo snel gereed om te gaan rusten, zo
schoorvoetend als er gewerkt moet worden;
17. Zo nieuwsgierig als er praatjes zijn,
zo slaperig tijdens uw heilige waaktijd;
18. Zo verlangend naar het einde, zo
verstrooid in uw aandacht;
19. Zo slordig in het voltooien van uw
gebedstijden, zo lauw bij het mislezen, zo dor bij het communiceren;
20. Zo spoedig in gedachten afwezig, zo
zelden geheel in uzelf gekeerd;
21. Zo snel geprikkeld tot
verontwaardiging, zo lichtvaardig in het mishagen aan een ander;
22. Zo geneigd om te oordelen, zo hard in
uw argumentatie;
23. Zo blij als het goed gaat; zo zwak
als iets tegenloopt;
24. Zo druk in de weer met veel goede
voornemens en maar weinig daarvan ten uitvoer brengend.
25. En als gij deze en uw andere fouten
met leed en met ontevredenheid over uw eigen gebrekkigheid hebt betreurd en gebiecht, maak dan het vaste
voornemen uw leven voortdurend te verbeteren en in het goede voortgang te
maken.
26. Breng dan uzelf met algeheel
vertrouwen en volledig vrije wil ter ere van mijn naam ten offer op het altaar van uw hart als een blijvend
brandoffer, door uw lichaam en uw ziel aan Mij met getrouwheid over te
laten.
27. Dit moet uw bedoeling zijn: dat gij
verdient waardig te naderen om God het offer op te dragen en het Sacrament van mijn Lichaam tot uw heil te
ontvangen.
28. Er is namelijk geen offerande zo
waardig en geen voldoening zo groot om zonden uit te wissen dan zichzelf zuiver en geheel, te samen met het
offer van Christus’ Lichaam, in de mis en de communie God aan te
bieden.
29. Als de mens gedaan heeft wat in hem
is en oprecht spijt betuigt zo dikwijls hij om genade en vergeving tot Mij komt, dan zegt de Heer: ‘Ik leef
en wil de dood van de zondaar niet maar wel dat hij zich bekeert en leeft (Ez. 33 : 11); want Ik zal zijn
zonden niet langer indachtig zijn (Hebr. 10 : 17), maar alles zal hem zijn
kwijtgescholden.’
Hoofdstuk
8
De opoffering van Christus aan het kruis
en onze eigen overgave
1. Zoals Ik mijzelf met uitgestrekte
armen aan het kruis en met een ontkleed lichaam voor uw zonden aan God de Vader vrijwillig heb opgedragen,
zodat er niets in mij overbleef dat niet geheel in het offer van de goddelijke verzoening
overging,
2. Zo moet ook gij uzelf aan Mij met
vrije wil als een zuiver en heilig offer dagelijks in de mis met al uw krachten en genegenheden zo innig gij
kunt aan Mij aanbieden.
3. Wat vraag Ik meer van u dan dat gij
probeert uzelf aan Mij zonder voorbehoud weg te geven?
4. Wat gij ook geeft buiten uzelf, het
heeft voor Mij geen waarde, want Ik zoek niet uw gaven maar u.
5. Zoals het voor u onvoldoende zou zijn
alles te hebben behalve Mij, zo kan Mij niets behagen, wat gij mij ook, zoudt geven, zonder het offer van
uzelf.
6. Offer uzelf aan Mij op en geef alles
voor God, dan zal uw offerande aanvaard worden.
7. Zie, Ik heb mijzelf geheel aan de
Vader aangeboden voor u; Ik gaf ook heel mijn Lichaam en mijn Bloed tot voedsel, opdat ik geheel de uwe zou
zijn en gij de mijne zoudt blijven.
8. Maar blijft gij aan uzelf vasthouden
en geeft gij u niet spontaan over aan mijn wil, dan is die offerande niet volmaakt en de vereniging tussen
ons beiden niet volledig.
9. Daarom behoort aan al uw daden de
vrijwillige overgave van uzelf in Gods .handen vooraf te gaan, als gij vrijheid en genade wilt
verkrijgen.
10. Om deze reden immers worden zo
weinigen werkelijk verlicht en inwendig vrij, omdat zij zichzelf niet geheel weten te
verloochenen.
11. Dit is mijn besliste uitspraak: ‘Als
iemand niet verzaakt aan alles, kan hij mijn leerling niet zijn’ (Lc. 14 :
33)
12. Als gij dan mijn leerling wenst te
zijn, offer uzelf dan aan Mij op met alles wat gij liefhebt.
Hoofdstuk
9
Wij behoren onszelf en alles wat van ons
is aan God op te dragen en voor allen te bidden
1. De gelovige: Heer, alles is het uwe,
zowel in de hemel als op de aarde.
2. Ik verlang mijzelf als een vrijwillige
offerande op te dragen en in eeuwigheid de uwe te blijven.
3. Heer, in de eenvoud van mijn hart
offer ik mijzelf vandaag aan U op als uw eeuwige dienaar: een offer van hulde en lof voor
altijd.
4. Ontvang mij te samen met deze heilige
offerande van uw kostbaar Lichaam, die ik U vandaag in het bijzijn van alle onzichtbare aanwezige engelen
aanbied, opdat zij voor mij en voor heel het volk tot heil moge zijn.
5. Heer, ik breng U op uw zoenaltaar al
mijn zonden en misdaden ten offer die ik heb begaan voor uw aangezicht en dat van uw heilige engelen, vanaf
de dag dat ik voor het eerst kon zondigen tot aan dit uur.
6. Opdat Gij alles wilt ontvlammen en
verbranden in het vuur van uw liefde, al de smetten van mijn zonden uitwist en mijn geweten van alle misdaad
zuivert.
7. En mij uw genade teruggeeft, die ik
door te zondigen had verloren: dan is alles vergeven en ben ik in een omhelzing van vrede weer barmhartig
aangenomen.
8. Wat kan ik doen voor mijn zonden,
tenzij die nederig bekennen, erover treuren en onophoudelijk uw vergeving daarover
afsmeken?
9. Mijn God, nu ik voor U sta smeek ik U:
wil mij in uw medelijden verhoren.
10. Al mijn zonden staan mij in de
hoogste mate tegen, ik wil die nooit meer bedrijven; maar, ik betreur ze en zal ze blijven betreuren zolang
ik leef, bereid om boete te doen en naar vermogen voldoening te geven.
11. Vergeef mij, God, vergeef mij mijn
zonden omwille van uw heilige naam; red mijn ziel die Gij door uw kostbaar Bloed hebt
vrijgekocht.
12. Ik vertrouw mij toe aan uw
barmhartigheid, ik geef mij over in uw handen.
13. Doe met mij volgens uw goedheid, niet
volgens mijn boosaardigheid en ongerechtigheid.
14. Ik offer U ook al het goede op dat
het mijne is, hoe gering en onvolmaakt dat alles ook zijn mag: wil Gij het verbeteren en
heiligen.
15. Wil dat alles tot een U aangename en
aanvaardbare gave maken, het tot iets beters verheffen, en mijzelf, traag en onnut mensenkind, tot een zalig
en prijzenswaardig einde voeren.
16. Ik offer U ook alle heilige
verlangens van de vromen; de noden van mijn ouders, vrienden, broers en zusters, van al degenen die mij
dierbaar zijn en van allen die mij en anderen ter liefde van U hebben
welgedaan.
17. En hen die hebben verlangd en
gevraagd dat ik gebeden en missen zou opdragen voor henzelf en voor allen die met hen verbonden zijn, of zij
nu leven of reeds uit dit leven zijn heengegaan.
18. Zodat zij allen de hulp van uw
genade, de rijkdom van uw vertroosting, de bescherming in gevaren, de bevrijding van straf naar zich voelen
toekomen en zij uit alle rampen bevrijd in blijdschap U rijkelijk dank
betuigen.
19. Ik offer U ook gebeden en zoenoffers
op bijzonder voor hen die mij op een of andere wijze leed hebben aangedaan, hebben bedroefd, kritiek hebben
geuit of enige schade of last hebben veroorzaakt.
20. Ook voor al degenen die ik zelf ooit
droefheid, verwarring, last of ergernis heb veroorzaakt door woorden of daden, bewust of
onwetend;
21. Dat Gij ons allen zonder onderscheid
onze zonden en wederzijdse beledigingen wilt vergeven.
22. Heer, neem alle achterdocht,
verontwaardiging, gevoelens van bitterheid en woordenstrijd uit ons hart weg en evenzeer alles wat de liefde
kan kwetsen en de broederlijke liefde verminderen.
23. Ontferm U, Heer, ontferm U over ons
die om uw barmhartigheid smeken, geef genade aan wie U zo nodig
hebben;
24. En laat ons zo leven dat wij waardig
zijn uw genade te bezitten en tot het eeuwig leven mogen komen. Amen.
Hoofdstuk
10
De heilige communie moet men niet
gemakkelijk achterwege laten
1. De Heer: Dikwijls behoort gij uw
toevlucht te nemen tot de bron van genade en goddelijke barmhartigheid, tot de bron van goedheid en alle
zuiverheid. Dan zult gij van uw hartstochten en gebreken worden genezen en verdienen krachtiger en waakzamer
te kunnen optreden tegen alle bekoringen en bedriegerijen van de
duivel.
2. De vijand weet dat zeer veel vrucht en
een middel tot heil in de communie gelegen zijn; op allerlei wijzen en bij iedere gelegenheid probeert hij
gelovigen en vromen zoveel hij kan daarvan af te houden of hen daarin te
belemmeren.
3. Want als sommigen zich, op de heilige
communie voorbereiden, ondergaan zij zeer erge ingevingen van de
satan.
4. De boze geest zelf, zoals in het boek
Job geschreven staat, komt onder de zonen Gods om hen met zijn gebruikelijke slechtheid in verwarring te
brengen, ze bevreesd te maken of radeloos; om zo hun liefde te verminderen of hun geloof door zijn
aanvechting weg te nemen, zodat zij óf de communie helemaal weglaten óf met lauwheid ertoe
naderen.
5. Maar men moet zich niet het allerminst
storen aan zijn sluwheden en verbeeldingen, hoe schandelijk en verschrikkelijk die ook zijn, maar alle
fantasieën moet men naar zijn hoofd terugwerpen.
6. Hij is ellendig, verachtelijk en
bespottelijk; en om zijn beledigingen en de onrust die hij veroorzaakt, moet men de heilige communie niet
overslaan.
7. Dikwijls immers is een te grote
bezorgdheid een belemmering voor de godsvrucht en ook de angst voor het spreken van de
biecht.
8. Handel volgens de raad van wijze
mensen en leg angst en scrupules af, want dit verhindert Gods genade en vernietigt de innerlijke
godsvrucht.
9. Laat om een of ander klein bezwaar of
verwarring de heilige communie niet varen; maar ga spoedig biechten en vergeef anderen graag al hun
beledigingen.
10. Maar hebt gij zelf iemand beledigd,
vraag dan nederig om vergeving, dan zal God u van harte genadig zijn.
11. Wat baat het u zo lang te wachten met
biechten of de heilige communie uit te stellen?
12. Zuiver u zo snel mogelijk, spuw het
venijn onmiddellijk uit, haast u het geneesmiddel in te nemen en gij zult u beter bevinden dan wanneer gij
lang wacht.
13. Als gij om deze reden nalatig zijt,
is er morgen wellicht een nog belangrijker reden en zo zoudt gij lang van de communie weerhouden kunnen
worden en er steeds minder toe in staat zijn.
14. Zo spoedig mogelijk moet gij dit
bezwaar en deze lusteloosheid van u afschudden.
15. Het dient nergens toe lang gekweld te
worden, lang met onrust rond te lopen en vanwege dagelijkse belemmeringen zich van het goddelijke te
verwijderen.
16. Het is zelfs in hoge mate schadelijk
de heilige communie lang uit te stellen, want dat leidt gewoonlijk tot grote
lauwheid.
17. Helaas, sommigen die lauw zijn en
nalatig nemen de kans hun biecht wat later te doen graag aan en stellen de heilige communie daarom graag uit
om niet verplicht te zijn tot grotere waakzaamheid over zichzelf.
18. Helaas, wat hebben zij weinig liefde
en een zwakke godsvrucht die de heilige communie zo gemakkelijk
uitstellen.
19. Hoe gelukkig is hij en hoezeer God
welgevallig die zo leeft en zijn geweten dermate rein houdt, dat hij gereed is zelfs dagelijks te
communiceren en het zou verlangen te doen, als het hem geoorloofd was en het kon geschieden zonder op te
vallen.
20. Als iemand er zich somtijds van
onthoudt uit nederigheid of omdat een goede reden het bezwaarlijk maakt, is hij te prijzen om zijn
eerbied.
21. Maar sluipt de lauwheid binnen, dan
moet hij zichzelf aansporen en doen wat in zijn vermogen is; dan zal de Heer aan zijn verlangen voldoen om
die goede wil, waarmee de Heer zeer bijzonder rekening houdt.
22. Maar als iemand wettig verhinderd is,
zal hij altijd de goede wil en de vrome bedoeling hebben te communiceren en zo zal hem de vrucht van het
Sacrament niet ontgaan.
23. Want iedere vrome gelovige kan op
ieder uur van de dag in een geestelijke communie tot Christus naderen en dat zonder enige
weerhouding.
24. Maar op bepaalde dagen en tijden zal
hij niet mogen nalaten het Lichaam van zijn Verlosser met liefdevolle eerbied in het Sacrament te ontvangen,
en dat meer op grond van Gods eer en glorie dan om het zoeken van eigen
troost.
25. Want zo dikwijls hij geestelijk
communiceert, wordt hij onzichtbaar verkwikt als hij het mysterie van Christus’ menswording en lijden vroom
herdenkt en in liefde voor Hem ontvlamt.
26. Wie zich anders niet voorbereidt dan
bij het ophanden zijn van een feest of omdat de gewoonte ertoe aanzet, zal dikwijls geheel onvoorbereid
zijn.
27. Gelukkig degene die zich de Heer
onvoorwaardelijk als offer opdraagt, zo dikwijls hij, celebreert of
communiceert.
28. Wees bij het opdragen van de mis niet
te langzaam of haastig, maar houd u aan het goede gemeenschappelijk gebruik van degenen met wie gij
leeft.
29. Gij moet voor de anderen geen oorzaak
van last of verveling zijn, maar de gewone weg bewandelen volgens de instelling van wie ons zijn voorgegaan,
en liever het nut van anderen in het oog houden dan eigen devotie of
verlangen.
Hoofdstuk
11
Het Lichaam van Christus en de heilige
Schrift zijn voor de gelovige in hoge mate onmisbaar
1. De gelovige: Goede Heer Jezus, hoe
groot is de mildheid die de godvruchtige gelovige mag ervaren, als hij met U aan uw gastmaal aanzit; waar
hem geen andere spijs tot nuttiging wordt aangeboden dan U, zijn enige Beminde; die voor hem boven alles wat
hij kan verlangen aantrekkelijk zijt.
2. Het zou mij een voldoening zijn in uw
tegenwoordigheid uit diepe genegenheid tranen te storten en met de beminnende Magdalena uw voeten met tranen
te bevochtigen.
3. Maar waar vind ik een dergelijke
vroomheid? Waar is die overvloedige vloed van heilige tranen?
4. Zeker voor uw aanschijn en dat van uw
heilige engelen zou heel mijn hart in vuur en vlam moeten staan en zou ik van vreugde moeten
schreien.
5. Want ik heb U hier bij mij
tegenwoordig in het Sacrament, hoewel verborgen onder een andere
gedaante.
6. U in uw eigen goddelijke klaarheid te
aanschouwen immers zouden mijn ogen niet kunnen verdragen; zelfs wie volstrekt rein was, zou niet bestand
zijn tegen de glorievolle glans van uw majesteit.
7. Hierin komt Gij dus mijn hulpeloosheid
tegemoet, dat Gij U in dit Sacrament verbergt.
8. Ik bezit hier waarlijk en aanbid Hem,
die de engelen in de hemel aanbidden; maar ik voorlopig in geloof, zij van aangezicht tot aangezicht en
zonder versluiering.
9. Ik moet tevreden zijn met het licht
van het ware geloof en daarin wandelen, totdat de dag van de eeuwige klaarheid aanbreekt en de schaduwen van
de beelden wijken.
10. Maar als eenmaal dat wat volmaakt is
gekomen zal zijn, zal het gebruik van de sacramenten ophouden, omdat de zaligen in de hemelse glorie het
sacramenteel geneesmiddel niet nodig hebben.
11. Want zij verheugen zich zonder einde
over de tegenwoordigheid van God, wiens schoonheid zij van aangezicht tot aangezicht aanschouwen; en steeds
meer omgevormd in de afgrondelijke heerlijkheid van God, proeven zij het Woord Gods dat vlees geworden is,
zoals het vanaf het begin was en in eeuwigheid blijft.
12. Deze wonderen indachtig staat welke
geestelijke vertroosting ook, mij tegen; want zolang ik mijn Heer niet openlijk in zijn glorie zie, acht ik
alles niets wat ik in de wereld zie en hoor.
13. Gij zijt mijn getuige, God, dat geen
enkele zaak mij kan troosten, geen schepsel mij rust kan geven, alleen Gij, mijn God, die ik verlang voor
eeuwig te aanschouwen.
14. Maar dit is niet mogelijk zolang ik
in deze sterfelijkheid verblijf.
15. Daarom moet ik mij wel afstemmen op
een groot geduld en mijzelf bij elk verlangen aan U onderwerpen.
16. Want ook uw heiligen, Heer, die nu
met U in het rijk der hemelen jubelen, hebben zolang zij leefden de komst van uw glorie met vertrouwen en
groot geduld afgewacht.
17. Wat zij geloofden geloof ook ik,
waarop zij hoopten hoop ook ik, waar zij zijn aangekomen, vertrouw ik door uw genade ook te zullen
komen.
18. Intussen zal ik leven in geloof,
versterkt door het voorbeeld van de heiligen.
19. Ik zal ook de heilige boeken hebben
tot troost en als spiegel van het leven; en boven dit alles uw allerheiligst Lichaam als bijzonder middel en
toevlucht.
20. Want twee dingen zijn naar mijn
mening mij in dit leven hoogst nodig, zonder deze zou dit armzalig leven voor mij ondraaglijk
zijn.
21. In de gevangenschap van dit lichaam
vastgehouden, beken ik aan twee dingen behoefte te hebben: aan voedsel namelijk en aan
licht.
22. Gij hebt mij, zwakkeling, uw heilig
Lichaam gegeven tot herstel van ziel en lichaam en een lamp voor mijn voeten gesteld, uw woord (Ps. -119 :
105).
23. Zonder deze twee zou ik niet goed
kunnen leven; want Gods woord is licht voor mijn ziel en uw Sacrament brood voor het
leven.
24. Deze kunnen ook uw twee tafels worden
genoemd:’ aan weerszijden geplaatst in de schatkamer van uw Kerk.
25. De ene tafel is die van uw heilig
altaar dat het heilig brood bevat, dat is het kostbaar Lichaam van
Christus.
26. De andere is die van de goddelijke
wet waarin uw heilige leer is vervat, die het ware geloof leert en ontwijfelbaar binnenleidt in het
binnenste, achter het voorhangsel waar zich het Heilige der Heiligen
bevindt.
27. U zij dank, Heer Jezus, Licht van het
eeuwige Licht, voor de tafel van uw heilige leer die Gij ons door uw dienaren de profeten en apostelen, en
andere leraren hebt voorgehouden.
28. Dank zij U, Schepper en Verlosser van
de mensen, die om aan heel de wereld uw liefde te bewijzen een groot maal hebt aangericht, waarin Gij niet
het voorafbeeldende Lam, maar uw allerheiligst Lichaam en Bloed ter nuttiging hebt
aangeboden:
29. Aldus alle gelovigen verblijdend met
een heilig gastmaal en lavend met een heilbrengende kelk, waarin al de vreugden van het paradijs aanwezig
zijn en waarbij met ons de heilige engelen maaltijd houden in nog groter
geluk.
30. Hoe groot en eervol is de bediening
van de priesters, aan wie gegeven werd de Heer van de majesteit met heilige woorden te consacreren, met de
lippen te zegenen, in de handen te houden, met eigen mond te nuttigen en aan anderen toe te
dienen.
31. Hoe rein moeten de handen zijn, hoe
zuiver de mond, hoe heilig het lichaam, hoe onbevlekt het hart van de priester, bij wie zo dikwijls de
Bewerker van de reinheid binnentreedt.
32. Uit de mond van een priester mogen
alleen heilige, waardige en nuttige woorden voortkomen, uit de mond die zo dikwijls het Sacrament van
Christus ontvangt.
33. Zijn ogen die gewoon zijn Christus’
Lichaam te aanschouwen, moeten eenvoudig zijn en kuis.
34. Zijn handen die gewoon zijn de
Schepper van hemel en aarde aan te raken, zuiver en ten hemel geheven.
35. Tot de priesters in het bijzonder
wordt in de wet gezegd: ‘Weest heilig, omdat Ik heilig ben, de Heer, uw God’ (Lev. 19 :
2).
36. Uw genade helpe ons, almachtige God,
opdat wij die de priesterlijke bediening hebben ontvangen, U waardig en godvruchtig in alle reinheid en met
een goed geweten mogen dienen.
37. En kunnen wij niet in zulke onschuld
van leven blijven als wij behoren te doen, verleen ons dan het kwaad dat wij hebben gedaan oprecht te
betreuren, en in de geest van nederigheid; en met een vast besloten goede wil U voortaan vuriger te
dienen.
Hoofdstuk
12
Wie gaat communiceren behoort zich met
grote ijver op Christus’ komst voor te bereiden
1. De Heer: Ik ben de Minnaar van
zuiverheid en de Gever van alle heiligheid.
2. Ik zoek een zuiver hart en daar is de
plaats van mijn rust.
3. Maak voor Mij de grote, open zaal
gereed (Mc. 14 : 15); dan zal Ik met mijn leerlingen paasfeest bij u
vieren.
4. Als gij wilt dat Ik tot u kom en bij u
blijf, doe dan de oude zuurdesem weg en zuiver de woonplaats van uw
hart.
5. Sluit heel de wereld buiten en heel
het tumult van gebreken; zit als een eenzame mus op het dak (Ps. 102 : 8) en denk aan uw overtredingen in de
bitterheid van uw gemoed.
6. Iedere geliefde immers brengt voor
haar minnaar de beste en mooiste plaats in gereedheid, want daaraan wordt de genegenheid erkend van wie de
beminde ontvangt.
7. Weet echter wel dat gij met de
verdienste van uw eigen daden voor deze voorbereiding niet kunt volstaan, al zoudt gij u zelfs gedurende een
heel jaar voorbereiden en niets anders in de geest hebben.
8. Maar uit louter liefde, op grond van
mijn genade wordt u toegestaan tot mijn tafel te naderen, alsof een bedelaar aan de maaltijd van een rijke
werd genodigd en deze niets anders zou hebben om op die weldaad te antwoorden dan zich te vernederen en hem
dank te zeggen.
9. Doe wat in uw vermogen is en doe het
met ijver; niet uit gewoonte, niet omdat het moet, maar neem het Lichaam van de geliefde Heer uw God tot u
met eerbiedige vrees en met liefde, nu Hij zich gewaardigt tot u te
komen.
10. Ik ben het die heb geroepen; Ik heb
bevolen dat dit zou gebeuren; Ik zal aanvullen wat u ontbreekt, kom en ontvang
Mij.
11. Als Ik de genade van godsvrucht geef,
zeg dan uw God daarvoor dank, niet omdat gij waardig zijt, maar omdat Ik mij over u ontfermd
heb.
12. Als gij niets hebt, maar u eerder dor
voelt, blijf dan met aandrang bidden, zucht en klop; houd niet op totdat gij verkrijgt een kruimel of
druppel van heilzame genade op te vangen.
13. Gij hebt Mij nodig; Ik heb u niet
nodig.
14. En gij komt niet Mij heiligen, maar
Ik kom u heiligen en beter maken.
15. Gij komt om door Mij geheiligd en met
Mij verenigd te worden, om nieuwe genaden te ontvangen en opnieuw tot levensverbetering te worden
aangevuurd.
16. Wil deze genade niet verwaarlozen,
maar bereid met alle ijver uw hart voor en voer uw Beminde bij u
binnen.
17. Gij behoort u echter niet alleen tot
godsvrucht voor te bereiden voor de Communie, maar u ook zorgvuldig in die godsvrucht te bewaren na het
ontvangen van het Sacrament.
18. Niet minder behoedzaamheid daarna
wordt vereist dan godvruchtige voorbereiding tevoren.
19. Want een goede zorg daarna is weer de
beste voorbereiding om groter genade te ontvangen.
20. Zeer slecht voorbereid is iemand
hierdoor dat hij terstond, al te onbeteugeld uitwendige voldoening
zoekt.
21. Wacht u voor het veel spreken, blijf
in de eenzaamheid en geniet van de goddelijke aanwezigheid.
22. Want nu heb gij Hem die heel de
wereld u niet ontnemen kan.
23. Ik ben het aan wie gij u geheel moet
wegschenken, zodat gij voortaan niet meer in uzelf, maar in Mij zonder enige bezorgdheid blijft
leven.
Hoofdstuk
14
Het vurig verlangen van sommige gelovigen
naar het Lichaam van Christus
1. ‘O hoe groot is de zoetheid Heer die
Gij bewaard hebt voor wie U vrezen’ (Ps. 31 : 20).
2. Als ik denk aan sommige gelovigen die
tot uw Sacrament met de grootste godsvrucht en liefde naderen.
3. Dan ben ik in mijn binnenste verward
en beschaamd, dat ik zo lauw en koud nader tot uw altaar en de tafel van de heilige
communie.
4. Dat ik zo dor en zonder gevoeligheid
van hart blijf, dat ik voor U, mijn God, niet totaal ontvlamd ben;
5. En niet zo hevig aangetrokken en
ontroerd als vele gelovigen geweest zijn, die uit vurig verlangen naar de communie en voelbare liefde in hun
hart hun tranen niet konden bedwingen.
6. Met de mond, zowel met het hart als
met het lichaam, gaven zij hun hevig verlangen te kennen naar U, God, de levende Bron. Zij wisten niet op
welke wijze zij anders hun honger moesten matigen of stillen, als zij niet uw Lichaam met alle geestelijke
blijdschap en vurige begeerte hadden ontvangen.
7. O waar en vurig geloof, dat zelf een
aannemelijk bewijs wordt van uw heilige tegenwoordigheid.
8. Zij immers erkennen in waarheid hun
Heer bij het breken van het brood (Lc. 24 : 35), van wie het hart zo vurig in hen brandt als Jezus met hen
meegaat.
9. Van die liefde en godsvrucht, van die
hevige liefde en vurigheid ben ik ver verwijderd.
10. Goede, milde, welwillende Jezus, wees
mij genadig en geef uw arme bedelaar om tenminste van tijd tot tijd iets van een innige, hartelijke liefde
bij de heilige communie te mogen voelen.
11. Dat daardoor mijn geloof krachtiger
wordt, mijn hoop op uw goedheid mag toenemen en de liefde eenmaal volkomen ontbrand bij het ontvangen van
het hemels manna, mij nooit meer ontbreekt.
12. Want uw barmhartigheid is in staat
mij ook de gevraagde gunst te verlenen en als de dag van uw welbehagen is gekomen, mij uiterst genadig met
de geest van vurigheid te bezoeken.
13. Want al brand ik niet van zulk een
grote begeerte als zo velen die U bijzonder zijn toegewijd, toch heb ik dank zij uw goedheid reeds het
verlangen naar dat vurig ontvlamd verlangen.
Ik bid en hoop deel te mogen uitmaken van
al die vurige minnaars en gerekend te mogen worden onder hun getal.
Hoofdstuk
15
De gave van godsvrucht wordt door
nederigheid en de verloochening van het eigen ik verkregen
1. De Heer: Men moet de gave van
godsvrucht met ijver zoeken, er met verlangen om bidden, geduldig en vertrouwvol verwachten; ze dankbaar
aannemen, nederig bewaren, ijverig daarmee werken en dan God het einde en de wijze van zijn verheven
bezoeking overlaten totdat Hij komt.
2. Gij behoort u vooral te vernederen,
als gij innerlijk weinig of geen godsvrucht voelt, maar niet te zeer ontmoedigd te zijn of u er onmatig over
te bedroeven.
3. God geeft dikwijls in een kort
ogenblik wat Hij gedurende lange tijd heeft geweigerd; Hij geeft soms op het einde wat Hij in het begin van
het gebed uitstelde te geven.
4. Als de genade steeds snel zou worden
gegeven en naar wens aanwezig was, zou dit voor een zwak mens moeilijk zijn te
dragen.
5. Daarom moet men de gave van godsvrucht
in goed vertrouwen en met nederig geduld afwachten. Wijt het echter aan uzelf en aan uw zonden, als gij ze
niet ontvangt of als zij u op geheime wijze wordt ontnomen.
6. Soms is het een nietigheid die de
genade tegenhoudt of verbergt, als men tenminste over een nietigheid spreken kan en niet eerder over een
gewichtige zaak die een zo groot goed tegenhoudt.
7. En als gij dit nietige of gewichtige
beletsel zult hebben weggenomen en volmaakt overwonnen, dan zal gebeuren wat gij verlangd
hebt.
8. Want onmiddellijk nadat gij u geheel
aan God zult hebben overgegeven en niet dit of dat volgens uw keus of welbehagen hebt gezocht, maar u
onvoorwaardelijk aan Hem hebt gegeven, zult gij de eenheid en de vrede vinden. Want niets zal u zoveel
voldoening brengen en aangenaam zijn als het welbehagen van de goddelijke
wil.
9. Wie dus zijn bedoeling eenvoudig naar
boven, op God heeft gericht en zich van iedere ongeregelde liefde of tegenzin voor een of ander schepsel
heeft vrijgemaakt, zal zeer geschikt zijn om de genade te ontvangen en de gave der godsvrucht waardig
zijn.
10. Want de Heer geeft daar zijn zegen
waar Hij lege vaten vindt.
11. En hoe volkomener iemand aan het
lagere verzaakt en meer aan zichzelf sterft door zelfverachting, des te sneller komt de genade, des te
overvloediger treedt zij binnen, des te hoger verheft zij het hart dat vrij
is.
12. Dan zal hij zien en overvloed hebben,
‘en zich verwonderen en zijn hart zal verruimd worden’ (Jes. 60 : 5) in hem; want de hand des Heren is met
hem en zelf heeft hij zich volstrekt in zijn handen overgegeven tot in
eeuwigheid.
13. Zie, zo zal de mens worden gezegend
(Ps.127 : 4) die God zoekt met heel zijn hart en die zijn ziel niet tevergeefs
ontvangt.
14. Hier bij het ontvangen van de heilige
Eucharistie verkrijgt hij de grote gunst van de goddelijke vereniging; want hij heeft geen aandacht voor
eigen godsvrucht en vertroosting, maar boven alle godsvrucht en vertroosting staat voor hem Gods eer en
glorie.
Hoofdstuk
16
Wij moeten onze noden aan Christus
openbaren en zijn genade afsmeken
1. De gelovige: Zeer goede en
beminnelijke Heer, die ik nu godvruchtig wens te ontvangen, Gij kent mijn zwakheid en de nood die ik lijd;
Gij weet in hoeveel kwaad en gebreken ik neerlig; hoe dikwijls ik mij bezwaard voel, bekoord, verward en
verontreinigd.
2. U bent voor mij als medicijn, als
vertroosting en verkwikking roep ik U aan.
3. Ik spreek tot Degene die alles weet,
aan wie mijn hele innerlijk bekend is; Gij alleen kunt de volmaakte vertroosting geven en mij
helpen.
4. Gij weet wat ik voor alles nodig heb,
hoe arm ik ben aan deugd.
5. Zie, ik sta voor U, arm ontdaan van
alles; ik bid om uw genade, ik smeek om uw barmhartigheid.
6. Verkwik uw arme, hongerige bedelaar,
verwarm mijn koudheid met het vuur van uw liefde; verlicht mijn blindheid met de helderheid van uw
tegenwoordigheid.
7. Laat voor mij al het aardse maar
bitter worden; alle zwarigheid en tegenslag mij leiden tot geduld; al het lagere en geschapene geringe
achting en vergetelheid bewerken.
8. Richt mijn hart naar U omhoog in de
hemel en laat mij niet dwalend over de aarde gaan.
9. Wees Gij van nu af aan mijn voldoening
tot in alle eeuwen, want Gij alleen zijt mijn spijs en drank, mijn liefde en mijn vreugde, mijn zaligheid en
heel mijn rijkdom.
10. Wil mij toch door uw tegenwoordigheid
geheel in gloed zetten, mij doen branden en in U omvormen, zodat ik één geest met U word door de genade van
de innerlijke eenheid en door het vloeibaar worden als gevolg van een vurige
liefde.
11. Duld niet dat ik hongerig en dor van
U wegga, maar handel met mij op een barmhartige wijze, zoals Gij dikwijls wonderbaar met uw heiligen
gehandeld hebt.
12. Is het zo verwonderlijk dat ik door U
totaal in vuur raak en mijzelf verlies? Gij zijt toch een altijd brandend vuur en Gij schiet nooit te kort,
Gij zijt de liefde die de harten zuivert en het verstand verlicht.
Hoofdstuk
17
De vurige liefde en het brandend
verlangen Christus in zich te mogen opnemen
1. De gelovige: Met de grootste
godsvrucht en met brandende liefde, met heel de liefde van mijn hart verlang ik vurig U, Heer, te ontvangen,
zoals vele heiligen en godvruchtige personen bij de communie naar U hebben
verlangd.
Zij hebben in hoge mate U behaagd door de
heiligheid van hun leven en hadden ervaring van de grootste
godsvrucht.
2. Mijn God, eeuwige liefde, heel mijn
bezit, eindeloos geluk, ik verlang U te ontvangen met de hevigste begeerte en de allerwaardigste eerbied die
ooit iemand van de heiligen heeft gekend of kunnen beleven.
3. En al ben ik onwaardig al die
gevoelens van godsvrucht te hebben, toch bied ik U de hele liefde van mijn hart, alsof ik al die zeer
prijzenswaardige ontvlamde begeerten alleen bezat.
4. Maar ook alles wat een liefdevolle
geest kan uitdenken en verlangen, dat alles bied ik U met de grootste eerbied aan en offer het U op met
innige vurigheid.
5. Ik wens niets voor mijzelf te
behouden, maar mijzelf en al het mijne U vrijwillig en met heel mijn hart ten offer te
brengen.
6. Heer mijn God, mijn Schepper en
Verlosser, met zulke liefde, eerbied, lof en eer, met zulk een dankbaarheid, waardigheid en liefde, met zulk
een geloof, hoop en zuiverheid wens ik U nu te ontvangen.
7. Als U voor het eerst de glorievolle
Maagd Maria ontvangen heeft, toen zij de engel die haar de boodschap bracht van het geheim der menswording,
nederig en vroom het antwoord gaf: ‘Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord’ (Lc. 1 :
38).
8. En zoals uw zalige Voorloper, de
grootste van de heiligen, Johannes de Doper, om uw tegenwoordigheid blij opsprong in de vreugde van de
heilige Geest, terwijl hij nog in de schoot van zijn moeder was
opgesloten.
9. En later toen hij U zag wandelen onder
de mensen en zich diep vernederend met eerbiedige liefde sprak: ‘De vriend van de bruidegom die daar staat
en naar hem luistert is van vreugde vervuld om de stem van de bruidegom’ (Joh. 3 :
29).
10.Zo wens ook ik van grote en heilige
verlangens ontvlamd te worden en mij met heel mijn hart aan U aan te
bieden.
11. Daarom bied ik U aan en leg ik voor U
neer al de jubel, de vurige liefde, de geestelijke verrukkingen met de bovennatuurlijke verlichtingen en
hemelse visioenen van al de U toegewijde harten met alle deugden en met al de lofprijzingen van alle
schepselen in de hemel en op aarde gebracht en nog te brengen, voor mij en al degenen die mij in het gebed
zijn aanbevolen, opdat Gij door allen waardig moogt worden geprezen en in eeuwigheid
verheerlijkt.
12. Aanvaard mijn wensen, Heer mijn God,
en mijn verlangens naar uw oneindige lofprijzing en ongemeten verheerlijking, die U volgens de veelheid van
uw onuitsprekelijke grootheid terecht verschuldigd zijn.
13. Dit geef ik U terug en verlang ik U
terug te geven iedere dag en op alle ogenblikken van de tijd, en om met mij U te loven en dank te zeggen
nodig ik alle hemelse koren en al uw gelovigen uit en smeek hen met liefdevol
gebed.
14. Mogen alle volken en stammen en talen
U loven en uw heilige zoetvloeiende naam met de grootste blijdschap en vurige godsvrucht
verheerlijken.
15. En mogen allen die met eerbied en
godsvrucht uw allerverhevenst Sacrament vieren en met groot geloof ontvangen, waardig bevonden worden genade
en barmhartigheid bij U te vinden en mogen zij voor mij zondaar dringend
smeken.
16. En als zij dan begenadigd met de
verlangde godsvrucht en de verzadigende vereniging, zeer vertroost en wonderbaar verkwikt van de heilige
hemelse tafel zijn teruggekeerd, mogen zij dan mij arme indachtig willen
zijn.
Hoofdstuk
18
Een mens moet niet nieuwsgierig dit
Sacrament doorvorsen, maar als nederig navolger van Christus zijn verstand onderwerpen aan het heilig
geloof
1. De Heer: Gij moet u van een
nieuwsgierig en onnuttig onderzoek van dit allerdiepst Sacrament onthouden, als gij niet in de diepte van de
twijfel wilt ondergaan.
2. Wie doorvorser is van de Majesteit,
zal door haar glorie worden verpletterd (Spr. 25 : 5).
3. God kan meer tot stand brengen dan een
mens kan begrijpen.
4. Een nederig en godvruchtig onderzoek
is toelaatbaar, als men altijd bereid blijft onderricht te worden en erop gesteld is de gezonde meningen van
de vaders te volgen.
5. Gelukkig de eenvoud die de moeilijke
paden van de problemen verlaat en langs de open en vaste weg van Gods geboden
voortgaat.
6. Velen hebben de godsvrucht verloren,
terwijl zij al te diepe vraagstukken wilden doorgronden.
7. Geloof wordt van u gevraagd en een
ernstig leven; niet een groot verstand en ook niet de kennis van Gods diepe
geheimen.
8. Als gij iets niet inziet en niet
begrijpt wat beneden u staat, hoe wilt gij dan verstaan wat boven u verheven
is?
9. Onderwerp u aan God en verneder uw
verstand voor het geloof; dan zal u het licht van de wetenschap gegeven worden in de mate waarin dat voor u
noodzakelijk en nuttig is.
10. Sommigen worden zwaar bekoord omtrent
het geloof en het Sacrament; dat is dan niet aan henzelf te wijten maar eerder aan de
vijand.
11. Gij moet niet bezorgd zijn, ga geen
discussies aan met uw gedachten; geef ook geen antwoord op de twijfels die de duivel u
ingeeft.
12. Maar geloof Gods woord, geloof de
heiligen en de profeten, en de boze vijand zal van u wegvluchten.
13. Dikwijls strekt het tot groot
voordeel, als een dienaar van God zo iets moet doorstaan.
14. Ongelovigen en zondaars bekoort hij
niet, die zijn al zijn veilig bezit; maar de vrome gelovigen stelt hij op allerlei wijzen met verwarringen
op de proef.
15. Ga dus door in eenvoudig en
niet-twijfelend geloof en nader tot het Sacrament met nederige
eerbied.
16. Wat gij er niet van kunt begrijpen
laat dat rustig over aan Gods almacht.
17. God bedriegt u niet; bedrogen wordt
wie te veel op zichzelf vertrouwt.
18. God gaat om met de eenvoudigen, Hij
openbaart zich aan de nederigen, Hij geeft inzicht aan de kleinen, Hij opent het verstand voor de zuivere
geesten en verbergt de genade voor hen die nieuwsgierig zijn en trots.
19. Alle menselijke verstand is zwak en
kan zich vergissen; het ware geloof echter kan zich niet vergissen.
20. Ieder verstand en de natuurlijke
onderzoeking behoort het geloof te volgen, maar niet daaraan vooraf te gaan of het geweld aan te
doen.
21. Want het geloof en de liefde hebben
daar in hoge mate voorrang en op mysterieuze wijzen werken zij in dit allerheiligst en hoogst verheven
Sacrament.
22. De eeuwige ‘en onmetelijke God die
over oneindige macht beschikt, brengt grote en onnaspeurbare dingen tot stand in de hemel en op aarde, en
een peilen van zijn wonderbare werken is niet mogelijk.
23. Als Gods werken zo waren dat zij
gemakkelijk door het menselijk verstand konden worden begrepen, zouden zij niet wonderbaar zijn en waren wij
niet verplicht te zeggen dat zij onuitsprekelijk zijn.
Met dank aan: http://www.heiligeteksten.nl